Conclusie
BAB AL-MUSTAQBAL REAL ESTATE CO.,
CORDIAL N.V.,
TURNHAM N.V.,
INTERTRUST (CURAÇAO) B.V.,
[A],
How is it possible that Intertrust can agree with the capital increase without having seen the underlying documents?
How can Intertrust agree that the Company takes an advance without having insight in the financial position of the whole structure?
Intertrust should indicate how it can agree without having insight in the deed of assignment?
Bab is requesting inspection of the relevant documents related to the whole transaction.
Bab also would like to know why it has been decided to make a capital increase instead of making a cash injection or it should be concluded that the intention of [A] is to benefit itself in this situation."
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
algemeneenquêteregeling, hoewel boek 2 BW-NA wel een in de literatuur als ‘mini-enquête’ bestempelde regeling kende, die enkel zag op de stichting en de stichting particulier fonds. [10]
onderdeel 5, valt uiteen in vier subonderdelen, die kort samengevat op het volgende neerkomen.
als gevolgvan deze bijzondere omstandigheden, en dus geen oorzaak daarvan, of in zichzelf een bijzondere omstandigheid kan zijn. Ook de (
onredelijke) benadeling van genoemde vennootschappen motiveert het hof (afgezien van enkel tijdsverloop) niet.
tegenstrijdighebben gedragen. [18] De onaanvaardbaarheidsdrempel noopt tot een terughoudende toepassing. [19]
gerechtvaardigdhet vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij (b) diens positie onredelijk benadeeld of verzwaard zou worden ingeval het recht of de bevoegdheid alsnog zou worden uitgeoefend. [21] Voor de duidelijkheid: deze bijzondere omstandigheden moeten
bijkomstigzijn; het is dus niet zo dat door (lang) stilzitten vertrouwen kan worden gewekt – althans niet
gerechtvaardigd –dat een recht of bevoegdheid niet meer zal worden uitgeoefend. [22] Dit is ook logisch: dáárvoor (de blokkerende werking van enkel tijdsverloop) hebben we nu juist moderne en adequate verjaringstermijnen. [23]
op zichzelfm.i. niets (relevants) anders dan het laten verstrijken van tijd. Deze mening lijkt ook Uw Raad toegedaan: uit een zaak uit 2013 blijkt dat Uw Raad het ‘stilzitten’ van een partij (impliciet) gelijkstelt aan het louter verlopen van tijd, en werd geoordeeld dat de rechter ook dan de aanwezigheid van andere omstandigheden dient vast te stellen. [25]
belangenafwegingdient te maken (art. 2:350 BW Pro / 2:274 BWC [32] ). Maeijer wijdt aan de verhouding tussen de rechtsverwerking en de belangenafweging een verhelderende beschouwing in zijn noot onder HR 20 november 1996, NJ 1997, 188. Hij schrijft daar:
onderdeel 5.1-5.3van het principale middel gegrond. Het oordeel van het hof in rov. 2.5 komt erop neer dat het in de rede had gelegen wanneer Bab in de periode van bijna vijf jaar na de gewraakte ava’s haar bezwaren aan de orde zou stellen. Daarbij acht het hof van belang dat het
enquêterechtop Curaçao pas van
nadie besluitvorming dateert, maar dat Bab ook pas ruim drie jaar na inwerkingtreding van dat recht in actie is gekomen. Het hof overweegt dat “hierdoor” het gerechtvaardigd vertrouwen bij Cordial en Turnham is gewekt dat Bab zich bij de besluiten had neergelegd. Bovendien zouden Cordial en Turnham door een enquête onredelijk worden benadeeld. Hieraan verbindt het hof de conclusie dat Bab haar recht heeft verwerkt om het verzoek te doen. Dat is m.i. niet terecht, omdat het hof naar mijn inzicht niets anders heeft vastgesteld dan dat er (veel) tijd is verstreken. Het hof plaatst dit tijdsverloop in de sleutel van rechtsverwerking, onder andere door op beide klassieke rechtsverwerkingscategorieën een beroep te doen; er is (a) gerechtvaardigd vertrouwen gewekt en (b) er is tevens sprake van onredelijke benadeling. Weliswaar blijkt uit rov. 2.6 dat het hof van oordeel is dat Bab haar bezwaren tegen de emissiebesluiten kenbaar had kunnen maken, maar dit is m.i. een variatie op het thema ’Bab heeft stilgezeten’, en stilzitten is m.i. in dit geval niets anders dan een creatieve manier om het enkele verstrijken van tijd (zonder dat daarin door iemand iets is ondernomen, maar dat is inherent aan het “enkele” verstrijken van de tijd), voor te stellen. Dit is, gelet op de hiervoor besproken rechtspraak, onvoldoende. Uit het oordeel van het hof kan niet worden afgeleid wat, anders dan tijdsverloop, tot het gerechtvaardigd vertrouwen bij Cordial en Turnham of tot hun onredelijke benadeling heeft geleid. Het hof heeft dus ofwel miskend dat rechtsverwerking niet slechts op tijdsverloop kan worden gebaseerd, maar dat bijkomstige omstandigheden nodig zijn, of het hof heeft, wanneer het dit niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu daaruit van zodanige omstandigheden niet (voldoende duidelijk) blijkt.
subonderdeel 6.3slaagt. Het subonderdeel klaagt dat het hof voor het beoordelen van de vraag of Bab zijn recht tot het instellen van een enquête heeft verwerkt niet met alle omstandigheden van het geval rekening heeft gehouden. Ter adstructie hiervan noemt het middelonderdeel een aantal omstandigheden met verwijzing naar vindplaatsen in gedingstukken. Ik meen dat deze omstandigheden, zoals herhaalde informatieverzoeken van de kant van Bab tijdens aandeelhoudersvergaderingen, relevant zijn voor het beoordelen van de vraag of zich rechtsverwerking heeft voorgedaan. Hiermee heeft het hof ten onrechte geen kenbare rekening gehouden.
4.Bespreking van de voorwaardelijke incidentele cassatieberoepen
- i) met terughoudendheid moet worden toegepast; en/of
- ii) niet geldt in het onderhavige geval, gelet op
- iii) niet geldt in dit geval, aangezien Bab zelf heeft afgezien van de haar indertijd geboden mogelijkheid om naar rato van haar kapitaalbelang aandelen te verkrijgen bij de emissie waarop het enquêteverzoek (mede) betrekking heeft.
onderdeel 4 van Cordial c.s.zal bespreken; zie hierna nr. 4.19 e.v.).
voor wat betreft de Slotervaartziekenhuis-regelanders moet worden uitgelegd dan het Nederlandse recht.
in het kader van de toepassing van die regeltijdsgebonden is. In de
eersteplaats niet omdat dat zou neerkomen op een aanvullende eis, waarvoor de rechtspraak van Uw Raad in elk geval geen aanknopingspunt bevat. Ten
tweedevind ik het bezwaarlijk, wanneer
naasthet leerstuk van rechtsverwerking – waarbij tijdsverloop niet bepalend maar wel belangrijk is – en de weging van belangen in het kader van de discretionaire afweging om het verzoek al dan niet toe te wijzen, waarbij de factor tijd (mede) als belang aan de orde kan komen, deze zelfde factor tijd voor een derde maal – nu in het kader van de vraag of aan de kapitaalseis is voldaan – wéér in beeld zou moeten komen. Met andere woorden, ook dan kan een enkel gebrek aan voortvarendheid niet tot het niet-voldoen aan de kapitaalseis leiden. En ten
derdespreekt een aanvullende eis als door de incidentele klachten bepleit mij niet aan omdat niet duidelijk is – en die klachten ook niet duidelijk maken – wat precies moet worden verstaan onder voortvarendheid. Hoe lang (wachten) is ‘te lang’? Ook de onbepaaldheid van een in dat verband te hanteren (algemene) termijn, pleit m.i. bepaald tegen het betoog van Cordial c.s. en [A] in dit verband.
eersteplaats dat het hof heeft miskend dat voornoemde bepaling eist dat bezwaren schriftelijk aan het bestuur kenbaar zijn gemaakt, en dat aldus niet kwalificeert het naderhand in de notulen van een aandeelhoudersvergadering vastleggen van eerder mondeling geuite bezwaren. De
tweedeklacht van het onderdeel luidt dat het hof heeft miskend dat als een verzoeker na het schriftelijk uiten van zijn bezwaren te lang wacht met het indienen van zijn enquêteverzoek, hij (alsnog) niet-ontvankelijk moet worden verklaard; bijzondere omstandigheden die het voorgaande anders zouden kunnen maken, heeft het hof evenmin vastgesteld.
toegepast, dat wil zeggen naar de ‘soepele’ wijze waarop de Ondernemingskamer daarmee al jaren omgaat, en die voor de (Nederlandse) ondernemingsrechtelijke rechtspraktijk dus ook al jaren de norm is. Overigens: ook in zijn algemeenheid meen ik dat een weinig formalistische toepassing niet bezwaarlijk is, zolang de strekking van de bepaling wordt gewaarborgd, te weten dat de rechtspersoon weet heeft gekregen van de bezwaren tegen het gevoerde beleid, zodat zij daar iets aan kan doen alvorens rauwelijks in rechte te worden betrokken. Het hof heeft het vorenstaande niet miskend, zodat de eerste klacht van Cordial c.s.’ onderdeel faalt.
lang genoegwordt gewacht, alvorens een enquêteverzoek wordt gedaan. De strekking van de bepaling is niet zozeer de bescherming van de rechtspersoon tegen een te lang uitgebleven verzoek, [41] maar tegen het niet ‘rauwelijks’ met een verzoek geconfronteerd worden, en daarmee verstoken te worden van de mogelijkheid om op enige wijze te reageren op de gevoelde bezwaren.
Onderdeel 1 (ii)-(b) van [A], dat hiervóór werd gememoreerd, bevat een vergelijkbare klacht, en benadrukt voorts dat het Curaçaose enquêterecht pas op 1 januari 2012 inwerking is getreden – en daarmee nadat de termijn van art. 2:21 lid 4 BWC Pro al was verstreken.
eersteomdat aangenomen moet worden dat de vervaltermijn van art. 2:21 lid 4 BWC Pro niet geldt voor de vernietiging van besluiten in een enquêteprocedure. Art. 2:21 lid 4 BWC Pro luidt:
nietgeldt voor door de rechter getroffen definitieve voorzieningen ex. art. 2:356 (sub a) BW, mochten die in het kader van de tweede fase van een enquêteprocedure aan de orde zijn. [44] Deze regeling staat
naastde vernietigingsregeling van art. 2:15 BW Pro. Hetzelfde moet m.i. worden aangenomen voor de vergelijkbare bepalingen van Curaçaos enquêterecht, art. 2:282 en Pro 2:283 BWC). [45]
tweedereden waarom de klachten van de onderdelen falen, is dat het verzoek van Bab niet uitsluitend ziet op het treffen van een voorlopige voorziening tot schorsing van de emissiebesluiten. Het gaat haar weliswaar primair om de vaststelling dat de emissiebesluiten ongeldig zijn, maar ook om de beweerdelijk gebrekkige informatieverstrekking, de afhankelijke opstelling van de bestuurder Intertrust ten opzichte van de meerderheidsaandeelhouder, en de status van de leningen van Bab aan de Groep. [49] Een eventuele vervaltermijn doet het belang niet ontvallen aan haar verzoek tot het doen van onderzoek naar het hele beleid van Cordial c.s. vanaf 1 januari 2006, zoals Bab heeft verzocht.
derdegeldt dat de toewijzing van het enquêteverzoek niet noodzakelijk meebrengt dat het verzoek om voorlopige voorzieningen, al dan niet in de vorm van een schorsing/ongedaanmaking etc. van de besluiten, wordt toegewezen; laat staan dat daarmee wordt vooruitgelopen op een eventuele definitieve voorziening in die trant. Vooruitlopen op een eventuele aantasting van (de werking van) de emissiebesluiten door eventueel te treffen voorzieningen, is aldus prematuur. Ook in zoverre missen de klachten feitelijke grondslag.