Conclusie
ARC). Aanleiding voor het geschil is een verzoek van de Staten van Curaçao aan de ARC om onderzoek te doen naar het beleid van telecombedrijf United Telecommunications Services N.V. (hierna:
UTS), waarvan de aandelen voor het grootste deel in handen zijn van het Land Curaçao (hierna:
het Land). UTS is een procedure gestart om te voorkomen dat een dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd, omdat dit volgens haar buiten de taken van de ARC valt. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna:
het hof) heeft UTS in het gelijk gesteld. Tegen die beslissing komt het Land in cassatie op.
2.Wettelijk kader
Streg) [2] houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
Artikel 68
“mag[het]
niet mogelijk zijn, dat enig deel van het overheidsbeheer aan de controle van het hoogste controle-orgaan kan worden onttrokken, ongeacht ook of dit beheer in publiek- of privaatrechtelijke organisaties geschiedt.” [9]
voor zover zij zulks nodig acht voor het uitoefenen van haar taak”.
3.Procesverloop
het GEA) heeft bij vonnis van 21 maart 2016 voor recht verklaard dat het Land, althans de ARC, buiten de wettelijke bevoegdheid van de ARC, althans onrechtmatig handelt, indien het aangekondigde onderzoek wordt uitgevoerd en het Land, althans de ARC, verboden het onderzoek voort te zetten of uit te voeren. Het GEA heeft de reconventionele vordering afgewezen.
4.Het cassatiemiddel; algemene opmerkingen
‘de aantasting van de positie van de Algemene Rekenkamer Curaçao’. Op 21 november 2017 heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties geantwoord dat de invulling van de onafhankelijkheid en de bevoegdheid van de ARC een aangelegenheid van het Land Curaçao is. [15]
geen extra bevoegdhedentoegekend gekregen. [23]
het budgettair uitgangspunt ten grondslag [ligt], waarbij de taak van de AR complementair is aan de ministeriële verantwoordelijkheid.” In het advies wordt vervolgens opgemerkt: (mijn onderstreping) :
Daarbij moet worden bedacht dat niet het functioneren van de desbetreffende onderneming als zodanig object is van het onderzoek door de AR, maar de verantwoording van het beleid van de bevoegde minister ten aanzien van de deelneming.
Het betreft dus niet het bedrijfsbeleid in het algemeen van de betreffende vennootschap zelf.
Voorts is van wezenlijk belang dat niet het functioneren van de desbetreffende onderneming als zodanig object is van het onderzoek door de AR, maar de verantwoording van het beleid van de bevoegde minister ten aanzien van de deelneming. (…).”
controle op het geldelijk en materieel beheer in de ruimste zin”) in een andere richting wijst. Deze bepaling betreft echter de controle op het geldelijk en materieel beheer
van de overheidsadministratie(zie 2.5) en is niet maatgevend voor de bevoegdheden van de ARC ten aanzien van het beleid van overheidsvennootschappen.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
nietworden bestreden. Dat zijn er nogal wat.
legaliteitsbeginselten aanzien van de bevoegdheden van de ARC komt bijzonder gewicht toe (rov. 2.7). Deze vooropstelling wordt niet bestreden. In
onderdeel 1wordt slechts geklaagd over de slotzin van deze overweging dat het concordantiebeginsel een rol kan spelen bij de uitleg van de Lv ARC.
de indeling van de takenvan de ARC, waarbij het hof onderkent dat de scheiding van taken in de Lv ARC niet steeds consequent is doorgevoerd (rov. 2.8). Tegen deze vooropstelling zijn geen klachten gericht. Evenmin wordt opgekomen tegen rov. 2.8 voor zover daarin een vergelijking wordt gemaakt met de Cw 2001. Gezien de klacht tegen de overweging over het concordantiebeginsel had dat voor de hand gelegen.
onderscheid tussen de private en publieke sectorvoor ogen te houden (rov. 2.9).
