Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
dochtermaatschappijwel een vordering heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval:
holdingschade heeft geleden die in causaal verband staat met het onrechtmatige handelen van de gemeente. Op de holding rusten stelplicht en zo nodig de bewijslast:
afgeleide schadedie niet vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank verwerpt dit verweer:
Poot/ABP-arrest [10] ontwikkelde regel die een vordering tot vergoeding van afgeleide schade in beginsel niet toelaat in de onderhavige zaak toepassing mist.
€76.250,- vanaf 31 december 2005 en de wettelijke rente over een bedrag van
€180.000,- vanaf 31 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;
gemotiveerd toe te lichten welke schades zij in haar eigen vermogen heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de herroepen en vernietigde besluiten van de gemeente”.Anderzijds beschrijft de Rechtbank in r.o. 3.13. e.v. - kennelijk als tegenhanger van die vorenbedoelde schade - de schade bestaande uit de waardevermindering van haar aandelen in [eiseres 2] Hoewel deze schade blijkens r.o. 3.14. naar de mening van de Rechtbank geen afgeleide doch rechtstreekse schade betreft (hetgeen de Holding onderschrijft), is de Rechtbank desalniettemin van mening dat dit kennelijk toch geen schade zou zijn die de Holding
“in haar eigen vermogen”lijdt
“als rechtstreeks gevolg”van de onrechtmatige daad van de Gemeente. De reden daarvoor zou zijn, dat de waardevermindering van de aandelen zich bij gebreke van verkoop van de aandelen niet zou laten gelden in het vermogen van de Holding.
De vordering onder 2.1.1. sub A: Waardedaling aandelen c.q. gederfd dividen[d].
De vordering onder 2.1.1. sub B: Noodvoorzieningen.
Realisering oorspronkelijk plan.
Derving huurpenningen.
Bijkomende (advies)kosten.
Schadevergoeding op te maken bij staat.
kostenverbonden aan het verrichten van deze werkzaamheden heeft de deskundige begroot op, respectievelijk onder ‘d’ en onder ‘f’:
Ten aanzien van de onder e en f van het deskundigenrapport bedoelde werkzaamheden en bedragen.
vertragingin het finaliseren van het containerveld als aan de gemeente toe te rekenen schadepost kunnen worden aangemerkt. [16]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
die voortvloeit uitde schade die de dochtermaatschappij heeft geleden door
haar lagere bedrijfsresultaatals gevolg van de besluiten van de gemeente. Ter herinnering: onder A. vorderen de holding en de dochtermaatschappij een bedrag van € 1.211.691,-- aan ‘waardedaling aandelen c.q. gederfd dividend, vermeerderd met de wettelijke rente’. Onder B. vorderen zij de door de holding en de dochtermaatschappij, althans door de holding geleden schade wegens ‘winstderving na 31 december 2011’, op te maken bij staat.
jegens de dochtermaatschappij nietaansprakelijk is voor die schade (het lagere bedrijfsresultaat). Ik verwijs voor het betreffende oordeel in eerste aanleg naar rov. 3.8. tot en met 3.10. van het tussenvonnis van 19 oktober 2011 (hiervoor randnummer 2.4). Zie voorts rov. 2.1. van het tussenvonnis van 11 juli 2012 (hiervoor randnummer 2.16).
het concernverband(op zich) geen grond is voor aansprakelijkheid van de gemeente (rov. 3.12. van het tussenvonnis van 19 oktober 2011 en randnummer 2.6 hiervoor). De aangevoerde grond ‘wanprestatie van de holding jegens de dochtermaatschappij’ (en daarmee aansprakelijkheid van de holding jegens de dochtermaatschappij) leidt evenmin tot aansprakelijkheid van de gemeente (rov. 3.18. van het tussenvonnis van 19 oktober 2011 (hiervoor randnummer 2.10)).
zelfheeft geleden als gevolg van het onrechtmatig optreden van de gemeente. In dit verband overweegt het hof het volgende: “Het hof stelt vast dat dit niet de schade kan zijn die de dochtermaatschappij heeft geleden, want daarvoor is de gemeente, zoals gezegd, niet aansprakelijk”. Kennelijk bedoelt het hof hiermee uit te drukken dat de holding geen recht heeft op vergoeding van de door de dochtermaatschappij geleden schade (het lagere bedrijfsresultaat).
