Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.10 en bevat verschillende klachten.
punt 5dat de overweging (i) dat de man zijn oude inkomen niet zonder meer kan herstellen en (ii) dat voor wat betreft de draagkracht van de man zal worden uitgegaan van een inkomen van € 2.800,- per maand, nu gesteld noch gebleken is dat hij op basis van de twee werkdagen meer salaris uitgekeerd kan krijgen van [A] B.V. (hierna: de Holding), blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is in het licht van de door de vrouw aangevoerde stellingen. Ter toelichting stelt het onderdeel dat bij de beoordeling van de draagkracht niet alleen acht moet worden geslagen op de inkomsten die de alimentatieplichtige feitelijk verwerft, maar ook op de inkomsten die hij in redelijkheid kan verwerven. [5] Indien een directeur-grootaandeelhouder alimentatieplichtig is, gaat het, aldus nog steeds het onderdeel, bij de in aanmerking te nemen inkomsten niet alleen om zijn uit de onderneming genoten salaris, maar kan ook de in de vennootschap behaalde winst een rol spelen bij de draagkrachtberekening. [6] Het onderdeel stelt dat de vrouw heeft aangevoerd (a) dat de Holding naast de door het hof genoemde managementvergoeding van € 45.000,- per jaar ook nog huurinkomsten van € 48.000,- [7] ontving en dat beide bronnen een doorlopende inkomensstroom leverden, [8] en (b) dat sprake was van extra ruimte voor inkomsten van de man gelet op zijn salaris, alsmede in de vorm van de winst, extra winst in verband met niet-structurele advieskosten en opnamen rekening-courant. [9] Het onderdeel klaagt dat het hof deze stellingen met betrekking tot (potentiële) bronnen van inkomsten voor de man dan wel binnen de Holding behaalde of potentieel te behalen winst niet zonder enige motivering had mogen passeren. Naar aanleiding van het opgevraagde proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 augustus 2017 heeft de vrouw de in punt 5 van onderdeel 1 geformuleerde klachten nader toegelicht. In de aanvulling van 2 februari 2018 wordt tot uitgangspunt genomen dat het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan “op de binnen de Holding behaalde of potentieel te behalen winst”. De toelichting stelt vervolgens dat het merkwaardig is dat het hof niet op dit punt is ingegaan omdat het tijdens de mondeling behandeling ter sprake is gekomen. [10]
winst. De hoogte van het door de man ontvangen salaris wordt aan de orde gesteld in het hierna te bespreken punt 6 van het onderdeel.
grosso modo, drie benaderingen:
lifting the corporate veil”). De winst wordt in dergelijke gevallen geheel toegerekend aan de dga en telt voor het berekenen van de draagkracht volledig mee als inkomen.
punt 6dat de overweging dat gesteld noch gebleken is dat de man op basis van de twee werkdagen meer salaris uitgekeerd kan krijgen van de Holding, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de vrouw heeft aangevoerd. [14] Het onderdeel stelt dat de man het “in zijn macht heeft” om naast zijn salaris als bestuurder tevens meerderheidsaandeelhouder meer uitgekeerd te krijgen, althans dat daar vanuit mag worden gegaan. Het onderdeel stelt in punt 6 tot slot dat de vrouw onbestreden heeft gesteld dat zij geen inzage heeft gekregen in de onderliggende stukken [15] en dat haar bankrekening bij de Holding door de man was geblokkeerd, waardoor zij geen salaris ontving. [16]
punt 7dat het hof in het bijzonder niet heeft gerespondeerd op de volgende stellingen van de vrouw waarin zij de juistheid van de door de man overgelegde cijfers, en daarmee ook van zijn gestelde salaris, betwist: