Conclusie
eerste middelklaagt dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd, althans dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel bevat voorts het voorwaardelijke verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
1.
Primair: sprake van een onherstelbaar vormverzuim ex. art. 359a Sv dat moet leiden tot bewijsuitsluiting.
HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321
Factoren
schending voorschriften “het
belangdat het geschonden voorschrift dient”.
ernst van het verzuim”. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen.
directediscriminatie op grond van nationaliteit, nu de selectie voor staandehouding en controle was gebaseerd op de herkomst van het voertuig en niet op de nationaliteit van de bestuurder. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. In het kader van de zogeheten ‘dynamische verkeerscontrole’ is door de Hoge Raad benadrukt dat indien de selectie van het voor een verkeerscontrole in aanmerking komend voertuig uitsluitend of in overwegende mate is gebaseerd op etnische of religieuze kenmerken van de bestuurder of andere inzittenden van dat voertuig, artikel 359a Sv in beeld kan komen vanwege een niet gerechtvaardigd onderscheid. [2] Dit is door het hof niet miskend.
indirectleidt een ongelijke behandeling op basis van nationaliteit. [5] In dit verband is in beginsel van belang dat mag worden aangenomen dat als gevolg van het project Moelander de kans dat een bestuurder afkomstig uit een Midden- of Oost-Europees land aan controle van een auto met een kenteken uit dat land wordt onderworpen groter is dan dat een bestuurder vanuit een ander land daarmee wordt geconfronteerd. [6] Kennelijk is het hof desalniettemin van oordeel dat geen sprake is geweest van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit, omdat het project Moelander breder van opzet was, waarmee het hof lijkt te doelen op het feit dat het project gericht was op voertuigen uit een groep van zogenoemde MOE-landen en niet op voertuigen uit één specifiek land. [7] Deze motivering schiet in mijn ogen tekort. Ook een selectie die is gericht op voertuigen uit een groep van vreemde landen kan immers een indirect verschil in behandeling op grond van nationaliteit meebrengen [8] en daarom had het hof, alvorens tot het oordeel te komen dat geen sprake was van (indirecte) discriminatie, dienen vast te stellen dat voor het verschil in behandeling een objectieve rechtvaardiging bestond [9] , hetgeen het hof niet heeft gedaan. In het oordeel van het hof ligt echter tevens en terecht besloten dat zelfs indien sprake zou kunnen zijn van indirecte discriminatie, de verdachte daarop geen beroep kan doen nu hij zelf kennelijk niet afkomstig was uit een van de MOE-landen. [10] De verdachte is dus niet getroffen in het belang dat de norm (het verbod op discriminatie) beoogt te beschermen. [11]
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden.