Conclusie
het wrakingsverzoek gericht tegen de wrakingskamer[…]
buiten behandeling” is gesteld. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat met het tegen de wrakingskamer gerichte wrakingsverzoek misbruik wordt gemaakt van dit middel en dat de wrakingskamer het verzoek tot haar wraking buiten behandeling zal laten.
dat de wet geen mogelijkheid biedt dat de wrakingskamer een eerste tegen haar ingediende wrakingsverzoek naast zich neerlegt en aldus zelf afdoet”.
1.Inleiding
dat er steeds vaker oneigenlijk gebruik of misbruik gemaakt wordt van het wrakingsinstrument, zowel door procespartijen [3] als door hun advocaten.” Ik citeer verder uit dit onderzoek:
Onder rechters heerst een algemeen gevoel dat het wrakingsinstrument steeds vaker wordt gebruikt om ‘zand in de machine te strooien’, dat wil zeggen dat het wordt gebruikt als een tactisch middel in de procedure dat vooral gericht is op het verkrijgen van uitstel, een beeld dat bevestigd wordt in de literatuur. Verder lijkt het wrakingsinstrument steeds vaker gebruikt te worden als een verkapt rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen en tussentijdse inhoudelijke keuzes van de rechter, met name wanneer daartegen geen andere rechtsmiddelen openstaan. Hoewel dit normaal gesproken zou moeten leiden tot afwijzing van het verzoek, lijkt dit partijen en hun vertegenwoordigers er steeds minder van te weerhouden om toch een poging tot wraking te wagen. Tot slot lijkt het wrakingsinstrument in sommige gevallen beschouwd te worden als een mogelijkheid tot het nemen van wraak op bepaalde rechters in verband met door hen genomen niet-welkome beslissingen.” [4]
mode om rechters in grote onderzoeken bij afwijzing van verzoeken van de verdediging te wraken op grond van partijdigheid, terwijl daarvoor geen steekhoudende argumenten zijn aan te voeren.” [7] Tevens wees hij daarbij toen reeds op de “
tendens processuele bevoegdheden niet alleen te gebruiken voor het doel waarvoor ze zijn gegeven, maar ook als een middel om andere doeleinden in de procedure te realiseren”. [8]
Wraking bottom-upvan Van Rossum, Tigchelaar & Ippel. [12] De cijfers uit dit onderzoek worden gebruikt in het discussiestuk
Wraking en verschoning van rechters, dat is opgesteld in het kader van het project Modernisering Wetboek van Strafvordering.
“[s]lechts een klein deel” van de verzoeken daadwerkelijk wordt toegewezen: “
in 2009 15 keer (3,6%), in 2010 21 keer (4,0%), in 2011 waren het er 36 (6,1%), en in 2012 42 (6,4%)”. Op basis van de cijfers uit het Jaarverslag Rechtspraak 2016 kom ik tot de volgende aanvulling: in 2013 21 keer (3,4%), in 2014 25 keer (4,0%), in 2015 32 keer (4,5%) en in 2016 25 keer (4,0%).
Wraking en verschoning van rechtersin het kader van het project
Modernisering Wetboek van Strafvordering. [17] Voor het jaar 2014 hebben Boulhouwers en Nan een vergelijkbaar onderzoek verricht, dat zich beperkte tot wrakingsverzoeken die in strafzaken zijn gedaan. Van de 107 wrakingsverzoeken werden er 9 toegewezen terwijl in 11 gevallen uitdrukkelijk misbruik werd vastgesteld. [18] Voor het jaar 2015 is in grofweg 10% van de wrakingsverzoeken in strafzaken dus vastgesteld dat de wrakingsregeling werd misbruikt.
Er worden gemiddeld immers ‘maar’ twee strafrechters per week gewraakt en jaarlijks gaat het om zo’n zeven wrakingen per gerecht. Dat zijn geen exorbitante cijfers.” [19] Toch is het aantal wrakingsverzoeken tussen 2007 en 2011 procentueel gezien verdubbeld. In percentages uitgedrukt werd in 2007 in 0,015% van de rechtszaken een wrakingsverzoek ingediend en in 2011 in 0,034%. [20] Of daarmee is gegeven dat de wrakingsprocedure ook vaker wordt misbruikt, is een andere vraag. Giesen, Kristen, Enneking & Van Lent menen kennelijk van wel wanneer zij opmerken dat het gegeven dat wrakingsverzoeken vaker worden ingediend maar niet vaker worden gehonoreerd, suggereert dat de wrakingsregeling steeds vaker “
oneigenlijk” wordt benut, zoals zij schrijven op basis van het door hen verrichte rechtsvergelijkend onderzoek naar de Nederlandse wrakingsprocedure dat ik hierboven aanhaalde. [21] Indien de wrakingsregeling “
steeds vaker ‘oneigenlijk’” wordt benut, dan zou ik verwachten dat het percentage toegewezen wrakingsverzoeken zou afnemen. Uit de hierboven weergegeven cijfers blijkt dat niet. Op basis van de voorhanden cijfers wijken ook de in het ‘recordjaar’ 2015 toegewezen wrakingsverzoeken in percentages uitgedrukt niet in negatieve zin af.
onheus wrakingsverzoek” te zien als een “
doelbewuste poging om het ambt van de desbetreffende rechter neer te halen” dat vergelijkbaar is met het opzettelijk doen van een valse aangifte en strafbaar zou dienen te zijn als ‘contempt of court’. [23]
2.De wettelijke regeling inzake misbruik van de wrakingsprocedure
wordtgenomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. Hiermee wil de wetgever voorkomen dat de verdachte het in de hand zou hebben de voortgang van de strafzaak zelf op te houden door steeds een wrakingsverzoek in te dienen. [24] Het tweede geval betreft het in artikel 515, vierde lid, Sv bedoelde geval van misbruik waarbij het gerecht
kan“
bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen.”
bijna lachwekkend slappe bepaling”. [25]
feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden”. Dit betreft een beoordeling van het moment waarop de ter wraking voorgedragen feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De rechter op wie het verzoek om wraking betrekking heeft, wordt hier
nietgeroepen te beoordelen of die feiten en omstandigheden afdoende redenen zijn om het verzoek om wraking toe te wijzen. Bij het tweede in de wet voorziene geval, als bedoeld in artikel 515, vierde lid, Sv, is zelfs een dergelijke (‘temporele’) beoordeling van de gronden van het verzoek om wraking niet aan de orde. In die situatie heeft het gerecht namelijk al beslist dat zich een geval van misbruik heeft voorgedaan. De feiten en omstandigheden die aan het wrakingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, worden in dat geval noch door de wrakingsrechter, noch door de gewraakte rechter beoordeeld.
elk van de rechters die een zaak behandelen”. Of een lid van de wrakingskamer kan worden gewraakt, is dan afhankelijk van de uitleg die wordt gegeven aan de frase ‘het behandelen van een zaak’. Aan het begrip ‘zaak’ wordt veelal een ruime uitleg gegeven, in die zin dat de term ‘zaak’ “
het oog heeft op een strafvervolging van een persoon ter zake van één of meer strafbare feiten.” [26] Bij een dergelijk ruime uitleg, behandelen ook rechters die een wrakingsverzoek beoordelen, een zaak in de zin van artikel 512, eerste lid, Sv. [27] De vraag is dus: moet de vigerende wrakingsregeling inderdaad zodanig ruim worden uitgelegd?
een rechter” (in het algemeen) en wel “
schriftelijk of, ter terechtzitting, mondeling”, dus niet langer uitsluitend ter terechtzitting.
elke bemoeiing”. In artikel 512 (oud) Sv was namelijk bepaald dat een rechter op zijn verlangen “
van elke bemoeiing in eene zaak" kon worden verschoond. Dit werd niet uitdrukkelijk gestipuleerd in het aan wraking gewijde artikel 516 (oud) Sv, maar daarover merkten Blok & Besier op dat er “
niet de minste reden[bestaat]
om de wraking niet toe te laten ter zake van eenigerlei bemoeiing, waarvan de rechter zich kan doen verschoonen.” [29]
elke bemoeiing”. De memorie van toelichting bij het voorgestelde artikel 481 Sv Pro (het latere artikel 516 (oud) Sv) wees erop dat in de bestaande wet niet geheel duidelijk was ten aanzien van welke rechterlijke ambtenaren de bepalingen omtrent verschoning en wraking golden en dat evenmin duidelijk bleek tot “
welke ambtsverrichtingen des rechters” de wraking of verschoning “
betrekkelijk kunnen zijn.” Hierop vervolgde de memorie van toelichting:
Om aan deze bezwaren tegemoet te komen is thans in de artt. 481 en 480 bepaald, dat de voorschriften omtrent verschooning en wraking toepasselijk zijn op iederen rechter, terwijl art. 493 onder Pro rechters in deze afdeeling ook begrijpt de raadsheren en de kantonrechters alsmede de raadsheeren-, rechters- en kanton rechters-plaatsvervangers, en is verder door de uitdrukking van elke bemoeiing aangegeven, dat de bepalingen gelden voor alle ambtsverrichtingen van den rechter, dus zoowel voor die ter terechtzitting, als voor die in het gerechtelijk vooronderzoek, en ook voor die verrichtingen, die aan een rechter of kantonrechter door den rechter-commissaris worden opgedragen.” [30]
aanbeveling wrakingsprotocol gerechtshoven en rechtbanken” wijst eveneens op de mogelijkheid (leden van) de wrakingskamer te wraken. [32] Aan wraking is bovendien een “
dossier” gewijd op de website van rechtspraak.nl waar wraking van de wrakingskamer als mogelijkheid wordt gegeven. [33]
rechtsgang van artikel 512” noemt hij een “
‘hogere voorziening’ […] tegen de beslissing op de wraking, waardoor er aan een apart hoger beroep, laat staan aan de mogelijkheid van cassatieberoep, geen enkele behoefte meer bestaat.” [34] De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep, onder verwijzing naar artikel 515, vijfde lid, niet-ontvankelijk.
andererechter dan de rechter waarop het verzoek betrekking heeft. Een rechter mag met andere woorden geen recht mag spreken in zijn eigen zaak. In de huidige wettelijke regeling komt dit uitgangspunt tot uitdrukking in artikel 515, eerste lid, Sv, waarin is bepaald dat het verzoek om wraking zo spoedig mogelijk wordt behandeld door een meervoudige kamer “
waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft.” Dit is echter niet altijd zo geweest.
in alle soort van strafzaken” gewraakt konden worden “
uit hoofde van bloedverwantschap of verzwagering met den beklaagde of beschuldigde, tot den graad van vollen neef ingesloten.” [35] , [36] Niet was voorgeschreven dat de gewraakte rechter was uitgesloten van de beraadslagingen omtrent het wrakingsverzoek.
De voorziene inwerkingtreding van dit wetboek van strafvordering werd opgeschort in verband met “
de uitgebarsten opstand in de zuidelijke gewesten.” [37] De “
Belgische omwenteling” vormde de aanleiding tot een herziening van het reeds aangenomen (doch nog niet in werking getreden) eerste Nederlandse wetboek van strafvordering. [38]
een enkel voorgeven van de wrakende partij den regter zijn radikaal niet kan ontnemen om het regters-ambt uit te oefenen”. [40] De Pinto erkende, net als Voorduin, het “
radicaal van rechter” [41] maar plaatste daarbij wel de kritische kanttekening dat het vanwege de “
kieschheid” en “
onpartijdigheid” meestal raadzaam zou zijn voor de rechter om niet te beslissen over het tegen hem gerichte wrakingsverzoek. [42]
tottoelichting bij het wetsontwerp dat zou leiden tot de wrakingsregeling van 1838, blijkt waarop Voorduin en De Pinto zich baseerden bij hun standpunt dat het enkele wrakingsverzoek de rechter niet reeds zijn “
radicaal” zou ontnemen. De memorie tot toelichting hield namelijk het volgende in:
5°. Dat de gewraakte regter niet van de raadpleging over de wraking wordt uitgesloten, omdat een enkel voorgeven van de wrakende partij den regter zijn radicaal niet kan ontnemen om het regters-ambt uit te oefenen, evenmin als eene exceptie van onbevoegdheid den regter verhindert over zijne eigene competentie te erkennen;
Van verschooning en wraking van regters” schreef voor dat leden van rechterlijke colleges die gewraakt worden zich op straffe van nietigheid onthouden van deelneming aan de beslissing over de verschoning of wraking. [44]
Geen regter moet ooit over zijne eigene zaak oordeelen. Uit dien hoofde is het hier niet aan den regter, die zich verschoonen wil of gewraakt wordt, overgelaten, of hij zich van de beslissing over de verschooning of wraking onthouden wil, gelijk art. 356 tweede Pro lid van het bestaande wetboek medebrengt, maar is hij tot onthouding, op straffe van nietigheid der uitspraak, waaraan hij mogt hebben deel genomen, verpligt.” [45]
alleen rechtspreekt of als eenig rechter bemoeiing in de zaak verricht”, werd in artikel 518, eerste lid, Sv “
aan hemzelven voorgedragen” en daarop werd “
door hem […] onverwijld beslist”.
Rechters die verklaard hebben zich te willen verschoonen of wier wraking wordt voorgedragen, onthouden zich, wanneer zij in een college zitting hebben, op straffe van nietigheid, van deelneming aan de beslissing over de verschooning of wraking.”
Art. 326, tweede lid, der bestaande wet laat het aan den gewraakten rechter over, of hij al dan niet aan de beoordeeling van en de beslissing over de te zijn aanzien voorgedragen wraking zal deelnemen. Dit systeem is in het algemeen niet goed te verdedigen; een rechter moet niet over zijn eigen zaak beslissen. Alleen ten aanzien van een alleen rechtsprekenden of onderzoekenden rechter is dit bezwaarlijk te vermijden, gelijk hiervoren is uiteengezet (bij art. 487). Daarom is hier bepaald, dat de in een college zitting hebbende rechter, op straffe van nietigheid, zich van deelneming aan de beslissing over zijn eigen verschooning of wraking moet onthouden. Een ander rechter zal dus moeten worden aangewezen om van de voordracht kennis te nemen en daarop te beslissen […].” [50]
Tegen de afwijzende beslissing van den alleen rechtsprekenden rechter of rechter-commissaris staat hooger beroep open, n.l. van die eens kantonrechters bij de rechtbank van zijn arrondissement en van die eens rechters-commissaris bij diens college. Dit is het eenige hooger beroep van beslissingen in zake wraking, dat het Ontwerp kent. Van die door een college gegeven is geen hoogere voorziening. Eene spoedige definitieve afdoening van het incident is wenschelijk opdat de strafzaak zelve zoo weinig mogelijk daardoor worde opgehouden; het hooger beroep van beslissingen in zake wraking, door den alleen rechtsprekenden of onderzoekenden rechter gegeven, vindt dan ook enkel hierin zijn grond, dat bij die beslissingen de rechter feitelijk recht spreekt in zijn eigen zaak.” [51]
dat een beslissing op het wrakingsverzoek wordt verkregen die voor alle betrokkenen uit procedureel oogpunt geen twijfels oproept.” [55] Om die reden werd een arrest vernietigd waarbij het wrakingsverzoek door het hof niet in behandeling werd genomen omdat het, zo oordeelde het hof, niet was ondertekend door een advocaat en zodoende niet was voldaan aan de eisen die aan een schriftelijk wrakingsverzoek worden gesteld (terwijl de man in de zaak over het gezag over een kind niet ter terechtzitting was verschenen zodat het verzoek niet alsnog mondeling kon worden gedaan). Met een beroep op artikel 39, eerste lid, Rv vernietigde de Hoge Raad ’s hofs arrest, onder meer op de grond dat de gewraakte raadsheer deel uitmaakte van de kamer die op het wrakingsverzoek had beslist.
