Betrokkene was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, aanvankelijk vrijwillig en daarna op grond van een voorlopige machtiging. De rechtbank verleende een machtiging tot voortgezet verblijf, maar de Hoge Raad vernietigde een eerdere voorlopige machtiging wegens het ontbreken van rechtsbijstand bij betrokkene. Na terugverwijzing verklaarde de rechtbank het verzoek van de officier van justitie tot voorlopige machtiging niet-ontvankelijk.
In cassatie werd betoogd dat de machtiging tot voortgezet verblijf niet kon worden verleend omdat de eerdere voorlopige machtiging was vernietigd en dat betrokkene bereid was vrijwillig te verblijven. De Hoge Raad oordeelde dat de feitelijke situatie op het moment van de beschikking leidend is en dat latere vernietigingen niet aan het cassatiemiddel kunnen worden toegerekend.
De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene niet bereid zou zijn vrijwillig te verblijven, terwijl betrokkene vanwege het ontbreken van woonruimte nergens anders heen kon. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor nadere motivering.