definitiefschade ontstaan voor (bedoeld zal zijn: schade ‘aan’, A-G) de waarde van de aandelen van de holding in de dochtermaatschappij c.q. is sprake van gederfd dividend, zodat eventuele verkoop van de aandelen niet relevant is en de schade ook zonder die verkoop reeds is geleden en voor vergoeding in aanmerking komt. Ik verwijs naar rov. 2.4. tot en met 2.4.4. van het tussenvonnis van 11 juli 2012 (hiervoor randnummer 2.20), waarin de rechtbank op dit onderwerp ingaat.
doorschuiftnaar de holding om, langs een omweg, die schade alsnog op de gemeente te verhalen. Dat doel is ook naar het oordeel van het hof niet via de gestelde waardevermindering c.q. gederfd dividend – de omweg dus – te bereiken. Een toereikende grondslag daarvoor ontbreekt immers. Voor het overige kan het hof zich vinden in het oordeel van de rechtbank
over deze aangelegenheiden sluit het zich daarbij aan. Ik neem aan dat het hof hiermee heeft bedoeld de oordelen van de rechtbank in rov. 3.13. tot en met 3.20. van het tussenvonnis van 19 oktober 2011 (hiervoor randnummers 2.7 tot en met 2.12) en in rov. 2.4. tot en met 2.4.4. van het tussenvonnis van 11 juli 2012 (hiervoor randnummer 2.20).
viahet vermogen van de vennootschap, wordt van ‘afgeleide’ schade gesproken. [23] Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat de aandeelhouder in een dergelijk geval in beginsel geen recht heeft op vergoeding van deze schade. [24] De reden daarvoor is, zoals Uw Raad overwoog in het arrest
Poot/ABP, dat de vennootschap zelf een aanspraak op schadevergoeding heeft. Als zij deze te gelde maakt, stijgt de waarde van de aandelen weer, zodat ook de aandeelhouder in zoverre per saldo geen schade (meer) lijdt. [25]
nietvoor vergoeding in aanmerking (hiervoor randnummers 3.23 en 3.26).
nietzelf een vordering uit onrechtmatige daad te gelde maken jegens de gemeente zodat het normale ‘model’ (vennootschap claimt en bij vergoeding is niet alleen haar vermogen weer op peil gebracht, maar ook de waarde van de aandelen van de aandeelhouder gestegen) niet werkt.
specifieke rechts- of zorgvuldigheidsnormis overtreden. Op die grondslag kan hij vergoeding vorderen van de in zijn hoedanigheid van aandeelhouder geleden schade. Het enkele feit dat de wanprestatie of onrechtmatige daad jegens de (dochter)vennootschap ook de aandeelhouder(s) schade berokkent, is voor het aannemen van een dergelijke jegens de aandeelhouder(s) gepleegde onrechtmatige daad overigens niet voldoende. [36] Evenmin is voldoende dat de schade van de (dochter)vennootschap definitief is, omdat zij afziet van een vordering of haar vordering juist is afgewezen. [37] De eerste hobbel van een
specifieke rechts- of zorgvuldigheidsnormis dus nog niet zomaar genomen. Ter toelichting van een en ander ga ik in de hiernavolgende randnummers in op de kernoverwegingen van een aantal arresten van Uw Raad, waarbij ik de belangrijkste frases cursiveer.
Het Hof is dan ook terecht ervan uitgegaan dat Poot als eisende partij diende te stellen welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door het ABP jegens Poot in privé in acht had moeten worden genomen, en dat hij niet kon volstaan met het stellen van wanprestatie of onzorgvuldig handelen van het ABP jegens het concern[cursivering A-G].”
Op deze regel zal een uitzondering kunnen worden aanvaard indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder (HR 2 december 1994, nr. 15 511, NJ 1995, 288)[cursivering A-G].”
Tuin Beheervan 16 februari 2007 komt de route van (de schending van) een specifieke zorgvuldigheidsnorm in beeld: [40]
Indien geen bijkomende omstandigheden zijn gesteld, zoals het opzet om die aandeelhouder aldus te benadelen, kan echter niet worden gesteld dat de bestuurder dusdoende tevens een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden tegenover die aandeelhouder[cursivering A-G]. De rechtsklacht van het onderdeel kan daarom geen doel treffen. Ook de motiveringsklacht faalt omdat de overweging van het hof dat de verwijten die Tuin Beheer aan [E] maakt, blijven binnen de verhouding tussen Tuin Recreatie als vennootschap en [E] als haar bestuurder, zonder dat voldoende is aangegeven in welk opzicht daarmee een norm is geschonden die [E] specifiek jegens Tuin Beheer als aandeelhouder in acht had te nemen, gezien het vorenoverwogene alleszins begrijpelijk is.”
indien zij dergelijke schade hebben geleden als gevolg van schending door SFT van een jegens hen geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting (vgl. HR 2 december 1994, nr. 15511, NJ 1995, 288 en HR 16 februari 2007, nr. C05/173, NJ 2007, 256 (rov. 3.3 onder (c))[cursivering A-G]. Evenmin heeft het hof miskend dat aan vergoeding van dergelijke schade niet in de weg staat dat die schade voor de vennootschappen ‘definitief’ is geworden op de grond dat een vordering van de vennootschappen tot vergoeding van die schade in rechte is afgewezen en de vennootschappen daarin berust hebben.
Het hof heeft in dit verband slechts geoordeeld (rov. 4.9) dat het definitief worden van de ‘afgeleide schade’ doordat de vennootschappen thans buiten staat zijn of zichzelf buiten staat gesteld hebben schadevergoeding te vorderen, op zichzelf niet meebrengt dat de gedragingen van SFT jegens [F] c.s. als onrechtmatig moeten worden aangemerkt. Dat oordeel is juist (vgl. rov. 3.4.4 van HR 15 juni 2001, nr. C99/301, NJ 2001, 573)[cursivering A-G].”
dus(in de zin van: vanzelfsprekend) ook de door hem geleden afgeleide schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het is in dit verband zinvol om onder ogen te zien dat er twee afzonderlijke thema’s spelen:
Poot/ABPgenoemde geval dat de ‘dader’ nu juist de aandeelhouder (de moeder) heeft willen treffen via de vennootschap (de dochter). [44] In dat geval kan de aandeelhouder dus, zij het op ‘eigen grondslag’, wel degelijk afgeleide schade vorderen. Ook de zaak
Kip en Sloetjes/Rabobankdie hierna nog wordt besproken (randnummers 3.48 e.v.), biedt een voorbeeld van een zodanige uitzondering: in die zaak kwam op basis van een eigen grondslag niet alleen rechtstreeks geleden schade (zoals immateriële schade) voor vergoeding in aanmerking, maar ook afgeleide schade. De rechtvaardiging daarvoor is wat mij betreft gelegen in de aard van het aan Rabobank gemaakte verwijt: anders dan in de typische
Poot/ABP-zaken waarin de benadeling van de vennootschap vooropstaat, springt in deze zaak juist ook de benadeling van Kip en Sloetjes in het oog.
eigen grondslagbehalve rechtstreeks en dus niet via de (dochter)vennootschap geleden schade toch ook vrij gemakkelijk
onrechtstreeksgeleden (‘afgeleide’) schade, zoals die ter zake van waardevermindering van de aandelen of gemiste koerswinsten, vergoed kan krijgen, kleeft het bezwaar dat aldus alsnog relatief vaak de complicaties zouden (kunnen) optreden die het leerstuk van afgeleide schade nu juist beoogt te voorkomen (hiervoor randnummer 3.24). Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan voorrangs- en afstemmingsvragen (wat te doen wanneer zowel vennootschap als individuele aandeelhouders claimen?) en het daarmee samenhangende gevaar van dubbele vergoeding (voorkomen zou moeten worden dat de aandeelhouder zelf vergoeding krijgt en ook nog zou profiteren van vergoeding aan vennootschap).
JOR-annotatie onder het arrest
Tuin Beheerhet volgende:
Rechtspleging in het Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 1997, p. 1–13, M.J. Kroeze,
WPNR1997 (6288), L. Timmerman,
TVVS1998, p. 98). De achtergrond hiervan is dat ook bij schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm tegenover de aandeelhouder rechtstreekse vergoeding van afgeleide schade kan leiden tot een verstoring van de rangorde tussen aandeelhouders en schuldeisers van de vennootschap, tot doorkruising van het systeem van kapitaalbescherming, tot het vergoeden en ontvangen van dubbele schadevergoeding, en – als er veel aandeelhouders zijn – tot een groot aantal vorderingen.” [45]
Poot/ABPgeïntroduceerde leerstuk beoogt te voorkomen. Categorisch uitgesloten is vergoeding van afgeleide schade langs deze weg echter niet. [47] In dit verband wordt vergoeding wel afhankelijk gesteld van een aanvullende nadere toetsing. [48] Ik zie dat ook wel voor me: bij deze nadere toetsing kunnen dan bijvoorbeeld de aard van het aan de aangesprokene te maken verwijt (intentie om juist de aandeelhouder te treffen bijvoorbeeld?), maar zeker ook de vraag of en zo ja in welke mate bij vergoeding van afgeleide de zojuist genoemde complicaties optreden dan wel in het specifieke geval kunnen worden beteugeld een rol spelen. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld meewegen dat de schade van de vennootschap definitief is geworden of dat eiser inmiddels geen aandeelhouder meer is.
mitsagerend op eigen, zelfstandige, grondslag, naast vergoeding van rechtstreeks geleden schade onder omstandigheden ook vergoeding van afgeleide schade kan claimen en (b) welke omstandigheden (factoren of gezichtspunten) bij deze nadere afweging in ieder geval een rol spelen.
nieteen vordering uit onrechtmatige daad te gelde kan maken jegens de gemeente, zodat het normale ‘model’ (vennootschap claimt en bij vergoeding is niet alleen haar vermogen weer op peil gebracht, maar ook de waarde van de aandelen van de aandeelhouder gestegen) niet werkt. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de dochtermaatschappij geen vordering op grond van onrechtmatige daad toekomt jegens de gemeente (hiervoor randnummers 2.4 en 2.49 en randnummer 1.4 van de schriftelijke toelichting namens de holding en de dochtermaatschappij). [49] De achtergrond hiervan is toepassing van het leerstuk van de formele rechtskracht dat niet alleen een beginsel van bestuursprocesrecht is, maar ook de taakverdeling tussen bestuursrechter en civiele rechter bepaalt. Omdat de dochtermaatschappij een tegen de relevante gemeentebesluiten openstaande bestuursrechtelijke rechtsgang onbenut heeft gelaten, dient uit te worden gegaan van de rechtmatigheid van die besluiten jegens de dochtermaatschappij. Dat geldt ook voor de burgerlijke rechter wanneer deze met een tegen de (gevolgen van de) besluiten gerichte vordering uit onrechtmatige daad wordt geconfronteerd. [50] Brengt nu deze omstandigheid, dat de dochtermaatschappij, geen eigen vorderingsrecht heeft, mee dat de holding alsnog op grondslag van een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad haar afgeleide schade vergoed krijgt?
Kip en Sloetjes/Rabobank [51] (memorie van grieven, randnummer 7.). [52] In de schriftelijke toelichting namens de holding en de dochtermaatschappij wordt het arrest ook vaak genoemd. [53]
Kip en Sloetjes/Rabobankom het volgende. Het echtpaar Kip en Sloetjes – oprichters, enig aandeelhouders en enige bestuursleden van het in zwaar weer verkerende Elka Beheer B.V. (op haar beurt houdster van alle aandelen in twee andere vennootschappen: Elka Onroerend Goed B.V. en werkmaatschappij Elka B.V.) – verkochten bij overeenkomst van 28 oktober 1980 hun aandelen in Elka Beheer B.V. voor een koopprijs van
f400.000 aan Albada Jelgersma Holding B.V. Op 20 november 1980 werd Elka B.V. met toepassing van een sterfhuisconstructie in staat van faillissement verklaard. Kip en Sloetjes spraken vervolgens Rabobank Winterswijk aan met een beroep op onrechtmatige daad. Zij voerden aan dat de Bank niet alleen tegenover het Elka-concern, maar ook tegenover henzelf hoogst onzorgvuldig had gehandeld met als gevolg dat zij genoodzaakt waren om hun aandelen in Elka Beheer B.V. tegen een veel te lage prijs te verkopen. Het hof wees deze vordering van Kip en Sloetjes af. Uw Raad overwoog echter het volgende: [54]
NJ1995, 288 [het
Poot/ABP-arrest, A-G], had betrekking op een geval waarin de eisende partij als directeur/enig aandeelhouder van een concern feiten en omstandigheden had gesteld, die een onrechtmatige daad tegenover dat concern zouden opleveren, doch niets had gesteld waaruit zou hebben kunnen volgen dat zijn wederpartij daarnaast ook nog in strijd had gehandeld met de jegens hemzelf in privé vereiste zorgvuldigheid. De schade in verband met de waardevermindering van eisers — nog steeds aan hem toebehorende — aandelen correspondeerde geheel met de schade die het concern als gevolg van beweerdelijk gepleegde onrechtmatige daad in zijn vermogen had geleden.
