Conclusie
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Hiermee wordt uitgesloten dat de Raad van Commissarissen [zijn] eigen bezoldiging vaststelt[curs. A-G].” [10]
board of directorsbijvoorbeeld in beginsel wél bevoegd de beloning van
directorszelf vast te stellen. [18] De bevoegdheidsverdeling is hierdoor in het vennootschapsrecht van Delaware weliswaar minder strak gereguleerd, maar de rechterlijke toetsing van een besluit dat strekt tot zogenoemde
directoral self-compensationwordt dan spoedig zeer streng getoetst door de rechter op basis van de
entire fairness standard of reviewin plaats van de veel beperktere rechterlijke toetsing onder toepassing van de
business judgment rule:
Like any other interested transaction, directoral self-compensation decisions lie outside the business judgment rule’s presumptive protections, so that, where properly challenged, the receipt of self-determined benefits is subject to an affirmative showing that the compensation arrangements are fair to the corporation.” [19]
Supreme Court of the State of Delawarewordt nog eens uitgelegd wat de ratio van deze strenge rechterlijke toetsing is:
Stockholder ratification serves an important purpose – directors can take self-interested action secure in the knowledge that the stockholders have expressed their approval. But, when directors make discretrionary awards to themselves, that discretion must be excercised consistent with their fiduciary duties. Human nature being what it is, self-interested discretionary acts by directors should in an appropriate case be subject to review by the Court of Chancery.” [20]
directoral self-compensationom het vinden van een balans tussen “
utilty of the ratification defense and the need for judicial scrutiny of certain self-interested discretionary acts by directors.” [21] De Delawarese benadering van de toekenning van beloningen aan de
directorslaat zich als volgt samenvatten: (i) in beginsel is
self-compensationmogelijk, maar onderworpen aan strenge –
entire fairness– rechterlijke toetsing, (ii) tot op zekere hoogte kan
shareholder ratificationde slinger terugbewegen in de zin van beperkte rechterlijke toetsing onder toepassing van de
business judgement rule.De goedkeuring van de algemene vergadering – meer precies van “
fully informed, uncoerced, and disinterested stockholders” [22] – voor
directoral self-compensationspeelt in Delaware dus een belangrijke rol voor de
board of directorsom strenge rechterlijke toetsing te vermijden. Ik merk op dat hoewel deze benadering anders is -
self-compensationis hier te lande uitgesloten (zie nr. 3.4 hiervoor) - het resultaat niet veel verschilt van de formele benadering in het Nederlandse vennootschapsrecht, waar de AV op grond van artikel 2:135 BW Pro en artikel 2:145 BW Pro een belangrijke rol speelt bij de bezoldiging van bestuurders en commissarissen. Vanuit die verschillende benaderingen worden in Nederland en Delaware vergelijkbare
checks and balancestussen de vennootschapsorganen bereikt.
Stb.2004, 405) was het nog mogelijk in de statuten te bepalen dat een ander orgaan de bezoldiging van commissarissen vaststelt. De reden voor wijziging van de wet op dit punt is geweest dat door deze bevoegdheid dwingendrechtelijk bij de AV te beleggen, wordt uitgesloten dat de RvC zijn eigen beloning vaststelt (zie nr. 3.4 van deze conclusie). In de onderhavige casus is de bevoegdheid tot vaststelling van de bezoldiging van commissarissen ook aan de AV gegeven. [28]
executive committeeressorteert onder de RvC. Het tijdelijk ontbreken van een statutair bestuur kan dan spoedig minder tijdelijk worden. Dat is niet in overeenstemming met het systeem van ons vennootschapsrecht, waarin van de aanwezigheid van een (statutair) bestuur wordt uitgegaan. [31] Als een statutair bestuur ontbreekt, kan worden voorzien in een tijdelijke bestuurder, of dat nu een commissaris of derde is. In artikel 2:134 lid 4 BW Pro is daarom bepaald dat de statuten een regeling moeten bevatten omtrent de wijze waarop in een dergelijke situatie (of andere gevallen van ontstentenis of belet van een of meer bestuurders) voorlopig in het bestuur van de vennootschap zal worden voorzien. Aan die tijdelijke situatie dient spoedig een einde te komen door een formeel benoemingsbesluit van een statutaire bestuurder, op de door wet en statuten voorgeschreven wijze. [32] Dat de tijdelijke bestuurder voor zijn beloning afhankelijk is van die formele weg lijkt mij meer houvast te bieden dan de weg van het door de RvC zelf toekennen van een “redelijke vergoeding voor tijdelijke werkzaamheden voor een tijdelijke periode”. Een “redelijke vergoeding voor tijdelijke werkzaamheden voor een tijdelijke periode” impliceert een
gedragsregel (met een zekere beoordelingsmarge) waar de wetgever juist heeft gekozen voor een (strakke)
bevoegdheidsregel (zie nr. 3.7 en 3.8). Aan de door Salemink gekozen oplossingsrichting is mijns inziens bovendien bezwaarlijk dat de AV buiten spel blijft. Ik wijs in dit verband nog op de volgende passage uit de noot van Verburg bij het Imeko-arrest uit 2012:
directoral self-compensation. Dat is niet in overeenstemming met ons vennootschapsrecht.
directoral self-compensation, zoals in Delaware (zie hiervoor onder nr. 3.7) aanvaard zou worden, het ook gepaard zou dienen te gaan met strenge rechterlijke toetsing van de toegekende beloning aan de tijdelijke bestuurder. De
gedachtedie aan de
business judgment ruleten grondslag ligt, lijkt in zoverre wel in het Nederlandse vennootschapsrecht aanvaard te worden. In de MvT bij de Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête is in dit verband opgemerkt:
mutatis mutandisook voor de RvC. In de opvatting van Salemink wordt de door de RvC toegekende beloning aan een commissaris of derde als tijdelijke bestuurder in de sfeer getrokken van beleidsvrijheid – “een redelijke vergoeding voor tijdelijke werkzaamheden voor een tijdelijke periode” – waar die vrijheid in de formele benadering van het hof en de Hoge Raad op grond van de wettelijke en statutaire bevoegdheidsverdeling ontbreekt.
one-tier) bestuursmodel met uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders wettelijk gefaciliteerd. Van Schilfgaarde besteedt in zijn noot onder het Imeko-arrest uit 2012 uitvoerig aandacht aan de toepassing van de rechtsregels uit het Imeko-arrest op een vennootschap met een
one-tierbestuursmodel. [36] Die discussie laat ik hier rusten, omdat het eerst en vooral aan de wetgever is op dit punt duidelijkheid te scheppen [37] en het
one-tierbestuursmodel voor de onderhavige zaak, over een commissaris bij een vennootschap met een dualistisch bestuursmodel, niet relevant is. Ik merk wel op dat de wettelijke mogelijkheid van het bestaan van een
one-tierbestuursmodel onverlet laat dat bij een vennootschap met een dualistisch bestuursmodel, met een bestuur en RvC, de functies van bestuurder en commissaris niet in één persoon kunnen worden verenigd. Dat een dergelijke dubbelrol niet mogelijk is, staat weliswaar – enigszins opmerkelijk – niet met zoveel woorden in Boek 2 BW, maar volgt uit het systeem van het vennootschapsrecht. [38] Overigens wordt in verband met het voorkomen van
directoral self-compensation(zie hiervoor nr. 3.7) door de wetgever bij een
one-tierbestuursmodel in artikel 2:129a lid 1 BW wel uitdrukkelijk geregeld dat het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders niet aan een uitvoerende bestuurder kan worden toebedeeld.
