ECLI:NL:HR:2001:AB2373
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Raad voor de Kinderbescherming bij begeleiding omgangsregeling tussen ouder en kinderen
De zaak betreft een verzoek van een vader om een omgangsregeling met zijn minderjarige kinderen vast te stellen en subsidiair het gezag over de kinderen te verkrijgen. De Rechtbank stelde een voorlopige omgangsregeling vast en gaf de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) opdracht tot bevordering van de uitvoering hiervan. De RvdK stelde hoger beroep in tegen deze opdracht, stellende dat zij niet gehouden is tot actieve begeleiding van omgangsregelingen.
Het Hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde een nieuwe omgangsregeling vast waarbij de RvdK werd opgedragen deze actief te begeleiden, met mogelijkheid tot delegatie aan andere maatschappelijke instellingen. De vader vorderde vervolgens dwangsommen en machtiging tot handhaving met sterke arm, welke door de President werden afgewezen.
De Hoge Raad oordeelde dat de wet, waaronder art. 1:238 lid 2 BW Pro, geen taak of bevoegdheid aan de RvdK toekent om door de rechter vastgestelde omgangsregelingen te begeleiden. Ook internationale verdragen zoals het IVRK en het EVRM leiden niet tot een dergelijke taak. Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. De overige middelen behoeven geen behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest dat de Raad voor de Kinderbescherming opdroeg de omgangsregeling te begeleiden en verwijst de zaak terug.