ECLI:NL:PHR:2018:554

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2018
Publicatiedatum
4 juni 2018
Zaaknummer
16/05691
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 328 SvArt. 331 lid 1 SvArt. 315 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest mishandeling met heet water wegens onvoldoende motivering bewijs en getuigenverzoek

De zaak betreft een mishandeling op 14 oktober 2014 waarbij verdachte een beker heet water in het gezicht van het slachtoffer gooide, wat leidde tot brandwonden. Het hof Den Haag veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf en hechtenis, waarbij het bewijs mede rustte op een getuigenverklaring van een medepatiënt.

De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van deze getuige en verzocht om het horen van deze getuige, wat door het hof werd afgewezen zonder voldoende motivering. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat deze afwijzing niet begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd was.

Daarnaast voerde de verdediging aan dat verdachte niet wist dat het water heet was, een verweer dat door het hof werd verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewijswaardering en motivering omtrent het getuigenverzoek onvoldoende heeft toegelicht, waardoor het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe behandeling.

De Hoge Raad toetst niet de feiten maar de motivering en toepassing van het recht. Het oordeel van het hof over de schuld van verdachte blijft buiten beschouwing, maar het belang van een volledige bewijsvoering wordt benadrukt. De zaak wordt derhalve opnieuw behandeld door het gerechtshof.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd en zaak terugverwezen wegens onvoldoende motivering afwijzing getuigenverzoek en bewijswaardering.

Conclusie

Nr. 16/05691
Zitting: 5 juni 2018
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 13 september 2016 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en wegens subsidiair “mishandeling” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte heeft mr. S.V. Jansen, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel richt zich tegen de bewijsmotivering en de afwijzing van het voorwaardelijk gedane verzoek om het horen van een getuige. Het tweede middel klaagt over de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Voordat ik de middelen bespreek zal ik de bewezenverklaring en de gebruikte bewijsmiddelen weergeven.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 14 oktober 2014 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door (de inhoud van) een beker heet water in het gezicht van [slachtoffer] te gooien.”
4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte van de politie Eenheid Den Haag d.d. 20 oktober 2014, nr. PL1500-2014261760-1, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 8-11):
Als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :
Ik zit op de afdeling CDP 2 van Parnassia gelegen op de Mangostraat 5 te Den Haag. [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) zit ook op de afdeling CDP 2. [verdachte] is zwanger van [betrokkene 1] .
Op 14 oktober 2014 omstreeks 19:05 uur was ik de gezamenlijke woonkamer ingelopen. Ik stond bij de deuropening, vlakbij de eettafel. Ik had een labelmaker in mijn handen en mijn hoofd naar beneden gebogen. Opeens voelde ik een zeer hete vloeistof in mijn gezicht. Ik keek op. Ik zag dat [verdachte] voor mij stond, op ongeveer een halve meter van mij. Ik voelde mijn gezicht erg branden. Ik besefte dat [verdachte] hete vloeistof in mijn gezicht had gegooid.
Mijn linkerkant van mijn gezicht was echt heel rood. De dienstdoende arts heeft eerstegraads brandwonden vastgesteld. Ik heb nog steeds pijn aan mijn gezicht. De volgende dag zijn er foto's van mijn letsel gemaakt, deze kunt u bijvoegen bij deze aangifte. Er is aan de linkerzijde van mijn gezicht veel vel weg en ik heb nog meerdere korsten op mijn gezicht. Ook aan de onderzijde van mijn nek heb ik een brandplek zitten.
Opmerking verbalisant: ik zie dat aangeefster [slachtoffer] nog letsel heeft aan de linkerzijde van haar gezicht. Ik zie dat zij korsten heeft op haar neus, dat er vel weg is aan de linkerzijde van het voorhoofd, aan de linkerzijde van de wang. Ik zie dat het linkeroog nog iets rood is. Ik zie dat er aan de onderzijde van de nek aan de linkerzijde een roze plek van ongeveer 10 centimeter hoog en 3 centimeter breed zit.
Op dinsdag 14 oktober 2014 zag ik dat ik een whatsapp bericht had gekregen van [verdachte] . Ik laat u dit bericht zien.