Onderdeel 2is gericht tegen deze overweging, maar bestrijdt dit uitgangspunt niet. Evenmin wordt geklaagd over de aansluiting die het hof zoekt bij adviezen van de Raad van State.
art. 1 Lv Pro ARCop zichzelf een onvoldoende concrete grondslag biedt om er de gepretendeerde bevoegdheid op te baseren en dat de woorden
“in de ruimste zin”onverlet laten dat de reikwijdte van de bevoegdheid om controle uit te voeren niet onbegrensd kan zijn (rov. 2.11);
art. 19 Lv Pro ARCkan worden aangemerkt op de enkele grond dat het Land (meerderheids)aandeelhouder van haar is (rov. 2.12);
art. 19 Lv Pro ARCmoet worden aangemerkt (rov. 2.13);
art. 22 Lv Pro ARCop zichzelf geen voldoende grondslag biedt om aan te nemen dat de ARC bevoegd is een rechtmatigheidsonderzoek bij UTS uit te voeren (rov. 2.14);
art. 29 Lv Pro ARCaan de ARC niet de bevoegdheid toekent andere onderzoeksobjecten aan een onderzoek te onderwerpen dan in art. 22 Lv Pro ARC zijn genoemd (rov. 2.16);
art. 35 Lv Pro ARCde ARC de bevoegdheid geeft om een onderzoek in te stellen naar administraties in de zin van art. 22 Lv Pro ARC, maar dat UTS dergelijke administraties niet voert en zodanige administraties evenmin aan haar zijn uitbesteed (rov. 2.19);
art. 25 en Pro 41 Lv ARCde bevoegdheden van de ARC ten opzichte van deze informatieplichtigen benoemen (rov. 2.21) en deze bevoegdheden slechts kunnen worden uitgeoefend ter vervulling van de aan de ARC opgedragen taak; geen van beide artikelen draagt de ARC aanvullende taken op (rov. 2.22).
art. 30 Lv Pro ARCvoldoende grondslag biedt om aan te nemen dat de ARC bevoegd is het aangekondigde onderzoek uit te voeren. In de
onderdelen 3 en 4herhaalt het Land in dat verband het in feitelijke instanties ingenomen standpunt dat art. 30 aan Pro de ARC de bevoegdheid toekent om na een daartoe strekkend verzoek van de Staten elk onderzoek uit te voeren, mits zij over de daarvoor vereiste deskundigheid beschikt. Het hof heeft die uitleg gemotiveerd verworpen en overwogen dat art. 30 aan Pro de ARC geen zelfstandige bevoegdheden toekent.
kanspelen bij de uitleg van de Lv ARC. Het hof geeft geen toepassing aan dit beginsel. Uit de bestreden overweging kan dan ook niet worden afgeleid dat het hof heeft miskend dat een afwijkende interpretatie mogelijk is indien duidelijk blijkt dat de wetgeving van Curaçao op een bepaald onderdeel bewust van het Nederlandse recht afwijkt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
“in de ruimste zin”, dat wil zeggen
“ongeacht of dit beheer in publieke- of privaatrechtelijke organisaties geschiedt”. [42] Daarmee zou het hof hebben miskend dat de controle van de ARC zich zowel over de publieke als de private sector uitstrekt. Het Land verwijst naar art. 25, 35 en 41 Lv ARC.
“dat het systeem van de comptabiliteitswetgeving ook in Curaçao tot op zekere hoogte is gebaseerd op scheiding van uitgaven van publieke en private aard.”Deze overweging laat gezien de woorden ‘tot op zekere hoogte’ en de daarop volgende overweging dat
“de (toegenomen) verwevenheid tussen de beide sectoren(…)
de wetgever ertoe[kan]
hebben doen besluiten bepaalde categorieën die strikt genomen niet tot de publieke sector behoren, toch tot die sector te rekenen, indien en voor zover deze enigerlei financiële relatie met het Land hebben”, alle ruimte om in de daaropvolgende overwegingen, waarin een beoordeling van de Lv ARC wordt gegeven, rekening te houden met een mogelijk afwijkende bedoeling van de wetgever op Curaçao. Op de art. 25, 35 en 41 Lv ARC, waarnaar het Land in het onderdeel verwijst, is het hof in rov. 2.19 en volgende nader ingegaan. Deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden.
onderdeel 1- met de strekking dat het concordantiebeginsel toepassing mist - en
onderdeel 2- met de strekking dat het de bedoeling van de wetgever is geweest te voorzien in een integrale controle op het beheer van de overheidsfinanciën van het Land ongeacht of dit beheer in publieke- of privaatrechtelijke organisaties geschiedt - ook gevolgen voor deze motivering moeten hebben. Zoals hiervoor toegelicht, meen ik dat beide onderdelen tevergeefs worden voorgesteld, zodat zij aan de motivering van het oordeel van het hof in rov. 2.18 in zoverre niet kunnen afdoen.
voor zover de aard van de werkzaamheden van de ARC dit toelaat”) in die zin moet worden uitgelegd, dat het moet gaan om werkzaamheden die de ARC normaliter binnen haar taakgebied verricht. Het Land stelt dat de ARC met het aangekondigde rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek niet buiten haar taakgebied treedt, nu zij krachtens de hoofdstukken III en IV van de Lv ARC tot het verrichten van dergelijke onderzoeken bevoegd is. Indien de Staten om een dergelijk onderzoek verzoeken, geeft art. 30 Lv Pro ARC aan dat de ARC daartoe de bevoegdheid De bevoegdheid van de ARC het gevraagde onderzoek te verrichten zou voldoende duidelijk uit deze wettelijke bepaling blijken. [43] Het hof zou een en ander hebben miskend en blijk hebben gegeven van een te beperkte en daarmee onjuiste rechtsopvatting van meergenoemd artikel.
“voor zover de aard van de werkzaamheden van de Algemene Rekenkamer dit toelaat”tot uitdrukking gebracht. Zoals het hof heeft overwogen, vindt deze lezing ook steun in de woorden
“binnen het taakgebied”in de toelichting op de Nederlandse wetsbepaling. De bevoegdheid tot het verrichten van het aangekondigde onderzoek bij UTS kan niet aan de bepalingen in de hoofdstukken III (art. 19 e.v.) en IV (art. 29) van de Lv ARC worden ontleend, zoals het hof met juistheid heeft geoordeeld.
“ongeacht of dit beheer in publieke of privaatrechtelijke organisaties geschiedt”. Volgens het Land moet de taakuitoefening van de ARC (ook) in het kader van verzoeken van de Staten ingevolge art. 30 Lv Pro ARC in de sleutel van deze integrale controle op het beheer van de overheidsfinanciën door de ARC worden begrepen. Die controle strekt zich mede uit tot de in art. 25 en Pro 41 Lv ARC genoemde privaatrechtelijke entiteiten, waartoe ook UTS behoort, omdat deze entiteiten een onbeperkte informatieplicht jegens de ARC hebben. Afgezien daarvan meent het Land dat art. 35 Lv Pro ARC de ARC de bevoegdheid verschaft om onder omstandigheden zelf een onderzoek in te stellen bij overheidsvennootschappen. [44] Dit alles zou betekenen dat de onderzoeksbevoegdheid van de ARC op grond van art. 30 Lv Pro ARC zich mede kan uitstrekken tot een overheidsvennootschap als UTS. [45]
kanuitstrekken tot een rechtspersoon als UTS - het oordeel van het hof houdt ook niet iets anders in -, maar dan uitsluitend voor zover het onderzoek gericht is op de wijze waarop het Land het aandeelhouderschap heeft vervuld en het beleid ten aanzien van de deelneming heeft gevoerd.
en de andere takenvan de ARC. Een verzoek in de zin van art. 30 Lv Pro ARC kan ook een dergelijke andere aan de ARC opgedragen taak betreffen, terwijl de ARC de uit art. 25 en Pro 41 Lv ARC voortvloeiende bevoegdheden ook ter vervulling daarvan kan uitoefenen.