Conclusie
1.Feiten
geïnstrueerd heeftrubriek 0418 te vullen met code “0100 huisarts” indien de AGB-code van de verwijzer niet bij de declarerende specialist bekend is;
heeft verzochtcode “0100 huisarts” in te vullen bij rubriek 0418 wanneer Rhijnauwen niet expliciet aangeeft wie heeft verwezen; […]”
Procesverloop
[betrokkene 1] (en/of [betrokkene 2] ) opdracht hebben gegeven om in veld 0418 code 0100 in te vullen en/of wisten dat in veld 0418 de code 0100 (“huisarts ” werd ingevuld), in welk geval er sprake zou zijn van fraude, dan wel
of zij dit hadden behoren te weten. Het hof is op de navolgende gronden van oordeel dat dit niet het geval is.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Is er sprake van gecontracteerde zorg, dan ligt de verantwoordelijkheid voor het antwoord op de vraag of de zorg wel onder de zorgverzekering valt, bij de zorgaanbieder. Als blijkt dat dat niet het geval is en de zorg is wel verleend, kan het niet-gebruikelijk zijn de verzekerde niet worden tegengeworpen. Die zorg kan dan ook niet bij de verzekerde in rekening worden gebracht.” (onderstreping van mij, A-G)
defaultcode ‘huisarts’ invulde in veld 0418, indien één van de velden 0417 dan wel 0418 ten onrechte niet dan wel met dummywaardes was ingevuld, en in een dergelijk geval geen foutmelding gaf. Het hof heeft deze omstandigheden van belang geacht bij de beoordeling van de vraag of [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van (kort gezegd) het indienen van foutieve declaraties, maar hieraan ook betekenis toegekend in het kader van het beroep van MCR op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
default‘huisarts’ aangaf in het veld 0418 en haar declaratiegedrag niet kunnen aanpassen;
onderdeel 1terecht dat dat in het onderhavige geval niet is gebeurd, zodat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden door de in randnummer 3.8 genoemde omstandigheden ten grondslag te leggen aan zijn oordeel omtrent het beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro. Deze omstandigheden zijn immers in hoger beroep niet gesteld. Voor zover zij in eerste aanleg zijn gesteld, zijn zij ten grondslag gelegd aan het beroep van MCR op art. 6:101 BW Pro respectievelijk art. 6:89 BW Pro, welk beroep door de rechtbank is verworpen. Zij zijn niet ten grondslag gelegd aan het beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro, zoals vervat in grief VIII. Bij die stand van zaken kon het hof zijn oordeel betreffende art. 6:248 lid 2 BW Pro niet op de genoemde omstandigheden baseren. Het staat de rechter immers niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd. De wederpartij wordt dan tekort gedaan in haar mogelijkheden om zich behoorlijk te verweren. [39] In dit geval is van belang dat Zilveren Kruis grief VII ook niet in de door het hof bedoelde zin heeft begrepen: zij is in het kader van het beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro alleen ingegaan op de omstandigheden die MCR in de toelichting bij deze grief heeft gesteld. [40] Haar verweer met betrekking tot art. 6:89 BW Pro houdt in dat deze bepaling, zoals ook al door de rechtbank was geoordeeld, niet van toepassing is. [41] Zij heeft hier geen inhoudelijk verweer gevoerd met betrekking tot de vraag of de door MCR in het kader van art. 6:89 BW Pro naar voren geschoven feiten en omstandigheden tot verlies van het recht op terugvordering aanleiding zouden geven. Dan pakt het ongelukkig uit dat het hof in het kader van art. 6:248 BW Pro toch dat rechtsgevolg aan deze feiten en omstandigheden verbindt.
Onderdeel 1van het middel klaagt bij die stand van zaken terecht dat het hof met zijn oordeel in rov. 5.15 van het tussenarrest, in strijd met art. 24 Rv Pro, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
onderdeel 2is dus terecht voorgesteld.
negatievezijde van de devolutieve werking van het hoger beroep meebrengt dat de beoordeling in hoger beroep is beperkt tot het door de grieven ontsloten gebied. [43] Het begrip ‘grief’ omvat alle gronden die door de appellant naar voren worden gebracht ten betoge dat het vonnis waartegen beroep is ingesteld niet in stand kan blijven. [44] Omdat het aan de appellant is om deze gronden naar voren te brengen, mag het hof een oordeel van de rechtbank niet vernietigen op gronden die daartoe niet door de appellant zijn aangevoerd. De
positievezijde van de devolutieve werking brengt mee dat in eerste aanleg ingenomen stellingen en gevoerde verweren kunnen herleven, maar alleen voor zover zij zich binnen het door de grieven ontsloten gebied bevinden. [45]
wistdat sprake was van onjuiste declaraties; onjuist omdat die ten onrechte ‘huisarts’ als verwijzer vermeldden. Het hof koppelt daaraan de zware sanctie, dat Zilveren Kruis waar het declaraties betreft ingediend in de periode juli 2009-juli 2010 in het geheel geen aanspraak kan maken op terugbetaling. Dat zware verwijt en de daaraan gekoppelde sanctie zijn niet verenigbaar met ’s hofs eigen, eerdere vaststelling dat Zilveren Kruis in juli 2009 slechts op de hoogte was van één ongedekte declaratie, waarbij bovendien
nietten onrechte ‘huisarts’ als verwijzer werd vermeld, en die dus in zoverre niet als ‘onjuist’ gold. Bij die stand van zaken is ’s hofs oordeel onbegrijpelijk.
Onderdeel 4klaagt daar terecht over.
Onderdeel 5is daarom terecht voorgesteld.