Opmerking verbalisant: Ik bekeek de telefoon van aangeefster [slachtoffer] . Ik zag dat het volgende bericht via WhatsApp was verstuurd naar de telefoon van aangeefster vanaf nummer [06-001] , Tue, 18.45 uur:
"Hoer Afgelikte boterham. Ik beloof jou !!!! Voordat je op verlof gaat krijg ik [betrokkene 2] te spreken Ik heb het je heeeeel normaal gevraagd Je liegt gewoon dat je barst Je bent al en al vuil gewoon Troep Je bent niks waard Niet als partner en niet als vriendin Je gaat er spijt van krijgen geloof me Ga maar rennen naar de begeleiding Die kunnen op een gegeven moment ook niks voor je doen Wanneer je het niet verwacht... krijg je met me te maken HOERTJEEE VAN HET CDP."
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Eenheid Den Haag d.d. 29 oktober 2014, nr. PL1500-2014261760-4, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven - (p. 18-19):
Als verklaring van de getuige [getuige 1] :
Op 14 oktober 2014 bevond ik mij op de afdeling CDP 2. Ik was omstreeks 19:00 uur in de huiskamer van de afdeling. Ik zag een meisje, ik weet haar naam niet meer, in de keuken een bekertje heet water pakken. Bij de huiskamer is een open keuken gelegen. Daar staat een koffieapparaat. Ik zag het meisje een kopje pakken, ik zag dat zij vanuit het koffieapparaat heet water tapte in het kopje.
Ik zag dat zij naar [slachtoffer] (het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer] ) toeliep. [slachtoffer] stond in de deuropening van de huiskamer en de gang. Ik zag dat het meisje het hete water in [slachtoffer] haar gezicht gooide. Ik zat op ongeveer 3 à 4 meter afstand. Ik zag dat het hete water tegen het gezicht van [slachtoffer] kwam. Ik zag dat [slachtoffer] haar gezicht helemaal vertrok van de pijn. Ik zag dat haar gezicht een uur later echt helemaal rood en opgezwollen was. Ik zag de volgende dag dat haar linkeroog bijna helemaal dicht zat en opgezwollen was en haar andere oog was ook rood en opgezwollen. Ik zag dat haar gezicht nog meer rood en opgezwollen was.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2016, voor zover inhoudende - kort en zakelijk weergegeven -:
Op 14 oktober 2014 heb ik een bekertje in het gezicht van [slachtoffer] leeggegooid. Ik heb op 14 oktober 2014 om 18:45 uur inderdaad via WhatsApp aan [slachtoffer] gestuurd: " (...) Je gaat er spijt van krijgen geloof me (...) Wanneer je het niet verwacht... krijg je met me te maken (…).”
Ik was aan het strijden met mijn gevoelens. Ik was heel erg boos. Zij had mij voor de zoveelste keer pijn gedaan en ik wilde haar beschamen.”
5. Het
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige 1] en de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek om [getuige 1] als getuige te horen.
5.1. Op de terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2016 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“In het dossier is voor het primair ten laste gelegde enkel een verklaring van [getuige 1] voorhanden, waaruit het OM put dat cliente het zou hebben geweten dat het hete vloeistof betrof. Zoals door de verdediging betoogd en door de Rechtbank aangenomen, is deze niet betrouwbaar te noemen, omdat deze getuige spreekt van een stenen kopje, terwijl aangeefster en cliënte spreken over een plastic bekertje. Ook waar dit voorwerp gebleven is na afloop is verschillend en tegenstrijdig verklaard.”
5.2. Verder houdt het proces-verbaal van de terechtzitting het volgende in:
“De raadsman voert het woord ter verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotitie. In aanvulling daarop deelt hij het navolgende mede:
(…)
2. In Parnassia verblijven veel mensen die wanen hebben en de dingen mogelijk anders zien dan ze zijn. Mijns inziens dient daarom een andere waarde te worden gehecht aan de verklaring van de getuige [getuige 1] .
De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek en deelt daartoe het navolgende mede:
De verklaring van de getuige [getuige 1] zou volgens de verdediging niet betrouwbaar zijn omdat [getuige 1] heeft verklaard over een stenen bekertje terwijl aangeefster het over een plastic bekertje heeft. Dat gaat mij te ver, gelet ook op de overige inhoud van zijn verklaring. In hoeverre de verdachte had moeten voelen dat er heet water in het bekertje zat is niet relevant, nu ik ervan uitga dat zij zelf heet water heeft getapt uit de thee- en koffieautomaat. Het horen van de getuige [getuige 1] is mijns inziens niet noodzakelijk en ik verzet mij dan ook tegen het verzoek daartoe.
De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek en deelt daartoe mede:
De getuige [getuige 1] is de enige bron voor wat betreft het tappen van (heet) water uit de automaat door mijn cliënte. Mijn cliënte betwist dit juist ten stelligste. Mijn cliënte betwist verder dat hij toen in de woonkamer was. De verdediging heeft er alle belang bij om hem te kunnen ondervragen. Het verzoek daartoe dient te worden toegewezen.”
5.3. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:
“De raadsman heeft - op gronden als vermeld in zijn overgelegde en in het strafdossier gevoegde pleitnota - betoogd dat aan de verklaring van de getuige [getuige 1] geen geloof kan worden gehecht en niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Zijn verklaring is immers op enkele punten in strijd met de aangifte van [slachtoffer] . Daarnaast is [getuige 1] een patiënt van Parnassia, hetgeen grond kan geven om aan zijn waarneming te twijfelen. Mocht het hof de verklaring van [getuige 1] wel betrouwbaar vinden en willen gebruiken voor het bewijs, dan wenst de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om [getuige 1] als getuige te horen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De getuige [getuige 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij in de huiskamer van de afdeling CDP was toen hij een meisje een stenen kopje met heet water zag tappen uit de koffieautomaat in de bij de huiskamer gelegen open keuken. Het meisje liep vervolgens naar [slachtoffer] , die bij de deuropening stond, en gooide het hete water in het gezicht van [slachtoffer] .
Het hof acht de getuigenverklaring van [getuige 1] betrouwbaar en zal deze gebruiken voor het bewijs.
Weliswaar komt zijn verklaring op enkele punten van details niet geheel overeen met die van de aangeefster (die een plastic bekertje op de grond heeft zien vallen en het niet heeft over een koffieautomaat), maar op wezenlijke onderdelen vindt zijn verklaring steun in de overige bewijsmiddelen. Zo hebben getuige [getuige 1] en aangeefster [slachtoffer] beiden verklaard dat de verdachte (heet) water in het gezicht van [slachtoffer] heeft gegooid ten gevolge waarvan brandwonden in het gezicht van [slachtoffer] zijn ontstaan. [getuige 1] verklaart dat hij zag dat het gezicht van de aangeefster door het gegooide water vertrok van de pijn, dat haar gezicht een uur later geheel rood en opgezwollen was en dat haar linkeroog de volgende dag bijna helemaal dicht zat. De beschrijving van het letsel komt geheel overeen, met de foto's zoals die door de politie ten tijde van de aangifte zijn gemaakt.
Met betrekking tot het voorwaardelijke verzoek om [getuige 1] (opnieuw) als getuige te doen horen, overweegt het hof als volgt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de enkele omstandigheid dat getuige [getuige 1] tijdens het gebeurde in Parnassia als patiënt verbleef de noodzaak zou meebrengen om hem ook door de rechter als getuige te doen horen. Het hof acht het met het oog op de volledigheid van het onderzoek dan ook niet noodzakelijk om getuige [getuige 1] (nogmaals) te horen en heeft daarin mede acht geslagen op het zeer late stadium waarin het verzoek is gedaan.”
5.4. Het middel klaagt allereerst dat het oordeel van het hof dat de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar is onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat [getuige 1] op cruciale punten anders heeft verklaard dan [slachtoffer] en de verdachte, terwijl de omstandigheid dat de door [getuige 1] gegeven beschrijving van het letsel van [slachtoffer] overeenkomt met de foto’s van het letsel niets zegt “over zijn geestesgesteldheid, alertheid en juistheid van hetgeen hij waarneemt op het ten laste gelegde moment”.
