Conclusie
middelbevat de klacht dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen – mede in het licht van een door de verdediging gevoerd bewijsverweer – niet heeft kunnen afleiden dat de verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het voorbereiden van een woninginbraak gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd. Wat betreft het onder de verdachte en zijn medeverdachten aangetroffen inbrekersgereedschap heeft de verdediging aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen volgt dat als er al een misdrijf zou worden voorbereid, het om diefstal van auto’s ging en dus niet om het plegen van enig misdrijf ten aanzien waarvan in art. 46, eerste lid, Sr het verrichten van voorbereidingshandelingen strafbaar is gesteld. Dit verweer is door het hof verworpen, hetgeen volgens de steller van het middel zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.