Conclusie
middelklaagt over de bewezenverklaring door het hof dat verdachte op 20 oktober 2015 te Amsterdam “als vreemdeling heeft verbleven terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid van de Vreemdelingenwet” en tegen de kwalificatie als het strafbare feit als bedoeld in art. 197 Sr Pro op de volgende gronden:
1. In de bewezenverklaring ontbreekt een essentieel bestanddeel van het ten laste gelegde strafbare feit, te weten de omstandigheid dat “hij wist of ernstige redenen had te vermoeden” dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, en deze omstandigheid kan ook niet blijken uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen;
2. Het hof is er wel van uitgegaan dat verdachte na het uitvaardigen van het inreisverbod de Europese Unie nog niet had verlaten, maar heeft miskend dat daardoor het inreisverbod, zijnde het verbod om het grondgebied van de lidstaten van de EU binnen te komen en aldaar te verblijven, nog niet was ingegaan, althans het verweer van deze strekking heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans uit de bewijsmiddelen kan niet blijken dat het inreisverbod na de uitvaardiging in werking is getreden.
proces-verbaal van aanhoudingmet nummer PL1300-2015044408-57 van 22 oktober 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].
proces-verbaal van aanhoudingmet nummer PL1300-2015044408-83 van 23 oktober 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3].
proces-verbaal van verhoormet nummer PL1300-2015044408-55 van 22 oktober 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1].
geschriftte weten een kopie van een beschikking met nummer 9601-05-4007, genomen namens de Staatssecretaris van Justitie van 14 april 2000.
geschriftte weten een voorblad behorende bij de beschikking 9601-05-4007.
geschriftte weten een kopie van een beschikking met V-nummer 2757616759, genomen namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 maart 2013.
daarvanwist of ernstige reden had dit te vermoeden. [2]
Het hof heeft verder in zijn strafoverwegingen overwogen: “De verdachte heeft als vreemdeling in Nederland verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd”.
Ik meen dat de opmerking van de raadsman noch de overweging van het hof in het kader van de strafoplegging het ontbreken in de bewezenverklaring van het bestanddeel dat verdachte “wist of ernstige reden had te vermoeden dat” tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd kan sauveren in de zin dat het ontbreken van dit bestanddeel als kennelijke verschrijving kan worden opgevat.
Tegen die achtergrond vind ik het aanbevelenswaardig dat de Hoge Raad richting geeft aan de praktijk hoe de vereiste inhoud van de wetenschapseis in art. 197 Sr Pro door de feitenrechter, mits de bewijsmiddelen toereikend zijn, technisch moet worden verwerkt in de omstandigheid dat een ongewenstverklaring op het moment van het tenlastegelegde verblijf al is vervangen door een inreisverbod.