5.De onderhavige zaak
dat cliënt met verwondering en verontrusting heeft kennisgenomen dat dezelfde voorzitter, wiens strafkamer de facto door het gerechtshof is teruggefloten in deze zaak, ook de ontnemingsprocedure zou leiden.” De rechtbank zou door het hof zijn “
teruggefloten” omdat de rechtbank bij de strafmotivering – ik vat de onderbouwing van het wrakingsverzoek van mr. Kooijman op dit punt samen – gewicht had toegekend aan een aantal strafverzwarende elementen welke naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk waren geworden.
Wanneer uw rechtbank deze conclusie van repliek toch zou willen toelaten in de procedure, zal ik cliënt – mede gelet op de eerdere situaties – moeten adviseren om een wrakingsverzoek te overwegen.”
per omgaande” zijn verhinderdata te overleggen:
HERINNERING” aan de raadsman verzocht “
per ommegaande, doch uiterlijk 30 november 2015” zijn verhinderdata te overleggen voor de periode december 2015 en januari 2016.
cliënt en ik aanwezig kunnen zijn op de volgende data”:
niet onafhankelijk” en “
ernstig in strijd met het recht” behandelt.
het tegen haar gerichte wrakingsverzoek uitsluitend wordt gebaseerd op een voor verzoeker niet welgevallige processuele beslissing en slechts als doel kan hebben om alsnog een verdaging van de vastgestelde behandeling van zijn wrakingsverzoek te bewerkstelligen. Het middel van wraking is daarvoor niet bedoeld.”
en zal worden bepaald als hierna in het dictum vermeld. Vanwege dit misbruik, dat zal de wrakingskamer tevens bepalen, dat volgende wrakingsverzoeken tegen de wrakingskamer eveneens buiten behandeling zullen blijven.”
dat het tegen de wrakingskamer ingediende wrakingsverzoekinderdaadverband hield met de niet welgevallige processuele beslissing van de wrakingskamer en dat dit wrakingsverzoekinderdaad(vanzelfsprekend) ten doel had te bewerkstelligen dat het eerste wrakingsverzoek zou worden behandeld op een van de vele mogelijke data in januari.” [60] Betwist wordt echter dat dit “
uitsluitend” en “
slechts” de overwegingen waren voor het verzoek tot wraking van de wrakingskamer.
en zal worden bepaald als hierna in het dictum vermeld. Vanwege dit misbruik, dat zal de wrakingskamer tevens bepalen, dat volgende wrakingsverzoeken tegen de wrakingskamer eveneens buiten behandeling zullen blijven.”
Wordt de wraking op de terechtzitting voorgedragen, dan kan de rechter ingeval van klaarblijkelijk misbruik, bepalen dat volgende voordrachten tot wraking niet ontvankelijk zullen zijn.”
klaarblijkelijk” misbruik betreft.
