Conclusie
,mede in het licht van de
New Hairstyle-beschikking?
1.Feiten
2.Procesverloop
primairtot herstel van de arbeidsovereenkomst en
subsidiairtot betaling van een billijke vergoeding op grond van art. 7:671c BW van € 50.000,- bruto, althans een door het hof te bepalen bedrag.
3.Art. 7:683 lid 3 BW Pro: herstel of billijke vergoeding
onderdeel 1van het cassatiemiddel getuigt het oordeel van het hof dat [verzoeker] geen recht heeft op een billijke vergoeding van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats was het hof op grond van art. 7:683 lid 3 jo Pro. art. 7:671b BW verplicht om een keuze te maken tussen hetzij herstel van de arbeidsovereenkomst, hetzij toekenning van een billijke vergoeding. Als de appelrechter van oordeel is dat herstel van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is of in de rede ligt,
moethij overgaan tot toekenning van een billijke vergoeding (
subonderdeel a). In de tweede plaats heeft het hof miskend dat het bij de aard en de berekening van de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro niet alleen gaat om ‘de waarde’ van de arbeidsovereenkomst, maar om een afweging van alle omstandigheden van het geval (
subonderdeel b). Ten slotte wordt bij
subonderdeel cbetoogd dat het oordeel van het hof dat [verzoeker] geen recht heeft op een billijke vergoeding, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
afgewezen, die beslissing vernietigen. In plaats daarvan bepaalt art. 7:683 lid 3 BW Pro dat de rechter die in hoger beroep oordeelt dat het ontbindingsverzoek van de werkgever ten onrechte is toegewezen of het verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging ten onrechte heeft afgewezen, de werkgever kan veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat herstel van de arbeidsovereenkomst alleen mogelijk is als de werknemer daar in hoger beroep om heeft verzocht. [8] De rechter is vrij om te bepalen met ingang van welke datum hij de arbeidsovereenkomst herstelt. [9] Dat kan met ingang van de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, maar ook per een latere datum.
Meriant-beschikking beslist dat art. 7:682 lid 6 BW Pro niet meebrengt dat de rechter
verplichtis een voorziening te treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst indien hij de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst veroordeelt. [10] Overwogen werd het volgende:
Meriant-beschikking heeft tot consequentie dat indien de appelrechter van oordeel is dat de kantonrechter het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft toegewezen en de appelrechter de werkgever op de voet van art. 7:683 lid 3 BW Pro veroordeelt tot herstel van de arbeidsovereenkomst per een latere datum (waardoor een onderbreking van de arbeidsovereenkomst optreedt), hij in voorkomende gevallen kan afzien van het treffen van een voorziening voor de tussengelegen periode.
subonderdeel avan het cassatieverzoekschrift wordt voorgelegd, lijkt enigszins op de kwestie waarom het ging in de
Meriant-beschikking. Ook nu gaat het om de vraag of sprake is van een
verplichtingvan de appelrechter – om te veroordelen tot hetzij herstel van de arbeidsovereenkomst hetzij toekenning van een billijke vergoeding –, of dat de rechter hier vrije beoordelingsruimte heeft en er ook voor kan kiezen om noch de arbeidsovereenkomst te herstellen, noch een billijke vergoeding toe te kennen. Volgens het subonderdeel blijkt uit de wettekst en de wetsgeschiedenis bij art. 7:683 lid 3 BW Pro dat de rechter slechts twee opties heeft: óf herstel óf een billijke vergoeding; ‘meer smaken zijn er niet’. Ligt herstel niet in de rede, dan zal het ‘onrecht’ van de ten onrechte uitgesproken ontbinding met een zekere billijke vergoeding, hoe gering ook, rechtgezet moeten worden, zo stelt de cassatieadvocaat van de werknemer. Ter verdere bespreking van dit subonderdeel, ga ik na wat er tijdens de parlementaire behandeling van de Wwz over art. 7:683 lid 3 BW Pro is gezegd, wat er uit de literatuur naar voren komt, hoe de appelrechters deze kwestie benaderen en welke argumenten verder nog relevant kunnen zijn.