definitieften laste van het vermogen van Kip en Sloetjes was gekomen. Definitief, want Kip en Sloetjes waren, nu zij geen aandeelhouders meer waren, niet in de positie om de (waarde van de) aandelen in Elka Beheer B.V. weer op peil te krijgen door deze vennootschap de Rabobank te laten aanspreken tot schadevergoeding.
Kip en Sloetjes/Rabobankkan echter niet worden afgeleid dat een aandeelhouder/holding, jegens wie/welke rechtstreeks onrechtmatig is gehandeld, steeds recht heeft op vergoeding van afgeleide schade, zodra de (dochter)vennootschap in kwestie zelf niet (meer) de mogelijkheid heeft de schade te verhalen. Dat blijkt in ieder geval niet uit de tekst van de zojuist geciteerde rov. 3.6 van het arrest. Het ligt bovendien niet voor de hand. Ik noem alleen al het feit dat er verschillende oorzaken ten grondslag kunnen liggen aan de onmogelijkheid waarmee de (dochter)vennootschap in dat geval geconfronteerd is. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aandeelhouder/holding het (mede) aan zichzelf te wijten heeft dat de (dochter)vennootschap de schade niet (meer) kan verhalen met een beroep op een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad, of dat de oorzaak hiervan anderszins voor rekening van de aandeelhouder/holding moet komen. Dit lijkt mij ook in de onderhavige zaak zwaar te wegen.
specifieke rechts- of zorgvuldigheidsnormis overtreden. Afgeleide schade komt ook dan evenwel slechts
bij uitzonderingvoor vergoeding in aanmerking: in principe niet, maar bij uitzondering, na een
aanvullende nadere toetsing, eventueel wel. In het kader van die toetsing kan de omstandigheid dat de (dochter)vennootschap in kwestie zelf niet (meer) de mogelijkheid heeft de schade te verhalen gewicht in de schaal leggen, maar beslissend is zij niet. Bijvoorbeeld ook de oorzaak van het ontbreken van die onmogelijkheid en de vraag of de aandeelhouder in dit verband bijvoorbeeld iets valt te verwijten zijn van belang. Daar komt nog bij dat het enkele feit dat de bij vergoeding van afgeleide schade gevreesde complicaties in concreto zullen uitblijven, vergoeding nog niet wenselijk maken (hierna randnummer 3.53). Vereist zijn bijzondere omstandigheden, die meebrengen dat in het onderhavige geval
weltot vergoeding zou moeten worden overgegaan. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan omstandigheden zoals deze aan de orde waren in de meergenoemde zaak
Kip en Sloetjes/Rabobank.
weltot vergoeding zou moeten worden overgegaan. Mijns inziens is het hof met juistheid tot het oordeel gekomen dat die omstandigheden zich hier niet voordoen. De bijzonderheid in het onderhavige geval is dat de schade als gevolg van de (naar vaststaat) onrechtmatige besluiten van de gemeente primair door de dochtervennootschap is geleden, maar dat die als gevolg van de formele rechtskracht niet langer een vordering kan instellen. Mijns inziens is dat echter onvoldoende om te oordelen dat de holding wél een vordering zou moeten toekomen. In het navolgende werk ik dat per subonderdeel uit.
Kip en Sloetjes/Rabobank(hiervoor randnummer 3.48). Ik licht dit als volgt toe. De holding en de dochtermaatschappij hebben in hoger beroep, te weten in het kader van grief 1, een beroep gedaan op het arrest
Kip en Sloetjes/Rabobank. In rov. 4.6 heeft het hof grief 1 samengevat (hiervoor randnummer 2.51). De holding en de dochtermaatschappij hebben hiermee aangevoerd dat in het onderhavige geval de gevorderde afgeleide schade voor vergoeding in aanmerking komt, omdat i) sprake is van onrechtmatig handelen jegens de aandeelhouder (de holding) zelf en ii)
de schade ook definitief door de holding is geleden, nu de dochtermaatschappij geen vordering toekomt jegens de gemeente.
Kip en Sloetjes/Rabobank(naar mijn mening) niet zou moeten slagen. Ik verwijs naar randnummer 3.50 hiervoor, waarin wordt betoogd dat uit het arrest
Kip en Sloetjes/Rabobankniet moet worden afgeleid dat een aandeelhouder/holding, jegens wie/welke rechtstreeks onrechtmatig is gehandeld,
steedsrecht heeft op vergoeding van afgeleide schade, zodra de (dochter)vennootschap in kwestie zelf niet (meer) de mogelijkheid heeft de schade te verhalen (lees: zodra de schade in die zin ‘definitief’ is). Dat blijkt immers niet uit de tekst van rov. 3.6 van het arrest en het ligt bovendien niet voor de hand, alleen al omdat er verschillende oorzaken ten grondslag kunnen liggen aan de onmogelijkheid waarmee de (dochter)vennootschap in dat geval geconfronteerd is. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aandeelhouder/holding het (mede) aan zichzelf te wijten heeft dat de (dochter)vennootschap de schade niet (meer) kan verhalen met een beroep op een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad, of dat de oorzaak hiervan anderszins voor rekening van de aandeelhouder/holding moet komen. In randnummer 3.57 hiervoor is vervolgens meer expliciet benoemd dat de holding het in de onderhavige zaak in haar macht zal hebben gehad om ook de dochtermaatschappij langs bestuursrechtelijke weg tegen de haar onwelgevallige en (in de verhouding tot de holding uiteindelijk ook onrechtmatig gebleken) besluiten van de gemeente te laten opkomen.
middelonderdeel 1.3.is hiermee gelijk aan dat van middelonderdeel 1.1. en 1.2. Het middelonderdeel faalt derhalve.
middelonderdeel 1.5.
middelonderdelen 1.6. tot en met 1.10.richten rechts- en motiveringsklachten tegen de overweging van het hof in de laatste vier zinnen van rov. 4.7, die als volgt luiden (hiervoor randnummer 2.52):
abstractmoet worden begroot. Het hof zou in ieder geval hebben miskend dat de ‘aandelenschade’ bestaat uit het
uitblijvenvan de ‘intrinsieke’ waarde
vermeerdering. Die uitgebleven intrinsieke waardevermeerdering is als uitgangspunt (ten minste) gelijk aan, althans moet worden afgeleid van, de door de dochtervennootschap als gevolg van de onrechtmatige daad geleden vermogensschade. Eventuele verkoopplannen, de afhankelijkheid van de aandelenwaarde van toekomstige ontwikkelingen en eventuele winstuitkeringen die de waarde van de aandelen beïnvloeden, en het bestaan van meerdere waarderingsmethoden, doen niet ter zake bij de bedoelde vaststelling en/of begroting van de schade. Het hof zou ook hier zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De holding en de dochtermaatschappij hebben gesteld dat de
uitgebleven waardevermeerderingvan de aandelen en de uitgebleven dividenduitkering, ter hoogte van de gederfde winst, kwalificeert als de schade van de holding. Het hof zou hier een onbegrijpelijke uitleg hebben gegeven aan de processtukken.
middelonderdelen 1.6.-1.10.falen dus ook.
middelonderdeel 1.11.
pagina12 bedoeld is. Op die pagina staat in de laatste alinea het volgende: “Subsidiair zal de Holding de betreffende winsten vorderen als gederfde winsten die op grond van een dividenduitkering te harer beschikking hadden kunnen komen”. Bovenaan pagina 13 biedt de holding aan te bewijzen dat “bij gebreke van de schadeveroorzakende gebeurtenissen ten laste van het vrije vermogen van [eiseres 2] aan de Holding per 31 december 2011 een dividend had kunnen worden uitgekeerd als zijnde het cumulatieve bedrijfsresultaat van [eiseres 2] over de periode januari 2005 tot en met 2011 van € 1.211.691,00”.