Het is den Raad van State niet bekend of de practijk tot het voorstellen van deze bepaling aanleiding heeft gegeven. Hij merkt hierbij echter op dat het begripklaarblijkelijk misbruik
voor zeer verschillende opvattingen vatbaar is en dat de toepassing van het voorschrift ook eene voordracht tot wraking zal kunnen treffen welke op haar zelf gegrond is.” [62]
De strekking van de nieuwe voorgestelde bepaling van het vierde lid is op zich zelf duidelijk. De verdachte moet het niet in zijne macht hebben, door zonder ophouden voordrachten tot wraking te doen, de behandeling der zaak onmogelijk te maken.” [63]
op zich zelf duidelijk” is, zou de indruk kunnen wekken dat daarmee wordt gereageerd op de kritische kanttekening van de Raad van State, maar dat is niet het geval. Het is eerder andersom. Een voorschrift met dezelfde inhoud was namelijk opgenomen in het voorstel van de Staatscommissie. De daarbij opgenomen toelichting was identiek aan de tekst die in de memorie van toelichting is opgenomen. [64] De kanttekening van de Raad van State, dat klaarblijkelijk misbruik “
voor zeer verschillende opvattingen vatbaar is”, is dus ogenschijnlijk een reactie op de opmerking in de memorie van toelichting die door de Staatscommissie was opgesteld (“
op zich zelf duidelijk”) en voor advies was voorgelegd aan de Raad van State.
klaarblijkelijk misbruik” wordt aangemerkt: het “
zonder ophouden” wrakingsverzoeken te doen waardoor “
de behandeling der zaak onmogelijk” wordt gemaakt.
kennelijk misbruik” in “
misbruik” is tijdens de parlementaire voorbereiding niet toegelicht.
Het vierde lid biedt de rechtbank een effectief middel om misbruik tegen te gaan. De bepaling kan zowel dienst doen bij herhaalde verzoeken om wraking jegens een zelfde rechter op grond van gepretendeerde nova alsook bij gelijktijdige of opeenvolgende verzoeken ten aanzien van meer rechters.” [65]
herhaalde verzoeken om wraking jegens een zelfde rechter op grond van gepretendeerde nova”. Daarnaast wordt in de memorie van toelichting onderkend dat niet opeenvolgende, maar gelijktijdig ingediende wrakingsverzoeken als misbruik zouden kunnen worden aangemerkt. Beide gevallen van misbruik hebben het meervoudige karakter gemeen. Een eerste, enkele wrakingsverzoek wordt hier niet als misbruik aangemerkt.
Dit artikel regelt de vereisten waaraan een verzoek moet voldoen. Het bevat onder meer de nodige waarborgen tegen chicaneus gebruik van de bevoegdheid van partijen.
chicaneus gebruik van de bevoegdheid” de rechter te wraken, als misbruik kan worden aangemerkt en dat dit chicaneus gebruik kan bestaan uit opeenvolgende verzoeken.
zonder ophouden voordrachten tot wraking” en “
herhaalde verzoeken om wraking jegens een zelfde rechter”). Deze omschrijving van misbruik past niet zonder meer op het onderhavige verzoek om wraking van de wrakingskamer, aangezien in casu dit het eerste verzoek was dat betrekking had op (rechters in) de wrakingskamer, terwijl daaraan één wrakingsverzoek vooraf was gegaan, te weten het verzoek om wraking van mr. Kooijman. De duidelijkste verruiming van gevallen van misbruik is gegeven in de memorie van toelichting bij artikel 515, vierde lid, Sv, zoals dat luidt sinds 1 januari 1994, nu daarin ook is gewezen op “
gelijktijdige of opeenvolgende verzoeken ten aanzien van meer rechters”. Waarin het misbruik of chicaneus gebruik van de bevoegdheid dan precies is gelegen, is daarbij echter niet vermeld.
Ablehnung”) van een rechter als ontoelaatbaar (“
unzulassig”) verwerpt indien met het wrakingsverzoek klaarblijkelijk het proces slechts vertraagd wordt of daarmee slechts doeleinden worden nagestreefd die niets met de wrakingsprocedure van doen hebben. Het oogmerk van vertraging is in de rechtspraak aangenomen ingeval het wrakingsverzoek uitsluitend een vertraging van de behandeling van de hoofdzaak ten doel heeft. [67]
Das Gericht verwirft die Ablehnung eines Richters als unzulässig, wenn […] 3. durch die Ablehnung offensichtlich das Verfahren nur verschleppt oder nur verfahrensfremde Zwecke verfolgt werden sollen.”