allegevallen gehouden zou zijn om een keuze tussen een van beide opties te maken. In de wettekst wordt immers niet gesproken van ‘óf… óf…’, maar is sprake van een ‘kunnen’ van de rechter in hoger beroep of na verwijzing in cassatie. Uit de letterlijke tekst van art. 7:683 lid 3 BW Pro kan dan ook niet worden afgeleid dat de rechter
verplichtis te kiezen tussen de twee genoemde opties. De bepaling kan ook worden uitgelegd als de omschrijving van een discretionaire bevoegdheid van de rechter: de rechter
kan(en hoeft dus niet) de arbeidsovereenkomst herstellen en
kan(en hoeft dus niet) een billijke vergoeding toekennen.
van de VVD-fractie vragen of de werknemer kan kiezen tussen het herstel of de vergoeding of dat hij eerst mag kiezen voor het een en als dat niet lukt voor het ander.
dankande rechter – de tweede mogelijkheid – aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen’(memorie van toelichting, p. 120), worden afgeleid dat sprake is van beslissingsruimte. Dat geldt temeer wanneer die zin wordt gelezen in samenhang met de volgende zin: ‘
Doet hij dit ambtshalve, dan doet hij er – teneinde voldoende geïnformeerd te zijn – verstandig aan partijen tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over (de wenselijkheid en hoogte van) de billijke vergoeding.’Indien toekenning van een billijke vergoeding
verplichtzou zijn als wordt afgezien van herstel van de arbeidsovereenkomst, zou het niet nodig zijn dat partijen zich moeten uitlaten over de wenselijkheid ervan. Ook de bewoordingen in de memorie van antwoord, ‘
in de hoogte van deze billijke vergoeding moet dan ook tot uitdrukking komen dat, de omstandigheden van het geval in ogenschouw nemend, de vergoeding een alternatief is voor het herstel van de arbeidsrelatie’,wijzen eerder op een discretionaire bevoegdheid van de rechter dan op een rechterlijke verplichting. De rechter kan, ‘
de omstandigheden in ogenschouw nemend’, immers ook oordelen dat geen, of een minimaal bedrag aan billijke vergoeding op zijn plaats is. Hier geldt hetzelfde als de Hoge Raad overwoog in de
Meriant-beschikking over de verplichting om bij herstel van de arbeidsovereenkomst ‘voorzieningen te treffen’ (onder rov. 3.3.2):
Steun aan die lezing biedt dat de uitdrukking ‘voorzieningen treffen’ inhoudelijk onbepaald is, en dat ook het bepalen dat over de periode van onderbreking geen, of slechts een minimale, betaling behoeft te worden verricht, kan worden beschouwd als een beslissing omtrent het treffen van een voorziening”. [16]
verplichtis om dat in die situatie te doen.
‘of de ander schade heeft geleden of zal lijden’. De rechter heeft bij de beoordeling daarvan een grote mate van vrijheid maar kan vergoeding van de schade niet
‘naar believen’achterwege laten. Uit het arrest volgt niet, zoals in het subonderdeel wordt gesuggereerd, dat na een kennelijk onredelijk ontslag altijd een schadevergoeding moet worden toegekend. Of, en zo ja, welke schade door de werknemer is geleden moet door de rechter worden vastgesteld. Evenmin blijkt uit het arrest dat sprake
moetzijn van ‘enige’ genoegdoening.
Nedlloyd-arrest. [35] In die zaak vorderden de ontslagen werknemers aanvankelijk herstel van de dienstbetrekking en pas in hoger beroep schadevergoeding als bedoeld in art. 7:1639s BW (oud). Door Nedlloyd werd aangevoerd dat die vordering was verjaard. De Hoge Raad oordeelde dat van verjaring geen sprake was, omdat de vordering tot herstel van de dienstbetrekking een vorm van schadevergoeding in natura is. Door herstel van de dienstbetrekking te vorderen was volgens de Hoge Raad tevens een eis tot schadevergoeding ingesteld (rov. 5.5). Dat de rechter bij een kennelijk onredelijk ontslag in alle gevallen schadevergoeding moet toekennen, ook als van schade geen sprake is, valt in het arrest niet te lezen.
Rutten/Breedbiedt geen aanknopingspunten voor de beantwoording van de voorliggende vraag. [36] In dat arrest is bepaald dat de begroting van de geleden schade dient plaats te vinden aan de hand van de begrotingsregels van Boek 6 BW. Uit het arrest volgt niet dat in het geval van kennelijk onredelijk ontslag
altijdschadevergoeding moet worden toegewezen, ook als geen schade is geleden.
