Conclusie
Van Tuinen/Wolters- criterium (zoals het cassatiemiddel betoogt). De Hoge Raad heeft inmiddels beslist dat werkgeverswisselingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 juli 2015 (ook) in het kader van de transitievergoeding beoordeeld moeten worden aan de hand van de maatstaf van het arrest
Van Tuinen/Wolters. Zie HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2905 (
Constar) en HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220. De daarop gerichte klachten slagen derhalve.
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.3 en 3.4 en stelt aan de orde hoe in het kader van art. 7:673 lid Pro 4, aanhef en onder b BW bij de beoordeling van de aanspraak op transitievergoeding moet worden omgegaan met situaties van opvolgend werkgeverschap die zich hebben voorgedaan voorafgaand aan 1 juli 2015. Is daarop het criterium van opvolgend werkgeverschap van toepassing zoals dat destijds gold op grond het arrest
Van Tuinen/Wolters [5] (zoals het onderdeel betoogt), of is daarop het sinds die datum geldende, ruimere criterium van opvolgend werkgeverschap in art. 7:673 lid Pro 4, aanhef en onder b, tweede volzin, BW van toepassing (zoals het hof heeft aangenomen)?
Onderdeel 3bevat op de onderdelen 1 en 2 voortbouwende klachten tegen de beslissing van het hof in rov. 3.9 dat de beschikking van de kantonrechter zal worden bekrachtigd en dat Tzorg als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.
Constar) heeft de Hoge Raad - ten overvloede - overwogen dat werkgeverswisselingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 juli 2015 (ook) in het kader van de transitievergoeding (art. 7:673 lid Pro 4, aanhef en onder b, tweede volzin BW) beoordeeld moeten worden aan de hand van de onder het oude recht geldende maatstaf van het arrest
Van Tuinen/Wolters.De overwegingen van de Hoge Raad luiden, voor zover van belang, als volgt:
3.7 De Hoge Raad ziet aanleiding nog het volgende te overwegen, mede met het oog op het geding na verwijzing waarin de hierna te bespreken kwestie van overgangsrecht met betrekking tot het opvolgend werkgeverschap (als bedoeld in art. 7:668a lid 2 BW en art. 7:673 lid Pro 4, aanhef en onder b, tweede volzin, BW) aan de orde kan komen.
Bossers & Cnossen) heeft de Hoge Raad - onder verwijzing naar de
Constar-uitspraak - nog eens herhaald dat werkgeverswisselingen die hebben plaatsgevonden voor 1 juli 2015, ook in het kader van de transitievergoeding beoordeeld worden aan de hand van de onder het oude recht geldende maatstaf van het arrest
Van Tuinen/Wolters. [7]
Van Tuinen/Woltersaan ‘opvolgend werkgeverschap’ gestelde eisen.
Constar-beschikking en de beschikking van 16 februari 2018, slaagt deze rechtsklacht. In de onderhavige zaak heeft de laatste werkgeverswissel per 1 februari 2012 - dus vóór 1 juli 2015 - plaatsgevonden. Na cassatie en verwijzing zal daarom alsnog moeten worden beoordeeld of is voldaan aan het “zodanige banden”-criterium uit het arrest
Van Tuinen/Wolters.