altijdzijn commissarisfunctie moet opgeven. [39] Dit strenge uitgangspunt kan weliswaar als
best practiceworden aanvaard [40] , maar gaat mij als
regelte ver. [41] De commissaris die is aangewezen als tijdelijke bestuurder in de zin van artikel 2:134 lid 4 BW Pro en voor zekere tijd daden van bestuur verricht in de zin van artikel 2:151 BW Pro – zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan van de vennootschap (de AV; zie nr. 3.8) – maakt geen deel uit van het bestuur, maar is nog steeds lid van de RvC. [42]
afzonderlijkeovereenkomst van opdracht is overeengekomen op de voet waarvan [eiser] de tijdelijke bestuurswerkzaamheden
in een andere hoedanigheid dan die van commissariszou voortzetten. Voor zover het subonderdeel klaagt dat in het geheel geen contractuele verhouding tussen Imeko en [eiser] heeft bestaan, mist het feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel met de benoeming van [eiser] tot (tijdelijke) bestuurder het oog heeft gehad op een statutaire benoeming mist het eveneens feitelijke grondslag (zie de slotzin van rov. 3.5 en nr. 3.20 hiervoor). Het hof heeft kennelijk en niet onjuist of onbegrijpelijk in rov. 3.7 tot uitgangspunt genomen dat zolang [eiser] zijn hoedanigheid van commissaris behield – hetgeen vaststaat (zie ook nr. 3.20) – een wijziging van de aard van de werkzaamheden (de door de commissaris verrichte tijdelijke bestuurswerkzaamheden) er niet toe kan leiden dat het ‘loon’ voor die aanvullende werkzaamheden op andere wijze wordt bepaald dan op grond van een bezoldigingsbesluit van de AV. Anders gezegd heeft het hof, in lijn met het Imeko-arrest uit 2012, geoordeeld dat de functionele (vennootschapsrechtelijke) verhouding bepalend is voor de vraag welk orgaan bevoegd is de bezoldiging vast te stellen voor de
in hoedanigheid van commissarisverrichte tijdelijke bestuurswerkzaamheden. Het hof heeft terecht en niet onbegrijpelijk in rov. 3.7 overwogen dat ook voor de periode na 1 september 2003 het “beloningsbesluit van de ava van 27 juni 2002 geacht wordt een vergoeding voor de door [eiser] gestelde bestuurstaken in te sluiten.” Anders dan het subonderdeel betoogt, heeft het hof terecht en niet onbegrijpelijk tot uitgangspunt genomen dat geen andere contractuele band is komen vast te staan tussen [eiser] en Imeko dan die als commissaris.
buiten de hoedanigheid van commissarisen voorzitter van de RvC als tijdelijke bestuurder van Imeko bepaalde bestuurstaken is gaan verrichten. Het subonderdeel klaagt voorts onder b) dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de beantwoording van de vraag of tussen Imeko en [eiser] een overeenkomst van opdracht is tot stand gekomen. Het hof heeft volgens het onderdeel miskend dat voor de totstandkoming niet steeds vereist is dat sprake is van een (expliciet) aanbod of aanvaarding.
naastde werkzaamheden in zijn hoedanigheid van commissaris.
hoedanigheidwaarin [eiser] de tijdelijke bestuurswerkzaamheden heeft verricht beslissend voor de vraag welk orgaan bevoegd is rechtsgeldig te besluiten over de bezoldiging. Ik memoreer dat vaststaat dat [eiser] nooit is benoemd tot statutair bestuurder (zie nr. 3.20); dat [eiser] gedurende de gehele periode van 27 juni 2002 tot 12 juni 2006 zijn hoedanigheid van commissaris heeft behouden (zie ook nr. 3.20); en dat [eiser] geacht wordt de tijdelijke bestuurswerkzaamheden te hebben verricht in zijn hoedanigheid van commissaris (zie nr. 3.14 en nr. 3.27). Tegen die achtergrond is het geenszins onbegrijpelijk dat het hof aan de omstandigheden onder (i)-(iii) geen betekenis heeft toegekend. Voor zover het subonderdeel met de klacht sub b) betoogt dat [eiser] de werkzaamheden als (statutair) bestuurder zou voortzetten
naastzijn werkzaamheden in hoedanigheid van commissaris faalt het op de grond dat de hoedanigheid van bestuurder en van commissaris niet in één persoon verenigd kunnen worden (zie nr. 3.13).
als bestuurdersvan Imeko volgens sub d in de gegeven omstandigheden naar verkeersopvatting zou hebben te gelden als kennis of wetenschap van de vennootschap Imeko. Om dezelfde reden is evenmin van belang of
de accountantvan de vennootschap (sub e) bekend was met de hoogte van de managementvergoedingen aan [eiser] .
Het subonderdeel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn taak als appelrechter en de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel heeft miskend door het bewijsaanbod in eerste aanleg (met name de conclusie van antwoord onder 76 en onder 14 en 53 e.v.) niet in aanmerking te nemen. Het subonderdeel klaagt voorts dat onbegrijpelijk is dat het hof heeft kunnen oordelen dat het bewijsaanbod in de memorie van antwoord onder 72, in samenhang met nrs. 48 en 62 niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen.