Conclusie
de hoogtevan een billijke vergoeding. [1]
1.Feiten en procesverloop
[verzoeker]), geboren op [geboortedatum] 1971, is met ingang van 1 juni 2015 in dienst getreden bij Colliers International Real Estate B.V., later geheten Colliers International Agency B.V. (hierna:
Colliers) als Head of Capital Markets Netherlands. [3] Het salaris van [verzoeker] bedroeg € 11.170,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, waaronder een bonusregeling.
Door de bepaling in dit lid kan de rechter in dat uitzonderlijke geval naast de op grond van dit artikel verschuldigde transitievergoeding een additionele vergoeding toekennen Ook kan de rechter in een dergelijk geval een billijke vergoeding toekennen indien de werknemer geen recht had op een transitievergoeding op grond van dit artikel, bijvoorbeeld omdat hij te kort in dienst was (...). Hierbij kan worden gedacht aan een einde van de arbeidsovereenkomst vanwege een verstoorde arbeidsverhouding die de werkgever is te verwijten of de situatie waarin een werknemer de arbeidsovereenkomst (...) heeft opgezegd vanwege een dringende reden.” Bij het toekennen van een billijke vergoeding - anders dan bij een onterecht gegeven ontslag op staande voet - gaat het in beginsel om uitzonderlijke situaties waarin een billijke vergoeding op zijn plaats is. Voorbeelden zijn ernstig laakbaar gedrag van de werkgever waardoor de relatie is verstoord, discriminatie waartegen bezwaar wordt gemaakt en een onwerkbare situatie ontstaat, het grovelijk niet nakomen van verplichtingen aan werkgeverszijde met als gevolg een verstoorde relatie, een valse grond voor ontslag met als enig doel een onwerkbare situatie creëren en arbeidsongeschikt raken als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg voor de arbeidsomstandigheden (MvT 33 818, p. 34).
het hof). Net als in eerste aanleg heeft Colliers verweer gevoerd.
.”
2.Het cassatiemiddel; algemene opmerkingen
Wwz) en op 1 juli 2015 in werking getreden. Het uit tien leden bestaande artikel gaat overwegend over de transitievergoeding. Lid 9 heeft echter betrekking op het recht van de werknemer op een billijke vergoeding in geval van een van rechtswege beëindigde arbeidsovereenkomst die niet wordt voortgezet. Deze bepaling luidt:
als gevolg vanernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In verband daarmee is de werkgever dan aan de werknemer de billijke vergoeding verschuldigd. Volgens de wetgever gaat het hierbij om uitzonderlijke gevallen. [17] In de memorie van toelichting bij de Wwz worden daarvan voorbeelden genoemd die door de kantonrechter in rov. 6 van zijn beschikking zijn aangehaald. [18]
die het gevolg is vanernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Er dient daarom een zeker causaal verband te bestaan tussen de ernstige verwijtbaarheid en het einde van het dienstverband. Anders gezegd, aannemelijk moet zijn dat zonder ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever een arbeidsovereenkomst die van rechtswege is geëindigd, wél zou zijn voortgezet.
”
dat art. 7:671b lid 8, aanhef en onder c, BW voor het toekennen van een billijke vergoeding vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de ontbinding van de overeenkomst het gevolg was van, en gerechtvaardigd werd door, de reeds ten tijde van de schorsing van [eiser] bestaande verstoring van de arbeidsverhouding. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen het hof overigens over de verstoring van de arbeidsverhouding heeft overwogen.”
New Hairstylebeschikking: [22]
.”
3.Het cassatiemiddel; bespreking van de klachten
tot aan de datum van de non-actiefstelling nimmer [is] gewezen op de wijze waarop Colliers zijn functioneren ervaart”, en dat Colliers “
[verzoeker] niet heeft gewezen op zijn functioneren, (…), maar rauwelijks is overgegaan tot een non-actiefstelling…”. Het hof overweegt in rov. 3.8 dat “
uit de stukken blijkt dat tijdens het dienstverband van [verzoeker] tussen Colliers en [verzoeker] op een aantal momenten verschillen van mening hebben bestaan, bijvoorbeeld met betrekking tot de invulling van zijn bonusregeling in verband met bepaalde projecten”, en dat daarnaast
“niet in geschil [is] dat er regelmatig gesprekken hebben plaatsgevonden over de gang van zaken binnen de onderneming”. Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof reeds hieruit concludeert dat het in ieder geval niet zo is dat het functioneren van [verzoeker] op geen enkel moment aan de orde is gekomen of heeft kunnen komen, en dat dus in zoverre er geen sprake was van een ‘rauwelijks’ doen eindigen van [verzoeker] ’s dienstverband.