Rechtsmissbrauch” komen voornamelijk neer op wat wij in goed Nederlands ‘détournement de pouvoir’ zouden noemen. In een artikel dat wordt gezien als richtinggevend over rechtsmisbruik in het Duitse strafprocesrecht, geeft Weber in feite de volgende maatstaf bij het beschrijven van een aspect van de toenmalige praktijk:
Die Wahrnemung prozessualer Befugnisse dient diesen Angeklagten und ihren Verteidigern mit anderen Worten häufig nur als äußeres Kleid für die Verfolgung von in Wahrheit verfahrensfremden Zielen.” [72]
die grob zweckwidrige Verwendung von prozessualen Befugnissen.” [73]
Der Mißbrauch beginnt erst dort, wo der Inhaber eines Rechts dieses Recht zu einem verletzenden Instrument umfunktioniert, statt es als das hilfreiche Instrument, das es ‘eigentlich’ ist, zu gebrauchen”. [74]
Ausstand”, hetgeen zowel de verschoning als de wraking omvat, voorziet niet in een bijzondere wijze van afdoening van wrakingsverzoeken die als rechtsmisbruik worden beschouwd. Net als in de Nederlandse regeling, heeft de gewraakte functionaris of rechter zich niet te bemoeien met de beslissing op een wrakingsverzoek. [75]
Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.”
“dat het tegen haar gerichte wrakingsverzoek uitsluitend wordt gebaseerd op een voor verzoeker niet welgevallige beslissing en slechts als doel kan hebben om alsnog een verdaging van de vastgestelde behandeling van zijn wrakingsverzoek te bewerkstelligen”. Deze overweging sluit naadloos aan op Duitse wetgeving en rechtspraak, Zwitserse rechtspraak en op ‘détournement de pouvoir’ als – ook hier te lande geldend – beginsel van een behoorlijke procesorde. Ik meen dat dit oordeel van de rechtbank geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘misbruik van recht’. Het oordeel van de rechtbank hieromtrent acht ik evenmin onbegrijpelijk gelet op de feiten en omstandigheden die ik in § 5.3 uiteen heb gezet.
allgemeine Missbrauchsverbot”. In zijn oordeel van 11 augustus 2006 overwoog het Bundesgerichtshof in dit verband het volgende:
Auch im Strafprozess gilt – ebenso wie in anderen Prozessordnungen – ein allgemeines Missbrauchsverbot. Zwar enthält die Strafprozessordnung keinen generellen Missbrauchstatbestand. Jedoch sind in ihr Sonderfälle[...]
geregelt. Der Gedanke der Verhinderung eines Rechtsmissbrauchs liegt auch den Vorschriften der § 26 a Abs. 1 Nr. 3[...]
zugrunde (vgl. Meyer JR 1980, 219 f.). Für andere Fälle des Missbrauchs prozessualer Befugnisse im Strafverfahren, die der [Gesetzgeber] nicht ausdrücklich geregelt hat, gilt – wie in jedem Prozess – das allgemeine Missbrauchsverbot”. [81]
Die Vorschrift bezweckt die Beschleunigung des Verfahrens und soll dem Missbrauch des Ablehnungsrechts entgegenwirken sowie im Falle eines unzulässigen Ablehnungsgesuchs verhindern, dass zur Entscheidung hierüber die Hauptverhandlung unterbrochen oder gar ausgesetzt werden muss.” [82]
Schliesslich ist beim Gesuchsteller[verzoeker tot wraking, D.A.]
