ECLI:NL:PHR:2018:534

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2018
Publicatiedatum
1 juni 2018
Zaaknummer
18/00964
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken handtekening advocaat bij Hoge Raad

Verzoeker heeft op 6 maart 2018 een cassatieverzoekschrift ingediend tegen het arrest van het hof Amsterdam van eind februari 2018, waarin het vonnis van de rechtbank Noord-Holland werd bekrachtigd dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afwees.

Het cassatieverzoekschrift was ondertekend door een advocaat die niet bij de Hoge Raad is geregistreerd. De griffie van de Hoge Raad heeft verzoeker hierop gewezen en een herstelmogelijkheid geboden door binnen twee weken alsnog een door een cassatieadvocaat ondertekend verzoekschrift in te dienen.

Verzoeker heeft deze herstelmogelijkheid niet benut. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van artikel 426a lid 1 Rv, wat leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat het cassatieberoep van verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze lijn volgt vaste rechtspraak over de hersteloptie bij het ontbreken van de vereiste handtekening.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard vanwege ontbreken handtekening advocaat bij Hoge Raad en niet tijdig herstel.

Conclusie

18/00964
mr. G.R.B. van Peursem
22 maart 2018
Conclusie inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
(hierna: [verzoeker])
1. [verzoeker] heeft bij een op 6 maart 2018 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift met het opschrift “schriftuur in cassatie” beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam van 27 of 28 februari 2018 [1] met zaaknummer 200.231.828/01. In dit arrest is het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 16 januari 2018 bekrachtigd, waarin de rechtbank het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen.
2 Het cassatieverzoekschrift is ingediend en ondertekend door mr. M.J. Meijer, die geen advocaat bij de Hoge Raad is.
3 Bij brief van 8 maart 2018 is [verzoeker] door de griffie van de Hoge Raad bericht dat het cassatieverzoekschrift niet is ingediend door een advocaat bij de Hoge Raad en dat dit verzuim kan worden hersteld doordat een advocaat bij de Hoge Raad alsnog hetzelfde verzoekschrift getekend indient binnen twee weken na de datum waarop het verzoekschrift door de griffie van de Hoge Raad is ontvangen (i.e. uiterlijk op 20 maart 2018) [2] .
4 Tot op heden is door [verzoeker] geen cassatieverzoekschrift ingediend dat is ondertekend door een cassatieadvocaat. Zodoende is het verzuim niet tijdig hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste van art. 426a lid 1 Rv.
5 Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.In de kop van het arrest staat 27 februari 2018, in het dictum 28 februari 2018.
2.Vaste rechtspraak dat dit de hersteloptie is: HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212, m.nt. H.J. Snijders, recent herhaald in HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:314, RvdW 2017/311, HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:931, RvdW 2017/592, HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2557, RvdW 2017/1066 en HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2558, RvdW 2017/1065.