middelonderdeel 1.11.Ik kom vervolgens toe aan
middelonderdeel 1.12.
pagina12.
middelonderdeel 2.1.wordt deze klacht nader toegelicht als volgt. De holding en de dochtermaatschappij hebben, mede onder verwijzing naar hun akte na tussenvonnis tevens wijziging eis van 25 januari 2012, gesteld – versterkt met een bewijsaanbod [58] – dat de oorspronkelijke bouwplannen voor containerveld 1 voor een bedrag van € 350.000,-- gerealiseerd hadden kunnen worden. [59] Zij hebben verder gesteld dat het bedrag van € 473.004,52 ziet op de kosten die [A] [60] daarbovenop
alsnog(dus bovenop het bedrag van € 350.000,--) zal moeten maken – dus na aanleg van de noodvoorziening en verwijdering daarvan – om het containerveld te voltooien. [61] In dit licht is niet navolgbaar waarom het hof oordeelt dat die kosten ook zonder de onrechtmatige besluiten zouden zijn gemaakt. Die kosten moeten de holding en de dochtermaatschappij immers juist
vanwegede onrechtmatige besluiten maken. Zonder de onrechtmatige besluiten was het containerveld voor € 350.000,-- voltooid. Voor zover het hof het betoog van de holding en de dochtermaatschappij aldus heeft begrepen dat de kosten voor aanleg van het containerveld 1 in het totaal - dus afgezien van de kosten voor aanleg en verwijdering van de noodvoorziening en de toegewezen kosten - € 488.004,52 bedroegen, heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de processtukken. Het betoog [62] van de holding en de dochtermaatschappij behelsde immers evident dat die kosten juist
als gevolgvan de onrechtmatige besluiten bovenop de aanvankelijke aanlegkosten kwamen.
causaliteitsverweervan de gemeente gehonoreerd. De gemeente had aangevoerd dat de werkzaamheden die de deskundige had benoemd onder ‘e’ – “pure” voltooiingswerkzaamheden (rov. 2.10.) – ook gemaakt zouden zijn indien het onrechtmatig handelen door de gemeente achterwege was gebleven. [63] De rechtbank heeft vervolgens wel een
ex aequo et bonobegroot bedrag van € 15.000,-- toegewezen, omdat de rechtbank in de omstandigheid dat de resterende aanleg en verharding van het containerveld als gevolg van het eerst stilleggen daarvan in een later stadium zou plaatsvinden, aanleiding zag om aan te nemen dat “ [A] daardoor extra kosten zal moeten maken” (rov. 2.10. en 2.11.).
De oorspronkelijke bouwsom van € 350.000,00 voor het oorspronkelijke bouwplan was al geheel uitgefactureerd[cursivering A-G]. Voor het realiseren van de noodvoorziening diende derhalve nog additioneel € 82.756,00 (exclusief BTW) door de Bouwcombinatie gefactureerd te worden. Met deze totale aanneemsom van € 432.756,00 was aldus het noodveld gerealiseerd. Die situatie van het noodveld laat zich dan als volgt schetsen.”
alsnog(dus bovenop het bedrag van € 350.000,--) zal moeten maken – dus na aanleg van de noodvoorziening en verwijdering daarvan – om het containerveld te voltooien. Evenmin kan ik hieruit afleiden dat, zoals het onderdeel aanvoert, het containerveld zonder de onrechtmatige besluiten voor € 350.000,-- zou zijn voltooid.
De daaraan ten grondslag liggende redenering kan de gemeente echter niet volgen[cursivering A-G).
aanlegvan de noodvoorziening van veld 1. Ter zake is een bedrag gevorderd van € 118.991,56 en dat is in het tussenvonnis van 11 juli 2012 ook toegewezen. Daarnaast heeft de Holding [A] een vergoeding gevorderd voor de kosten gemoeid met
verwijderenvan de noodvoorziening. Ter zake is door de rechtbank in het eindvonnis van 26 november 2014 een bedrag van € 61.328,37 toegewezen. Over beide bedragen was de gemeente bovendien wettelijke rente verschuldigd.
Middelonderdeel 3.1betreft een restklacht. Nu wat mij betreft geen van de voornoemde klachten gegrond is, zou ook deze restklacht geen doel treffen.