Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
.Daarnaast verwijst het onderdeel naar het wettelijk uitgangspunt dat hypotheek boven voorrecht gaat (art. 3:279 BW Pro), alsmede de aanmerkelijk beperktere bescherming die werknemers aan de wal aan de regeling van voorrechten van Boek 3 BW kunnen ontlenen.
bijkomendargument. [13]
onder 3.3met betrekking tot de totstandkomingsgeschiedenis van art. 8:211 BW Pro en de voorafgaande bepalingen uit het Wetboek van Koophandel vermeldt. Volgens de steller van het middel bevat die geschiedenis duidelijke aanwijzingen dat de belangen van scheepsfinanciers en de door hen gefinancierde ondernemingen niet ontoelaatbaar door het schepelingenvoorrecht mogen worden geschaad. Hij zal daarbij het oog hebben op wat hij in zijn inleiding onder 2.9, 2.15 en 2.19 heeft vermeld met betrekking tot de totstandkomingsgeschiedenis van respectievelijk art. 8:211 BW Pro, art. 758 K (oud) en art. 318c K (oud).
ontstaan uitde zee-arbeidsovereenkomsten’ (of in de tekst van het BW van Curaçao: ‘de vorderingen
ontstaan uitde arbeidsovereenkomsten van de kapitein of de andere leden der bemanning’). In zoverre maakt het hof dus een schoonheidsfout. Ik zeg een ‘schoonheidsfout’, want de formulering ‘vordering ontstaan uit arbeidsovereenkomst’ dunkt mij ruimer dan ‘vordering uit arbeidsovereenkomst’. Ze doet immers beter uitkomen dat ook
secundairevorderingen uit de maritieme arbeidsovereenkomst, dus uit hoofde van een tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst, onder het voorrecht vallen. [21] De bedoelde schoonheidsfout onderstreept dus het gelijk van het hof dat althans de bewoordingen van het schepelingenvoorrecht pleiten voor een ruime uitleg ervan.
ratio legis. [23] Welnu, waar bescherming van een categorie personen de bedoeling is, ligt een beperkende uitleg van de desbetreffende bepaling ten nadele van personen die juist tot die categorie behoren, uiteraard niet voor de hand. Dat geldt te meer waar die categorie er een van werknemers is, een groep die binnen onze rechtsorde veel vaker een verregaande bescherming geniet.
wettekstniet wijst op een ruime invulling van het begrip vordering uit arbeidsovereenkomst.
onder 3.5naar wat in de inleiding op het middel is gezegd over een oriëntatie op internationale verdragen en buitenlandse rechtsstelsels. Dat ziet klaarblijkelijk op hetgeen die inleiding onder 2.21, 2.23-2.24 en 2.25 inhoudt.
Court of Appealin de zaak
The Tacoma City. [28] Dit verwijt gaat al evenmin op. In de eerste plaats spreekt de Engelse tekst van het schepelingvoorrecht over ‘wages’, wat uiteraard een beperktere formulering is dan ‘vorderingen ontstaan uit de zee-arbeidsovereenkomsten’. In de tweede plaats betreft de zaak een verplichting om ná beëindiging van de arbeid als ex-werkgever zélf betalingen bij wijze van ‘pension’ te doen, welk geval door de Britse rechter nadrukkelijk werd onderscheiden van een ten tijde van de arbeid te betalen bijdrage aan een pensioenfonds. Juist het laatste is hier aan de orde. Bij die stand van zaken had het hof geen reden om voor de stand van het recht van Engeland en Wales (en indirect eventueel ook Canada) behalve naar
Halcyon Skiesvan de toenmalige Queens Bench Division van de House of Lords ook te verwijzen naar
The Tacoma Cityvan de Court of Appeal.
.1 De Zeevarenden vorderen geen nakoming van de verplichting van Avra Towage jegens hen om ervoor te zorgen dat zij (pre-)pensioen opbouwen, maar schadevergoeding wegens het niet-nakomen van die verplichting. De verplichting om te zorgen voor (pre-)pensioenopbouw vormt een arbeidsvoorwaarde en is dus uit de Arbeidsovereenkomst ontstaan. De (secundaire) vordering tot schadevergoeding wegens niet-nakoming van die verplichting die strekt tot goedmaking van de tekortkoming in de (primaire) verplichting, moet dan eveneens worden aangemerkt als een uit de Arbeidsovereenkomst ontstane vordering.
conditio sine qua non-verband staande tot de tekortkoming en daaraan toe te rekenen – volgens een derde causaliteitstoets wel of niet onder het voorrecht valt. Dat lijkt mij hopeloos complicerend.
3.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatiemiddel
dokter/haak, T&C Burgerlijk Wetboek 2011, art. 8:211 BW Pro, aant. 4(b), en
cleton, Hoofdlijnen 1994, p. 56. Anders
flach, diss. 2001, p. 95, die voor een engere zienswijze opteert: er moet een relatie met een bepaald schip zijn. Ofschoon de tekst van het artikel die benadering niet steunt, heeft
flachhet gelijk deels aan zijn zijde, omdat immers duidelijk moet zijn op welk schip het voorrecht rust. Dit behoeft echter niet – zoals
flach, diss. 2001, t.a.p. betoogt – te betekenen dat de werkzaamheden ‘aan boord’ verricht moeten zijn: zij kunnen buiten boord met betrekking tot een bepaald schip hebben plaatsgevonden. (…)’
aan boord vanhet schip moeten zijn verricht. Dat er een band moet bestaan tussen het schip en de door de werknemer verrichte werkzaamheden is evident, omdat anders niet valt te begrenzen welke zee-werknemers tot welk bedrag met betrekking tot welke schepen het voorrecht kunnen uitoefenen. In dit verband moet worden bedacht dat voorwaarde voor het voorrecht niet is dat de werkgever eigenaar of exploitant van het schip is.
op zichzelfgeen grond om op die regel een uitzondering te maken. Overigens, het hof heeft in rechtsoverweging 12.4 zowel uiteengezet waarom de door de zeevarenden verdedigde opvatting tot onaannemelijke resultaten kan leiden, als waarom executoriale verkoop van alle schepen in de praktijk niet nodig is.