5.4.1. Bij de beoordeling van deze klacht is van belang dat het aan de feitenrechter is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. Daarbij mag de rechter datgene terzijde stellen wat hij in dat opzicht van geen waarde acht en hoeft hij in de regel geen verantwoording af te leggen over de keuze die hij daarbij maakt. In cassatie wordt niet getoetst of de rechter de feiten juist heeft vastgesteld, maar of hij daarbij de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. [1] Wel dient de rechter wanneer hij in zijn bewijsbeslissing afwijkt van door of namens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten deze beslissing in beginsel nader te motiveren. [2] In dat kader merk ik op dat ik in het middel geen klacht over het niet of onvoldoende responderen door het hof op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro kan ontdekken.
5.4.2. Het hof heeft onderkend dat de verklaring van [getuige 1] op onderdelen niet overeenkomt met de aangifte van [slachtoffer] , in het bijzonder waar het gaat om het materiaal van de beker en het tappen van heet water uit het koffieapparaat, maar ziet daarin geen aanleiding om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] te twijfelen omdat de verklaring op wezenlijke onderdelen, namelijk niet alleen met betrekking tot de beschrijving van het letsel van [slachtoffer] maar ook met betrekking tot het gooien van (heet) water in het gezicht van [slachtoffer] , steun vindt in de andere bewijsmiddelen. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor en is ook toereikend gemotiveerd.
5.4.3. Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.
5.5. Verder klaagt het middel dat de beslissing tot afwijzing van het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, althans dat het hof bij deze beslissing een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd en/of vooruit is gelopen op hetgeen [getuige 1] zou kunnen verklaren.
5.5.1. Het in het middel bedoelde verzoek is kennelijk gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2016 en is een verzoek op grond van art. 328 en Pro 331 lid 1 Sv in verbinding met art. 315 Sv Pro en art. 415 Sv Pro. De maatstaf bij de beslissing op een dergelijk verzoek is of de noodzaak tot het horen van de getuige is gebleken. Die maatstaf heeft het hof ook gehanteerd en voor zover de klacht hierop betrekking heeft faalt deze.
5.5.2. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [3]
5.5.3. Het hof heeft het verzoek tot het horen van [getuige 1] in feite afgewezen op de grond dat niet valt in te zien waarom de enkele omstandigheid dat getuige [getuige 1] tijdens het gebeurde in Parnassia als patiënt verbleef de noodzaak zou meebrengen om hem ook door de rechter als getuige te doen horen.
5.5.4. Hoewel de pleitnota noch het proces-verbaal van de terechtzitting het door de raadsman gedane verzoek bevat, ga ik ervan uit dat aan het verzoek niet uitsluitend ten grondslag is gelegd dat [getuige 1] tijdens het gebeurde als patiënt in Parnassia verbleef. De raadsman heeft immers in dupliek ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat de getuige [getuige 1] de enige bron is waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte, voorafgaand aan het incident een beker heet water uit de automaat heeft getapt. Door en namens de verdachte is dit onderdeel van de verklaring van [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk betwist. Het verweer was immers dat de verdachte wel een beker met water naar [slachtoffer] heeft gegooid, maar deze beker van de tafel heeft gepakt en zich er niet van bewust was dat het water heet was. Voor het onderdeel uit de verklaring van [getuige 1] dat hij de verdachte heet water heeft zien tappen uit de automaat is in de andere bewijsmiddelen geen steunbewijs te vinden, terwijl de verklaring van [getuige 1] op dit punt, blijkens het bestreden arrest, voor het hof van doorslaggevende betekenis is geweest bij de beantwoording van de vraag of de verdachte heeft geweten dat zij met heet water gooide en dus voor het oordeel van het hof met betrekking tot de (strafbaarheid van de) bewezenverklaarde mishandeling.
5.5.5. Uit de motivering van de afwijzing van het verzoek blijkt echter niet dat het hof het vorenstaande bij de afwijzing van het verzoek in aanmerking heeft genomen. Gelet daarop vind ik de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuige [getuige 1] in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet zonder meer begrijpelijk en is deze afwijzing naar mijn mening evenmin toereikend gemotiveerd.
5.6. Het middel slaagt.
6. Hoewel het eerste middel naar mijn mening doel treft en tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden en het tweede middel dus geen bespreking zou behoeven, zal ik toch op dit middel ingaan voor het geval dat de Hoge Raad mijn standpunt ten aanzien van het eerste middel niet volgt. Het
tweede middelklaagt dat de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging met betrekking tot het opzet van de verdachte ontoereikend is gemotiveerd, omdat het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat de beker heet water bevatte onbegrijpelijk is.
6.1. Op de terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2016 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Voor opzet op mishandeling met het gooien van beetje water in een beker of kopje, is op z'n minst wetenschap vereist dat de vloeistof heet is, althans dusdanig warm of heet dat het brandwonden kan veroorzaken.
En dat, leden van het Hof, wist cliënte niet en had zij ook niet kunnen bevroeden, toen zij in een opwelling een bekertje - naar haar idee koud - omdat het al even op de tafel stond - vloeistof richting het slachtoffer gooide.
Client heeft - juridisch gezien - gedwaald omtrent de feiten. Zij dacht dat de vloeistof in het kopje/bekertje niet heet was en dus geen pijn of letsel kon veroorzaken. Zij weet en wist ook niet dat het gooien van een beetje water reeds mishandeling zou kunnen opleveren. Haar intentie was 'beschamen' van het slachtoffer.”
6.2. Verder houdt het proces-verbaal van de terechtzitting het volgende in:
“De raadsman voert het woord ter verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotitie. In aanvulling daarop deelt hij het navolgende mede:
1. Er is sprake van afwezigheid van alle schuld. Mijn cliënt heeft gedwaald omtrent de feiten en het recht. Zij wist niet en kon ook niet weten dat er heet water in het bekertje zat. Ook kon zij niet weten dat het gooien van water in iemands gezicht mishandeling kan opleveren.”
6.3. Het hof heeft met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte het volgende overwogen:
“De raadsman heeft (ook) ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte niet wist dat het water in de beker heet was en daarom bepleit dat zij wegens afwezigheid van alle schuld niet strafbaar is. Dit verweer wordt verworpen. Het hof acht het in het licht van de vaststaande feiten, zoals de verklaring van de verdachte dat zij kwaad was op de aangeefster, mede in verband met de inhoud van de door haar eerder naar de aangeefster verstuurde WhatsApp, te weten "...Wanneer je het niet verwacht ... krijg je met me te maken...", niet aannemelijk dat de verdachte niet wist (of voelde) dat het om heet water ging toen ze de inhoud van de beker in het gezicht van de aangeefster gooide. Het hof wijst in dit verband tevens op de verklaring van getuige [getuige 1] , inhoudende dat verdachte heet water heeft getapt, daarmee naar aangeefster toeliep en het water vervolgens in aangeefsters gezicht gooide. Ook gezien deze feiten en omstandigheden acht het hof het onaannemelijk dat verdachte op geen enkel van deze momenten zou hebben bemerkt dat het om heet water ging.”
6.4. Het middel ziet er mijns inziens aan voorbij dat dat het door de raadsman gedane beroep op afwezigheid van alle schuld, zijnde een beroep op een strafuitsluitingsgrond, een verweer is zoals bedoeld in art. 358 lid 3 Sv Pro. Daarop is het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van art. 359 lid 2 Sv Pro van toepassing en niet het motiveringsvoorschrift van de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv Pro, dat handelt over het afwijken van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. [4]
6.5. Met enige welwillendheid kan het middel echter zo worden gelezen dat het klaagt over de motivering van de verwerping van het uitdrukkelijk voorgedragen verweer. In dat geval meen ik dat het oordeel van het hof dat onaannemelijk is dat verdachte op geen enkel van deze momenten zou hebben bemerkt dat het om heet water ging geenszins onbegrijpelijk is en ook toereikend is gemotiveerd, in het bijzonder gelet op de verwijzing naar de verklaring van [getuige 1] dat verdachte heet water heeft getapt, daarmee naar aangeefster toeliep en het water vervolgens in aangeefsters gezicht gooide.
6.6. Het middel faalt.
7. Het eerste middel slaagt. Mocht de Hoge Raad daaraan toekomen, dan kan het tweede middel met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 278.
2.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma.
3.HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans, rov. 3.8.2, en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.76.
4.Vgl. HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7918, en HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8977, NJ 2009/130, m.nt. Buruma, rov. 6.3.