Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ontstaan van 38 (handels)crediteuren voor een bedrag van € 176.000,- niet heeft betwist en evenmin tegen (ii) het oordeel dat het op de weg van JBF lag om summierlijk aannemelijk te maken dat deze crediteuren/schulden er thans niet meer zijn.
Mr. Vles verklaart: ik weerspreek de pluraliteit van schuldeisers, verweerder heeft slechts één crediteur. De vordering(en) van de bank is voldaan en er is geen personeel. Op de rekening van verweerder staat een positief saldo van € 20.000,- en volgens een door de accountant ondertekende verklaring is de zaak opgeschoond. (…)
productie 4). Van mogelijke steunvorderingen is niet gebleken.”
Mr. Vles: (…) In essentie wordt door Dekker gezegd dat de verklaring van de accountant niet voldoende bewijs zou zijn. Deze verklaring is onder tijdsdruk opgesteld. Ik heb in de verklaring zelf 2 stukken zwart gemaakt. Daaronder staat hoe is opgeschoond (…)
onderdeel 3geldt de vorige klacht eens te meer, nu het hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op een verklaring ter zitting in hoger beroep van [betrokkene 2] in diens hoedanigheid van ‘informant’, “die toen heeft aangegeven het bewuste bewijs ter plekke te kunnen overleggen.” Nu het hof zich ter zitting heeft bediend van deze informant, valt in redelijkheid niet in te zien hoe dan toch nog diens genoemde aanbod tardief heeft kunnen zijn, aldus het onderdeel. In de toelichting op het onderdeel [32] wordt verwezen naar een bij het cassatieverzoekschrift gevoegde verklaring van [betrokkene 2] .
Voorzitter: U zegt dat u alles kunt bewijzen, maar het moet hier vandaag gebeuren.