Conclusie
“het wrakingsverzoek gericht tegen de wrakingskamer […] buiten behandeling”is gesteld. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat met het tegen de wrakingskamer gerichte wrakingsverzoek misbruik wordt gemaakt van dit middel en dat de wrakingskamer het verzoek tot haar wraking buiten behandeling zal laten.
“of een wrakingskamer het eerste tegen haar gerichte wrakingsverzoek buiten behandeling mag laten indien zij vaststelt dat het verzoek moet worden aangemerkt als misbruik van de wrakingsregeling.” [3]
“feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade kan leiden.” [10]
herhaalde”, althans om meer [13] wrakingsverzoeken op grond van “
gepretendeerde nova”. Hieruit valt af te leiden dat indien nieuwe feiten en omstandigheden bekend zijn geworden nadat op het eerdere wrakingsverzoek is beslist, de bepaling van art. 8:18, vierde lid, Awb niet in beeld komt. Dit is in lijn met hetgeen in art. 8:16, vierde lid, Awb is bepaald en voorts in overeenstemming met de strafvorderlijke bepalingen aangaande de wrakingsbevoegdheid (art. 512-518 Sv).
de wrakingskamer met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb[kan]
bepalen dat een volgend verzoek in dezelfde zaak niet in behandeling wordt genomen. Anders dan in het Wrakingsprotocol van de rechtbank is opgenomen is het echter niet mogelijk een eerste verzoek in een bepaalde zaak zonder zitting wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid buiten behandeling te stellen.” [17]
nietniet-ontvankelijk mag verklaren zonder dat een zitting van de wrakingskamer heeft plaatsgevonden. Curieus is dat art. 3, tweede lid, eerste volzin van de hiervoor besproken regeling met deze uitspraak in strijd lijkt te zijn. Daarin is immers als uitgangspunt opgenomen dat de wrakingskamer – onder bepaalde voorwaarden – zonder een zitting te houden kan beslissen om een wrakingsverzoek niet te behandelen. Ik heb deze uitspraak hier opgenomen omdat zij op gespannen voet staat met de regeling, en ik mij dus afvraag of en in hoeverre deze uitspraak nog de geldende opvattingen van de CRvB weerspiegelt. Niettemin wordt er in de literatuur wel eens naar verwezen.
die zitting zullen hebben in de meervoudige kamer die het wrakingsverzoek van 30 maart 2012 zal behandelen” gewraakt, en daartoe naar voren gebracht “
dat hij zich niet kan verenigen met de afwijzende beslissing op zijn verzoek om uitstel van de zitting en de - naar aanleiding van de melding van verzoeker dat hij getuigen wenst te horen gedane - mededeling dat hij ter zitting kan toelichten om welke reden hij getuigen wenst te horen.” Hierop overwoog de wrakingskamer van de CRvB:
Wraking van een wrakingskamer is alleen mogelijk in uitzonderlijke situaties waarin de persoon van de rechter aan behandeling van een wrakingsverzoek door die rechter in de weg staat. Verzoeker heeft geen op de persoon van de rechters van de wrakingskamer betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waarin een bezwaar zou zijn gelegen tegen behandeling van het wrakingsverzoek van 30 maart 2012. Er is dan ook geen beletsel voor de wrakingskamer om zich over het verzoek om wraking van de behandelende rechters een oordeel te vormen.”
1. Het enkele feit dat verzoeker de President van de Raad om ontslag van mr. Z heeft verzocht, maakt niet dat deze op objectieve gronden niet onpartijdig moet worden geacht, dan wel dat diens partijdigheid op objectieve gronden redelijkerwijs kan worden vermoed.
