Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1dat het hof het tweede lid van art. 155 Rv Pro heeft geschonden doordat het in het eindarrest geen melding heeft gemaakt van afwijking, of de oorzaak van die afwijking, van de regel uit lid 1, dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijgebracht, daarin zoveel als mogelijk het eindvonnis zal wijzen of medewijzen. Volgens het subonderdeel is Feniks, ondanks de uitsluiting van rechtsmiddelen in de tweede volzin van art. 155 lid 2 Rv Pro, ontvankelijk in deze klacht, omdat het hof een wisseling van rechters heeft doorgevoerd met schending van de procedureregels die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 31 oktober 2014. Het subonderdeel wijst in dat verband op de noot van Asser bij dit arrest [12] .
elkebewijsverrichting gelden, geen recht aan de ratio van die regels, te weten het waarborgen dat hetgeen ter zitting is voorgevallen, en dat niet altijd volledig in een proces-verbaal kan worden weergegeven, wordt meegewogen bij de totstandkoming van de uitspraak.
elkebewijsverrichting – kan leiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod op grond van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De Hoge Raad heeft dit beginsel immers vooropgesteld in zijn uitgangspunten in rov. 3.4.1 van het arrest van 2014.