ECLI:NL:PHR:2018:744

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2018
Publicatiedatum
6 juli 2018
Zaaknummer
18/01137
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 15 Wet BopzArt. 16 Wet BopzArt. 17 Wet BopzArt. 48 lid 1 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende motivering

Betrokkene was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, aanvankelijk vrijwillig en daarna op grond van een voorlopige machtiging. De rechtbank verleende een machtiging tot voortgezet verblijf, maar de Hoge Raad vernietigde een eerdere voorlopige machtiging wegens het ontbreken van rechtsbijstand bij betrokkene. Na terugverwijzing verklaarde de rechtbank het verzoek van de officier van justitie tot voorlopige machtiging niet-ontvankelijk.

In cassatie werd betoogd dat de machtiging tot voortgezet verblijf niet kon worden verleend omdat de eerdere voorlopige machtiging was vernietigd en dat betrokkene bereid was vrijwillig te verblijven. De Hoge Raad oordeelde dat de feitelijke situatie op het moment van de beschikking leidend is en dat latere vernietigingen niet aan het cassatiemiddel kunnen worden toegerekend.

De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene niet bereid zou zijn vrijwillig te verblijven, terwijl betrokkene vanwege het ontbreken van woonruimte nergens anders heen kon. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor nadere motivering.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor nadere motivering.