In aanmerking genomen dat de wrakingsgrond niet ziet op de persoon van de rechters van de wrakingskamer en geldt voor elke wrakingskamer van de Raad, in welke samenstelling dan ook, kan het verzoek om wraking van de rechters van de wrakingskamer niet anders worden uitgelegd dan dat alle leden van de Raad worden gewraakt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is een verzoek om wraking van een rechterlijk college als zodanig geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van Pro de Awb ziet (zie onder meer de uitspraak van 22 mei 2013, LJN CA1191). De wrakingskamer ziet, gelet op de aard van het verzoek, geen beletsel om zelf in afwijzende zin op het tegen haar ingediende wrakingsverzoek te beslissen.” [19]
3. De Afdeling is voorts van oordeel dat [verzoeker] met zijn onder 2 weergegeven voorwaardelijke wrakingsverzoek van (leden van) de wrakingskamer de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen oneigenlijk gebruikt. Daarom zal de Afdeling op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van [verzoeker] van (leden van) de wrakingskamer in de onderhavige zaak niet in behandeling wordt genomen.” [20]
“of een wrakingskamer het eerste tegen haar gerichte wrakingsverzoek buiten behandeling mag laten indien zij vaststelt dat het verzoek moet worden aangemerkt als misbruik van de wrakingsregeling.”
geenruimte voor een positieve beantwoording van die vraag. In zoverre stemt deze regelgeving overeen met de wrakingsregeling in het Wetboek van Strafvordering, zoals door mij ook besproken in de vordering tot cassatie in het belang der wet waarop het voorliggende document een aanvulling is. Volgens deze regelgeving moet een wrakingsverzoek worden behandeld door een andere dan de gewraakte rechter, terwijl ingeval misbruik wordt vermoed het oordeel daarover niet toekomt aan de gewraakte rechter, maar aan de rechter die het verzoek tot wraking beoordeelt, niet zijnde de rechter tegen wie het verzoek tot wraking aanhangig is gemaakt. Indien de rechter die is geroepen tot oordelen over het verzoek om wraking daadwerkelijk misbruik van de wrakingsregeling constateert, kan alleen
dierechter bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.
zonder daartoe een zitting te houdenbeslist om een verzoek om wraking
niet in behandelingte nemen, terwijl art. 8:18, eerste lid, Awb daarentegen ongeclausuleerd bepaalt dat een verzoek om wraking (zo spoedig mogelijk)
ter zitting wordt behandeld, en het tweede lid, van art. 8:18 Awb Pro bepaalt dat de verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord. De condities voor toepassing van art. 3, tweede en derde lid, van de regeling hebben overigens op het eerste gezicht sterke overeenkomsten met gevallen van misbruik van de wrakingsprocedure.
mutatis mutandistoepassing wordt gegeven, zou de gewraakte wrakingskamer de behandeling van het tegen de wrakingskamer gerichte verzoek tot wraking in handen moeten stellen van wéér een andere rechter. Dat gebeurde hier niet. De wrakingskamers lieten het tegen die kamer zelf gerichte verzoek buiten behandeling c.q. wezen het verzoek af in essentie op inhoudelijke gronden. In twee van de vier gevallen werd tevens misbruik van de wrakingsprocedure geconstateerd. Dát was op zichzelf niet de aanleiding om het verzoek buiten behandeling te laten c.q. af te wijzen, doch gaf wel aanleiding voor toepassing van het bepaalde in art. 8:18, vierde lid, Awb (ten aanzien van opvolgende verzoeken). De notie van misbruik lag (ook) in de resterende twee gevallen overigens vrij evident besloten.
nietbuiten behandeling gelaten op de enkele grond van misbruik van de wrakingsregeling. Ofschoon de oplossingsrichtingen waarvoor de hoogste bestuursrechters kennelijk hebben gekozen daarmee niet in volle omvang overeenkomen met mijn voorstellen in de vordering tot cassatie in het belang der wet, zijnde een omstandigheid die de Hoge Raad ongetwijfeld in zijn overwegingen zal betrekken, zie ik wel degelijk steun voor mijn opvatting dat het (ongeschreven) procesrecht enige ruimte biedt voor het treffen van maatregelen die de letter van de wet in bepaalde mate te buiten gaan. Gelet op het voorgaande zie ik geen aanleiding tot wijziging van mijn standpunt zoals is verwoord in de op 13 maart 2018 gevorderde cassatie in het belang der wet. [21]