– wie bei jedem Rechtsuchenden überhaupt – ein loyales Verständnis fur das von ihm ausgeübte Rechtvorauszusetzen; der Rechtsschutz wird ihm nur gewahrt, wenn er von seinen Rechten in der vom Gesetzgeber verstandenen Art Gebrauch macht.” [83]
fehlt […] an der Geltendmachung geeigneter Ausstandsgründe”, zodat de ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het voeren van een wrakingsprocedure ontbreekt. [84]
impartial tribunal”. Die verplichting geldt echter volgens het EHRM uitsluitend indien de onafhankelijkheid van de rechter “
is disputed on a ground that does not immediately appear to be manifestly devoid of merit.” [87] Artikel 6 EVRM Pro dwingt dus, althans zo begrijp ik het EHRM, niet tot de behandeling van een verzoek om wraking dat klaarblijkelijk (manifest) van elke grond is ontbloot.
nietdeelnamen aan de beraadslagingen van het wrakingsverzoek dat op hen persoonlijk betrekking had, namen de gewraakte leden wél deel aan de beraadslagingen over het wrakingsverzoek dat op hun
collega-leden betrekking had, ofschoon de gronden die aan de wrakingsverzoeken ten grondslag waren gelegd in alle gevallen (vrijwel) gelijkluidend waren. [89]
The participation of judges in a decision concerning challenges against one of their colleagues can pose problems if identical challenges have been directed against them. But the special circumstances of the present case must be taken into account. Dr Debled had challenged several members of the Appeals Board; their exclusion from all the decisions concerning those challenges would have paralysed the whole disciplinary system. He based each of his complaints concerning the challenged members on almost identical grounds, which were general and abstract in nature and were inferred from their membership of the medical unions or their alleged connections with the unions. No reference was made to specific, material facts that could have revealed personal animosity or hostility towards him. Such vague objections cannot be regarded as well-founded […]”. [90]
immediately appear to be manifestly devoid of merit”).
komend verzoek” niet in behandeling zal worden genomen dan wel “
een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter” niet in behandeling zal worden genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
8.Slotsom
kunnenaanmerken als misbruik van de in artikel 512 Sv Pro gegeven bevoegdheid om een rechter te wraken, nu dat verzoek uitsluitend werd gebaseerd op een voor verzoeker niet welgevallige beslissing en slechts als doel kon hebben alsnog een verdaging te bewerkstelligen van de vastgestelde behandeling van een eerder gedaan wrakingsverzoek. De vaststellingen van de rechtbank wijzen uit dat hetgeen met het verzoek werd beoogd niet overeenkwam met de ratio van de bevoegdheid tot wraking, te weten de waarborging van het recht op berechting door een onafhankelijk gerecht. Ten derde: de rechtbank heeft het verzoek om wraking buiten behandeling kunnen laten omdat het geen wrakingsverzoek betrof als bedoeld in de artikelen 512 e.v. Sv. Het verzoek werd weliswaar gepresenteerd als verzoek om wraking, maar inhoudelijk was het verzoek in feite een bezwaar tegen de afwijzing door de wrakingskamer van een verzoek tot aanhouding van de behandeling van een eerder wrakingsverzoek.
9.Middelen van cassatie
elk van de rechters die een zaak behandelen”. De rechter die deel uitmaakt van de meervoudige kamer die het verzoek om wraking behandelt als bedoeld in artikel 515, eerste lid, Sv kan echter
nietworden aangemerkt als een rechter die een zaak behandelt als bedoeld in artikel 512 Sv Pro.
volgend verzoek” om wraking. Het andere geval van misbruik waarop het bepaalde in artikel 513, vierde lid, Sv betrekking heeft, doet zich evenmin voor omdat dit betrekking heeft op een volgende verzoek om wraking van dezelfde rechter en de wrakingskamer in de onderhavige procedure nog niet was gewraakt. Naast deze twee gevallen voorziet de wet niet in de mogelijkheid om misbruik vast te stellen zodat de rechtbank het verzoek om wraking niet als misbruik heeft mogen kwalificeren.
een volgend verzoek” niet in behandeling wordt genomen, en (dus) niet in de mogelijkheid het eerste verzoek om wraking buiten behandeling te laten. In zoverre heeft de rechtbank het bepaalde in artikel 513, vierde lid, Sv geschonden.