Mediant-beschikking uit 2016. [37] De Hoge Raad overwoog daarin het volgende over art. 7:683 lid 3 BW Pro: [38]
3.12.2. Met de zojuist vermelde wijziging hangt samen dat art. 7:683 lid 3 BW Pro een nieuwe regeling bevat voor het geval de rechter in hoger beroep of na verwijzing oordeelt dat het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ten onrechte is toegewezen of dat het verzoek van de werknemer strekkende tot vernietiging van het ontslag op staande voet of tot herstel van de arbeidsovereenkomst, ten onrechte is afgewezen. In een zodanig geval kan de appelrechter of de verwijzingsrechter (de werkgever veroordelen om) de arbeidsovereenkomst (te) herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen.”
verplichtzou zijn om in
allegevallen een billijke vergoeding toe te kennen. Art. 7:683 lid 3 BW Pro geeft de appelrechter de ruimte om, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, in deze situatie te oordelen dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een billijke vergoeding. Weliswaar zal in de bedoelde situatie toekenning van een billijke vergoeding in beginsel op zijn plaats zijn, maar er zijn omstandigheden denkbaar zijn waarin dat anders ligt. Het bieden van ruimte aan de rechter om met inachtneming van alle bijzondere omstandigheden van het geval maatwerk te leveren, is in overeenstemming met de
Meriant-beschikking. [40] Wel dient de rechter in de motivering van zijn beslissing inzicht te geven in de omstandigheden die hem tot dat oordeel hebben geleid. [41]
rechtop een billijke vergoeding ontstaat op het moment dat de rechter de werkgever niet veroordeelt tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Het aannemen van een dergelijk recht, zonder dat dit duidelijk volgt uit de wettekst of duidelijk blijkt uit de wetsgeschiedenis, ligt niet in de rede.
4.De begroting van de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro
Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de Wwz”. [47] Het onderzoek draait om de vraag hoe in de praktijk toepassing wordt gegeven aan het criterium ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten’. Om die reden wordt geen aandacht besteed aan de billijke vergoeding die kan worden toegekend in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst (art. 7:681 lid 1 BW Pro en art. 7:683 lid 3 BW Pro); in die gevallen hoeft de rechter immers niet te beoordelen of sprake is van ernstige verwijtbaarheid. [48] Uit het rapport blijkt dat in de rechtspraak terughoudend wordt omgegaan met het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. [49] Er is dus een hoge drempel voor toewijzing van de billijke vergoeding, waarmee inderdaad sprake is van het ‘muizengaatje’, dat de regering voor ogen had. [50]
New Hairstyle-beschikking van 30 juni 2017 heeft de Hoge Raad een richtinggevende beslissing gegeven over de wijze waarop de billijke vergoeding dient te worden begroot. [53] In deze zaak ging het om de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW. In dat artikel is bepaald dat de rechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, of op zijn verzoek aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever de arbeidsovereenkomst in strijd met de regels van art. 7:671 BW Pro heeft opgezegd. In de
New Hairstyle-beschikking heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
New Hairstyle-beschikking blijkt dat het bij de begroting van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en sub a, BW uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (rov. 3.4.5). Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag, voor zover deze gevolgen zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever van het ontslag te maken verwijt (rov. 3.4.3). Concreet betekent dit dat de volgende gezichtspunten van belang kunnen zijn (rov. 3.4.4 en 3.4.5):
New Hairstyle-beschikking over de aard van de vergoeding – en dan met name het meewegen van de gevolgen van het ontslag – ook gelden voor de billijke vergoeding waarom het gaat in de onderhavige zaak, die van art. 7:683 lid 3 BW Pro.
New Hairstyle-beschikking), ernstige verwijtbaarheid bij de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro niet de grondslag voor die vergoeding vormt. Het zou bij de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro slechts gaan om de waarde van de (niet te herstellen) arbeidsovereenkomst. Zie in deze zin de wetsgeschiedenis: [54]
New Hairstyle-beschikking, rov. 3.4.2).
uitdrukkelijk niet een billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten [betreft]’, enige nuancering behoeft. De opmerking klopt (in beginsel) als het gaat om de billijke vergoeding die de appelrechter toekent in het geval hij oordeelt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden en de werkgever niet wordt veroordeeld tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Maar als het gaat om het oordeel dat de kantonrechter het verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging ten onrechte heeft afgewezen, is de opmerking niet volledig. In dat geval hangt de vergoeding immers óók samen met het (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, gelegen in opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd met de wettelijke regels.