Conclusie

Zaaknr: 18/01137
mr. F.F. Langemeijer
Zitting: 30 mei 2018
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Zeeland-West Brabant
In deze Bopz-zaak wordt betoogd dat een machtiging tot voortgezet verblijf moet worden gecasseerd op de grond dat − nadien − de aan die machtiging voorafgaande machtiging is vernietigd. Daarnaast wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de bereidheid van betrokkene om vrijwillig in de verpleeginrichting te verblijven.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis (verpleeginrichting): aanvankelijk vrijwillig en vervolgens op grond van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz. De rechtbank Zeeland-West-Brabant had, na daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie, bij beschikking van 26 juni 2017 een voorlopige machtiging verleend met een looptijd tot 26 december 2017.
1.2
Betrokkene heeft op 26 september 2017 beroep in cassatie ingesteld tegen voormelde beschikking van 26 juni 2017 [1] . Bij beschikking van 2 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:146) heeft de Hoge Raad de beschikking van 26 juni 2017 vernietigd, kort gezegd omdat betrokkene bij de mondelinge behandeling door de rechtbank niet werd bijgestaan door een advocaat.
1.3
Inmiddels had de officier van justitie op 29 december 2017 aan de rechtbank verzocht machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 – 17 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was een op 18 december 2017 ondertekende geneeskundige verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur [betrokkene 1]. Deze heeft betrokkene laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2].
1.4
Op 17 januari 2018 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en zijn advocaat, een verpleegkundige en de geneesheer-directeur. Bij beschikking van 17 januari 2018 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting voor het tijdvak tot en met 26 december 2018 [2] .
1.5
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 17 januari 2018. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Onderdeel Iklaagt dat de rechtbank ten onrechte de machtiging tot voortgezet verblijf heeft verleend, nu de Hoge Raad de daaraan voorafgaande voorlopige machtiging heeft vernietigd. Het middel doet daartoe een beroep op (i) de omstandigheid dat de Hoge Raad op 2 februari 2018 – dus na de uitspraak van de thans bestreden beschikking − de beschikking van 26 juni 2017 heeft vernietigd en de zaak heeft terugverwezen naar de rechtbank; (ii) de omstandigheid dat de rechtbank na die terugverwijzing bij beschikking van 20 februari 2018 de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging [3] .
2.2
Art. 15 lid 1 Wet Pro Bopz bepaalt dat een machtiging tot voortgezet verblijf mogelijk is ‘met betrekking tot een persoon die ingevolge een voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft'. De rechtbank is ervan uitgegaan – en het cassatiemiddel bestrijdt ook niet − dat dit zowel juridisch als feitelijk de rechtstoestand was op 17 januari 2018, toen de rechtbank de thans bestreden beschikking gaf. Art. 419 lid 2 Rv Pro bepaalt dat de feitelijke grondslag van een cassatiemiddel alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding [4] . Een feit van later datum, ook al betreft dat feit een uitspraak van de Hoge Raad zelf, kan niet aan het cassatiemiddel ten grondslag worden gelegd. De aangevoerde bijkomstigheid dat (op 17 januari 2018 al bekend was dat) betrokkene cassatieberoep had ingesteld tegen de beschikking van 26 juni 2017 en een conclusie was genomen die strekte tot vernietiging van die beschikking van 26 juni 2017, maakt dit niet anders [5] . Onderdeel I stuit hierop af.
2.3
Ten overvloede merk ik het volgende op. In de systematiek van de Wet Bopz is het niet mogelijk een machtiging tot voortgezet verblijf met een door de rechter te bepalen geldigheidsduur van, in beginsel, ten hoogste een jaar na dagtekening [6] te verlenen zonder dat daaraan een voorlopige machtiging (met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden) of een eerdere machtiging tot voortgezet verblijf vooraf is gegaan. In dat opzicht was, naar de toestand op 17 januari 2018, voldaan aan de wettelijke vereisten: aan de verleende machtiging tot voortgezet verblijf was een voorlopige machtiging voorafgegaan [7] . Wie een beschikking van de burgerlijke rechter wil bestrijden, dient het rechtsmiddel aan te wenden dat volgens de wet tegen die beschikking open staat. Het is niet mogelijk, althans zinloos, bezwaren in te brengen tegen de voorafgaande rechterlijke machtiging. In de woorden van Dijkers [8] :
“De rechter die tot taak heeft te beslissen of hij tot (continuering van) een dwangopneming of tot ambulante drang machtigt zal moeten beoordelen of – op het tijdstip van zijn beslissing – nog steeds aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan (stoornis, hieruit voortvloeiend gevaar, en dergelijke). Die beoordeling vindt in beginsel plaats onafhankelijk van de formele en materiële aspecten van de voorafgaande beschikking(en).”
2.4
Indien de patiënt een volgens de wet openstaand rechtsmiddel heeft aangewend tegen de voorafgaande machtiging, kan de patiënt hoogstens de rechtbank verzoeken de behandeling van het nieuwe verzoek van de officier van justitie (tot het verlenen van een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf) aan te houden totdat een beslissing is genomen over het beroep tegen de voorafgaande machtiging. Uit de gedingstukken blijkt mij niet dat in deze zaak een dergelijk verzoek tot aanhouding van de behandeling is gedaan. Overigens zijn de mogelijkheden voor de Bopz-rechter om de behandeling aan te houden zeer beperkt. Wanneer een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf is verzocht, is de Bopz-rechter gebonden aan een beslistermijn van vier weken; zie art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz.
2.5
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene aangevoerd dat betrokkene op basis van vrijwilligheid in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef: primair ten betoge dat geen machtiging tot voortgezet verblijf kon worden verleend ten aanzien van een persoon die vrijwillig in het ziekenhuis verblijft; subsidiair ten betoge dat de machtiging voor minder dan één jaar zou moeten worden verleend. De rechtbank heeft het primaire betoog verworpen en het subsidiaire betoog gevolgd [9] . De omstandigheid dat het verzoekschrift van de officier van justitie was ingediend kort na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande voorlopige machtiging staat volgens rechtspraak van de Hoge Raad niet in de weg aan het verlenen van de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf [10] . Het cassatiemiddel heeft dan ook niet daarop betrekking. De slotsom is dat het eerste middelonderdeel faalt.
2.6
Onderdeel IIis gericht tegen de volgende overweging (op blz. 2):
“Betrokkene geeft niet genoegzaam blijk van de nodige bereidheid om zijn verblijf in voormeld ziekenhuis te laten voortduren. Anders dan de advocaat van betrokkene stelt, is van vrijwilligheid op dit moment geen sprake. Betrokkene kan vanwege het ontbreken van een woning niet ergens anders heen.”
2.7
Het middelonderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte onderscheid maakt tussen de bereidheid om vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven en een situatie waarin de betrokkene, als gevolg van het gemis van woonruimte, in feite niet anders kan doen dan in het ziekenhuis blijven. Waarom het ontbreken van een woning voor betrokkene niet de reden zou kunnen zijn om te kiezen voor een vrijwillig verblijf, geeft de rechtbank niet aan. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat betrokkene niet bereid is om vrijwillig in de verpleeginrichting te verblijven. Subsidiair klaagt het middelonderdeel dat het oordeel van de rechtbank zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, gelet op hetgeen (ter zitting) is gezegd over de feitelijke situatie van betrokkene.
2.8
Het is in beginsel mogelijk dat een gedwongen verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis wordt gevolgd door een verblijf op basis van vrijwilligheid: dat volgt uit de tekst van art. 48 lid 1 en Pro de eerste volzin van art. 54 lid 1 Wet Pro Bopz. Blijkens de overgelegde pleitnotities in eerste aanleg, heeft de advocaat aangevoerd dat betrokkene na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging besloten heeft om vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te blijven. De advocaat verbond hieraan de gevolgtrekking dat een machtiging tot voortgezet verblijf niet nodig is gebleken om het verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis (verpleeginrichting) te garanderen.
2.9
De rechtbank heeft dit betoog van de advocaat niet gevolgd. Met de steller van het middel ben ik van mening dat de omstandigheid dat betrokkene vanwege het ontbreken van een woning nergens anders heen kan, op zichzelf onvoldoende is om het oordeel te dragen dat (voortzetting van) een onvrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk is. Hier geldt hetzelfde als bij patiënten die zich vrijwillig onderwerpen aan een medische behandeling. Niemand gaat voor zijn plezier naar de tandarts om een kies te laten trekken of naar de chirurg voor een ingrijpende operatie: een patiënt doet dat vrijwillig, dat wil zeggen op basis van
informed consent, slechts omdat het alternatief − het onbehandeld laten van de kwaal − erger voor hem is. Zo ook kan degene die aan een stoornis van de geestvermogens lijdt ervoor kiezen, zich vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis te laten opnemen en behandelen, slechts omdat het alternatief voor hem of haar minder verkieslijk is.
2.1
Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij vindt dat de machtiging moet worden afgewezen “om mij een woning te kunnen verlenen” (p.-v. blz. 2). Hij is van mening dat hij zelfstandig kan wonen en met hulp een woning kan krijgen. Het is voor de lezer duidelijk dat de rechtbank daar niets in ziet. De rechtbank maakt melding van onder meer “aandachtsproblemen, geheugenproblemen en problemen met de planning” van betrokkene. De rechtbank vervolgt:
“Betrokkene geeft geen blijk van inzicht in zijn beperkingen en accepteert daarin ook geen hulp. Omdat niet is gebleken dat in de afgelopen 6 maanden enige verbetering is opgetreden in de cognitieve toestand van betrokkene noch in zijn acceptatie van hulp, acht de rechtbank niet reëel dat betrokkene binnen een jaar (…) zelfstandig kan wonen.”
2.11
De omstandigheid dat betrokkene niet in staat moet worden geacht tot zelfstandig wonen – een constatering van de feitenrechter, waarvan de juistheid in cassatie niet kan worden onderzocht – staat, logisch beschouwd, niet in de weg aan een weloverwogen keuze van betrokkene voor een vrijwillig verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis.
2.12
Een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis is ook mogelijk wanneer de patiënt als gevolg van de stoornis van de geestvermogens niet in staat is tot het maken van een redelijke afweging van zijn belangen. Wellicht heeft de rechtbank met haar overweging dat betrokkene geen blijk geeft van inzicht in zijn beperkingen en geen hulp accepteert, bedoeld dat betrokkene als gevolg van zijn gebrekkige geestvermogens niet in staat is, zich erbij neer te leggen dat zelfstandig wonen voor hem geen reële optie meer is en niet in staat is een redelijke afweging te maken tussen een vrijwillig verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis en het alternatief van een zwervend bestaan, maar dat is een gissing. De bestreden beschikking geeft de lezer op dit punt onvoldoende houvast omtrent hetgeen de rechtbank heeft bedoeld. Gelet op de eisen die gesteld worden aan de motivering van een tot vrijheidsbeneming strekkende beslissing, acht ik de klacht van onderdeel II gegrond.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv

Voetnoten

1.Die beschikking was van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad: zie art. 10 lid 1 Wet Pro Bopz.
2.Ook deze beschikking is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad; zie art. 17 lid 5 Wet Pro Bopz.
3.Kort gezegd: op de grond dat betrokkene reeds onvrijwillig was opgenomen op basis van de op 17 januari 2018 verleende machtiging tot voortgezet verblijf. De beschikking van 20 februari 2018 is overgelegd als bijlage 9 bij het cassatierekest.
4.Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 7, 2015, nrs. 207 – 208.
5.Zie soortgelijke beslissingen in: HR 5 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB9031, NJ 1988/418 (onder de vroegere Krankzinnigenwet: de stelling dat een gebrek in het bevel tot inbewaringstelling moet leiden tot afwijzing van de daarop volgende vordering tot voortzetting van de inbewaringstelling, vindt geen steun in het recht). Zie in gelijke zin: HR 7 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0278, NJ 1991/507; HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1112, NJ 1994/66 in een zaak over uithuisplaatsing van een minderjarige (“Een beschikking tot verlenging van de termijn van uithuisplaatsing heeft derhalve zelfstandige betekenis en verliest haar rechtskracht niet in geval van vernietiging van de voorafgaande beschikking”); HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2017, NJ 2007/261 (rov. 3.8), BJ 2007/16; Rb Almelo 5 juni 2001, ECLI:NL:RBALM:2001:AS7820, BJ 2001/53 m.nt. W. Dijkers; Rb Amsterdam 17 april 2003, ECLI:NL:RBAMS:2003:AS7733, BJ 2003/24.
6.Zie art. 17 lid 3 en Pro lid 4 Wet Bopz.
7.In het komend recht kan een zorgmachtiging niet worden verlengd; wel kan een nieuw te verlenen zorgmachtiging daarop aansluiten. Een eerste zorgmachtiging wordt verleend voor ten hoogste 6 maanden. Een zorgmachtiging die direct daarop aansluit kan worden verleend voor maximaal 12 maanden (onder bepaalde voorwaarden: voor 2 jaar); zie art. 6:5 Wet Pro verplichte ggz. Op gelijke wijze kan een (eerste) zorgmachtiging worden verleend in aansluiting op de verlenging van een crisismaatregel; zie art. 7:11 Wet Pro verplichte ggz. Voor onvrijwillig verblijf in een verpleeginrichting bestaat een soortgelijke regeling in art. 39 Wet Pro zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.
8.W. Dijkers, SDU commentaar Wet Bopz, aant. C.II.6.9.
9.De einddatum 26 december 2018 houdt (blijkens blz. 2 van de bestreden beschikking) verband met het feit dat de officier van justitie zijn verzoek had ingediend enkele dagen na het verstrijken van de vorige machtiging.
10.HR 23 februari 1996, ECLI:NL:HR:AD2497, NJ 1996/618 m.nt. J. de Boer (rov. 3.3 en 3.5.1).