Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Criminal History Recordvan de staat Illinois (VS) blijkt dat de vader in 1990 is veroordeeld ter zake van
‘criminal sexual abuse'.
mediation-traject te doorlopen.
STATIC-99r), naar mogelijke risico’s die de pedofiele geaardheid van de vader en diens verleden als zedendelinquent zouden kunnen meebrengen voor de zoon, alsmede naar risico’s voor de veiligheid van de zoon die zouden kunnen voortvloeien uit de toekenning van het ouderlijk gezag aan alleen de vader;
family life’ met de zoon, nu zij haar zoon niet die geborgenheid kan bieden welke zij als moeder wenst te geven [7] .
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1.1klaagt de Staat dat het hof in rov. 3.3 - 3.7 is uitgegaan van een onjuist toetsingskader. De uitspraak van het EHRM van 15 december 2016, waarnaar het hof in rov. 3.3 verwijst (zie noot 9 hiervoor), ging over een beweerde schending van art. 10 EVRM Pro. Volgens de klacht is art. 10 EVRM Pro in deze zaak niet van toepassing, zodat de in die uitspraak bedoelde afweging van belangen in dit geding niet aan de orde is. Volgens de Staat had het hof de door de moeder gestelde onrechtmatigheid van de handelwijze van de Raad voor de kinderbescherming moeten beoordelen aan de hand van de wettelijke taken van de Raad en de invulling van die taken in het concrete geval. Op grond van art. 1:238 BW Pro worden de taken en bevoegdheden van de Raad uitsluitend bij wet in formele zin bepaald. In het kader van het beschermingsonderzoek en van de advisering behoefde de Raad geen afweging te maken tussen de belangen van de vader en die van de moeder en/of van de minderjarige, noch een afweging te maken tussen een of meer van deze belangen en het belang van de Raad. Bij onderzoek in het kader van de beschermingstaak en de advisering heeft de Raad volgens de Staat uitsluitend tot taak: te handelen in het belang van het minderjarige kind.
onderdeel 2klaagt de Staat dat het hof de vordering heeft beoordeeld aan de hand van een te strenge en daarom onjuiste maatstaf, gelet op de wettelijke taken van de Raad en de hem binnen het wettelijke kader toekomende vrijheid om deze taken uit te voeren naar eigen deskundig inzicht en oordeel. Dit onderdeel vormt de kern van het cassatiemiddel. Ter toelichting voert de Staat aan dat de Raad onderdeel is van het ministerie van Justitie en Veiligheid en een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 Awb Pro. Gegeven het wettelijk kader, had het hof de wijze waarop de Raad het onderzoek heeft uitgevoerd moeten beoordelen met meer terughoudendheid dan het hof heeft gedaan.
in redelijkheidtot dit optreden heeft kunnen komen: zie o.m. HR 13 oktober 2006 (Vie d’Or) [34] , HR 20 oktober 2006 (beveiligde woning Hirsi Ali) [35] , en HR 17 september 2010 (financieel toezicht Nederlandse Antillen) [36] , HR 11 maart 2011 (executie strafrechtelijke beslissingen) [37] en HR 21 november 2014 (DSB; financieel toezicht) [38] .
Static-99of een vergelijkbaar toetsingsinstrument voor het recidive-risico. Die stelling kan volgens het hof eerst aan de orde komen indien, na het nader bevragen van de man en van de twee vroegere behandelaars, de Raad alsnog daartoe gehouden zou kunnen worden om zich een gefundeerd beeld te vormen van het herhalingsrisico (rov. 3.6).
Static-99-test die de moeder in haar vordering had genoemd.
kansdat zulk misbruik zich zal voordoen. Tegenover elkaar stonden het standpunt van de vader dat hij zijn seksuele misstappen (gepleegd vóór 1997) al geruime tijd achter zich heeft gelaten en dat voor herhaling niet behoeft te worden gevreesd en, anderzijds, het standpunt van de moeder dat op basis van bepaalde aanwijzingen (door het hof vermeld in rov. 3.1.3) nog steeds het risico bestaat dat de zoon door de vader zal worden misbruikt. Voor het hof waren deze aanwijzingen voldoende houvast voor serieuze zorgen. Daartegenover stond dat de Raad voorafgaand aan de rapporten van 1 oktober 2010 en 28 juni 2011 onderzoek heeft gedaan, juist teneinde zich een beeld te vormen van het herhalingsrisico. Zo heeft de Raad het justitieel documentatieregister geraadpleegd en inlichtingen ingewonnen bij de laatste behandelaar van de vader, bij de politie (over de status van de aangifte die de moeder in april 2011 had gedaan), bij de vader zelf, bij het consultatiebureau en het kinderdagverblijf en ten slotte intern en extern deskundigen heeft geraadpleegd (zie rov. 3.1.4 en de genoemde rapporten). In dit geval deed zich de complicatie voor dat de waarschuwing voor seksueel misbruik afkomstig was van de moeder, die – naast het evidente belang dat de zoon wordt beschermd tegen misbruik – ook een eigen belang kon hebben bij de uitkomst van de familierechtelijke procedures [45] . Het dilemma tussen de verschillende noden (‘
needs’) is in rov. 3.3 door het hof onder woorden gebracht aan de hand van een overweging uit voormelde EHRM-uitspraak van 15 december 2016. Het hof heeft zelf een oplossing voor dit dilemma gezocht en deze gevonden in een verplichting van de Raad om de vader nader te bevragen en ook de twee deskundigen die de vader in het verleden hadden behandeld ter zake om inlichtingen te vragen. Nu zou men kunnen zeggen dat dit oordeel te zeer met een beoordeling van de feiten is verweven om in cassatie inhoudelijk te kunnen worden getoetst. Toch bevredigt een dergelijk antwoord op de klacht niet. Het hof maakt evenmin als de gedingstukken melding van een standaard in de beroepsgroep of van een standaard in de desbetreffende tak van wetenschap die meebrengt dat de door de Raad verrichte onderzoeksinspanningen en ingewonnen inlichtingen objectief ontoereikend waren om zich een behoorlijk beeld te vormen van het herhalingsrisico. In dit licht bezien, slaagt m.i. de klacht van de Staat over de door het hof aangelegde maatstaf.
onderdeel 3.3brengt de omstandigheid dat de onderzoeksrapporten van de Raad ten grondslag hebben gelegen aan de (inmiddels onherroepelijk geworden) beslissing van de familierechter, mee dat ten minste hoge motiveringseisen moeten worden gesteld aan het oordeel dat de handelwijze van de Raad onrechtmatig is jegens de moeder. Dit geldt in het bijzonder wanneer de verwijten betrekking hebben op aard, diepgang of grondigheid van het Raadsonderzoek. Het onderdeel klaagt dat het hof voorbij is gegaan aan de door de Staat naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, opgesomd in de procesinleiding in cassatie onderdeel 3.2.
onderdelen 5 en 5.1klaagt de Staat dat het oordeel, in rov. 3.5, dat de informatie van de moeder voldoende houvast bood voor serieuze zorg over de handelwijze van de vader, slechts is gebaseerd op eenzijdig van de moeder afkomstige stellingen. Volgens de klacht voldoet dit oordeel niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen, nu het hof niet (ook) de volgende stellingen van de Staat in zijn beoordeling heeft betrokken [47] :