Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
Onder 1.1betoogt het onderdeel onder meer dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.12 heeft miskend dat zij de kosten van de verlegging van de gasleiding van Gasunie niet buiten beschouwing had mogen laten in het kader van de kosten die met de winning van de bodembestanddelen samenhangen. De rechtbank had bij de berekening van het voordeel dat samenhangt met de bodembestanddelen rekening moeten houden [3] met de kosten die de onteigenaar al maakt in het kader van het werk waarvoor wordt onteigend. Anders zou de uitvoering van het werk waarvoor wordt onteigend een voordeel brengen dat vanwege de noodzaak van verlegging van de gasleiding niet is terug te voeren tot een in het onteigende zelf reeds bestaande waarde vanwege de aanwezigheid van bodembestanddelen.
los gedacht van de bijzondere omstandigheid dat het winnen van deze stoffen door den Staat plaats vindt door middel van de afgravingen, die toch reeds met het oog op de uitvoering van het stuwwerk moeten plaatsvinden en bekostigd worden;
nietzijn overgegaan (omdat die winning in dat geval niet economisch rendabel zou zijn).
onderdeel 2. In dit verband is van belang dat volgens het rapport van de deskundigen [11] de kosten van verlegging van de gasleiding zodanig hoog zijn (meer dan twee miljoen euro, waarvan een kleine helft voor rekening van de Staat/BBL wordt gebracht), dat geen meerwaarde vanwege de aanwezigheid van bodembestanddelen resteert. In het weinig waarschijnlijke geval dat dit na verwijzing alsnog anders zou blijken te zijn, behoren alsnog te worden onderzocht de stellingen van BBL omtrent het te verwachten exploitatieresultaat en de hoogte van te maken overige kosten (vergelijk het middel onder 2.1).
onderdeel 3dat de gegrondbevinding van onderdeel 1 ook de beslissingen van de rechtbank in rechtsoverweging 4.23 en 5.1. raakt.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen rechtsoverweging 4.16.1-4.16.3 van het vonnis van de rechtbank. Ik citeer ook de voorafgaande overwegingen 4.14 e.v.:
in de omgeving van het onteigende liggendesoortgelijke gronden die in de regel voor de uitvoering van een soortgelijk werk worden gebezigd. Achtergrond daarvan is echter klaarblijkelijk geen andere dan dat in de regel ook bij de vaststelling van de vierkantemeterprijs wordt vergeleken met in de omgeving van het onteigende liggende gronden. Er bestaat immers een rechtstreeks verband tussen de vraag welke eigenschappen zijn verdisconteerd in de basiswaarde zoals die in een vierkantemeterprijs tot uitdrukking komt en de vraag of grond bestaat voor een toeslag op die basiswaarde in verband met bijzondere geschiktheid. Is bij de vaststelling van de basiswaarde reeds vergeleken met gronden die in vergelijkbare mate geschikt zijn voor het uit te voeren werk als het onteigende, dan bestaat voor een toeslag wegens bijzondere geschiktheid geen aanleiding meer. [14] Waar de rechtbank in navolging van deskundigen bij de vaststelling van de vierkantemeterprijs heeft vergeleken met gronden buiten de directe omgeving van het onteigende, heeft ze dat geheel terecht ook gedaan in het kader van de vraag of sprake is van bijzondere geschiktheid.
in de omgeving van het onteigende liggendesoortgelijke gronden die in de regel voor de uitvoering van een soortgelijk werk worden gebezigd, niet meer dan een vuistregel is. Die vuistregel vindt zijn grondslag in een andere, meer fundamentele regel, namelijk dat voor de vraag of aanleiding bestaat voor een toeslag vanwege bijzondere geschiktheid vergeleken moet worden met dezelfde gronden (althans hetzelfde type gronden) als waarmee is vergeleken bij de vaststelling van de basiswaarde waarop die eventuele toeslag wordt toegepast.
enigszinslager gelegen is dan de hoger gelegen delen van de uiterwaarden, dus niet lager dan wanneer die op een
wathoger deel wordt aangelegd.
Zode verlaagde ligging van de onteigende onroerende zaken derhalve als een bijzondere omstandigheid moet worden aangemerkt, brengt die omstandigheid niet mee dat het met het werk waarvoor wordt onteigend te bereiken resultaat tegen lagere kosten kan worden bereikt, dan wanneer de
wathogere uiterwaardgronden worden aangewend.’
vergelijkbaarzijn – zo geldt dat evenzeer voor de vervolgvraag of bij de vaststelling van de basiswaarde van de aanwezigheid van een bijzondere geschiktheid die het onteigende bezit, is geabstraheerd (zodat een toeslag behoort te worden berekend). [16] De rechtbank mocht zich aansluiten bij de inschatting van deskundigen dat tegenover het voordeel van een enigszins lagere ligging een ongeveer vergelijkbaar nadeel wegens minderopbrengst voor bodembestanddelen staat.
nietexact worden verantwoord. Laten we bovendien onze ogen er niet voor sluiten hoe hoog de prijs van de bedoelde schijnnauwkeurigheid zou zijn. Deskundigen zouden zich gemakkelijk genoodzaakt zien zoveel berekeningen te maken als er vergelijkingsobjecten zijn [17] en het is eenvoudig in te zien wat dit zou betekenen voor de kosten van hun onderzoek.
tweede onderdeelricht zich tegen rechtsoverweging 4.27, waarin het hof heeft overwogen:
redelijkerwijsvoor vergoeding in aanmerking komen’) moeten worden gelezen dat de rechtbank tóch toepassing heeft gegeven aan de dubbele redelijkheidstoets, dan slaagt de motiveringsklacht van het onderdeel. De rechtbank heeft in dat geval haar oordeel dat de kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt, immers in het geheel niet gemotiveerd.