uitsluitendde waarde van de verloren gegane arbeidsovereenkomst tot uitdrukking zal moeten komen. In ieder geval wanneer het gaat om het geval dat de appelrechter oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft afgewezen, zal in de billijke vergoeding ook de (mate van) verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever tot uitdrukking moeten komen.
alssprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, ook bij de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro de gevolgen van het ontslag voor de werknemer een rol mogen spelen. Anders gezegd: nu bij de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro niet reeds uit de wet voortvloeit dat steeds sprake is van ernstige verwijtbaarheid van de werkgever, zal dat van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Indien geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid, zal in de billijke vergoeding (slechts) tot uitdrukking komen dat deze een alternatief is voor herstel van de arbeidsovereenkomst. Indien wel sprake is van ernstige verwijtbaarheid, zullen ook de (overige) gevolgen van het ontslag, voor zover die zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever te maken verwijt, in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van de vergoeding. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de gezichtspunten van de
New Hairstyle-beschikking.
New Hairstyle-beschikking, nu er vanuit moet worden gegaan dat de overwegingen 3.4.1-3.4.3 op de billijke vergoeding in het algemeen zien en niet uitsluitend op de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW. [55] Daarmee zijn deze overwegingen ook relevant voor de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro, mits sprake is van de situatie dat ‘van de werkgever van het ontslag als zodanig een ernstig verwijt kan worden gemaakt’ (rov. 3.4.3).
New Hairstyle-beslissing, dat de gevolgen van het ontslag bij de vergoeding een rol kunnen spelen, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt.
New Hairstyleook relevant zijn voor andere billijke vergoedingen. Zo schrijft Verhulp schrijft in zijn noot in de NJ: [56]
New Hairstyle-criteria): [58]
Tot slot ben ik voorstander van reflexwerking van Hairstyle in ontbindingsprocedures. Ook in die procedures is een handvat nodig en bovendien verschillen ontbinding en onrechtmatig ontslag niet wezenlijk van elkaar in die zin dat in beide soorten zaken ernstige verwijtbaarheid is vereist voor het recht op de billijke vergoeding. Dat in art. 7:681-zaken de verwijtbaarheid als het ware gegeven is met het schenden van de ontslagvoorschriften, terwijl dat bij een ontbinding anders ligt, hoeft niet te betekenen dat de vergoeding niet op dezelfde wijze begroot kan worden.”
New Hairstyleook buiten art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en sub a, BW toepassing kunnen vinden. Zo worden de gezichtspunten toegepast bij toekenning van een billijke vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In mijn conclusie in de zaak
Zinzia Zorggroepzal ik nader ingaan op de billijke vergoeding in een ontbindingsprocedure. [60] Duidelijke voorbeelden van uitspraken waarin de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro wordt bepaald aan de hand van de
New Hairstylegezichtspunten, heb ik niet gevonden.
New Hairstyleontwikkelde gezichtspunten (zie onder 4.7). De in het subonderdeel aangehaalde literatuur en jurisprudentie laat ik verder onbesproken omdat deze dateren van vóór de
New Hairstyle-beschikking en daarmee grotendeels achterhaald zijn.
New Hairstyle-beschikking, namelijk van de nadere uitwerking van gezichtspunt a (zie onder 4.7).
subonderdeel cwordt aangevoerd dat, voor zover het niet toekennen van een billijke vergoeding gebaseerd is op het zich niet beschikbaar stellen voor arbeid door [verzoeker] , sprake is van een onbegrijpelijk oordeel, omdat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof blijkt dat hij zich wel degelijk beschikbaar heeft gesteld. Op de vraag of hij zich beschikbaar heeft gesteld heeft hij geantwoord:
“Ja, ik heb toen ook gemaild dat ik weer beschikbaar was.”Uit het proces-verbaal blijkt verder dat de voorzitter heeft gezegd:
“lastig is omdat u, [verzoeker] , hier graag wilt werken”. Vervolgens heeft zijn advocaat nog een keer gezegd:
“dat we waarschijnlijk de gang opgestuurd worden, maar [verzoeker] wil er echt weer werken”.