Conclusie
verrekeningex art. 53 Fw Pro met betrekking tot haar tegenvordering verliest. Dat is in mijn ogen processueel een andere vraag dan die of de curator dan een
rechtsvorderingop [eiseres] behoudt. Inhoudelijk zie ik de klachten evenwel ook niet opgaan.
Unidek/HDI), waarin is uitgemaakt dat een procedure die is aangevangen vóór het tijdstip van ontbinding en vereffening van een rechtspersoon, in sommige omstandigheden ook kan worden voortgezet als de vereffening inmiddels is geëindigd.
8. De uitspraak
3.Procesverloop en klachten in cassatie
Het eerste onderdeel in de procesinleiding in cassatie (PI) onder 2-4 richt zich met een
rechts-, althans motiveringklacht tegen rov. 4.6 van het tussenarrest (hiervoor geciteerd in 2.5): ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, zou het hof er aan voorbij zijn gegaan dat [eiseres] zich voor verrekening ex art. 53 Fw Pro niet alleen heeft beroepen op de door haar gestelde, maar door het hof na bewijslevering onbewezen geachte 30%-kortingstoezegging zijdens haar leerleverancier op facturen voor volgens [eiseres] gebrekkige leerleveringen, maar ook en wel als alternatief daarvoor op schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkomingen in die leveringen ten bedrage van € 48.721,86. Die grondslag heeft het hof volgens de klacht niet onbesproken mogen laten, althans niet zonder nadere toelichting. Volgens de PI onder 3 en 4 doet hetgeen in rov. 4.9 van het tussenarrest is overwogen daar niet aan af.
Het tweede onderdeel in de PI onder 5 klaagt voorwaardelijk dat wanneer rov. 4.9 van het tussenarrest betrekking zou hebben op die schadevorderingsgrondslag, het hof het beroep op verrekening in de zin van art. 53 Fw Pro van [eiseres] niet zonder bewijslevering heeft kunnen afdoen, althans niet met de overweging dat hier sprake is van òf een onvoldoende feitelijke onderbouwing, òf een onvoldoende gespecificeerde of duidelijke rechtsgrond; dat is in de visie van [eiseres] geen toereikende motivering.
De derde “althans”-klacht in de PI onder 6 is dat [eiseres] in het eindarrest ten onrechte is veroordeeld in de kosten van beide instanties, omdat de vordering van de curator in eerste instantie terecht is afgewezen en vervolgens in appel alleen na eisvermeerdering is toegewezen, zodat het hof de proceskosten van de eerste aanleg voor rekening van de curator had moeten laten.
4.Voortzetting na schorsing
alleen danworden voortgezet in geval van betwisting van de verificatie van de vordering door de curator (art. 112 Fw Pro) of door een schuldeiser (art. 119 lid 1 Fw Pro) [9] . Betwisting door de gefailleerde (art. 126 Fw Pro) is hier niet onder begrepen [10] . Dit volgt ook al uit de laatste zin van art. 29 Fw Pro, waarin staat dat hij die de betwisting doet in de plaats van de gefailleerde treedt.
tijdenshet faillissement niet denkbaar [15] , omdat de inzet van een voortgezette procedure dan juist zou zijn of de vordering in het faillissement kan worden erkend [16] .
Nadathet faillissement door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst tot een einde was gekomen, eindigde de toepasselijkheid van het regime uit de Faillissementswet [18] en verviel ook de grond voor schorsing van het geding uit hoofde van art. 29 Fw Pro. Een automatische voortzetting van de tot dan toe geschorste zaak volgt niet zonder meer [19] , [20] . Dat in onze situatie de procedure kán worden voortgezet blijkt – impliciet – uit de rechtspraak van Uw Raad [21] . Een belangrijke vraag voor voortzetting is of de vordering tijdens het faillissement al dan niet is betwist door de (ex-)failliet.
kracht van gewijsdeheeft tegen de schuldenaar en daarmee in het faillissement
onherroepelijk vaststaatten opzichte van medecrediteuren, de curator en de failliet. Opgemaakt in de vorm van een grosse [22] levert dat ook een executoriale titel op tegen de schuldenaar (art. 196 Fw Pro) [23] , tenzij de vordering door de failliet conform art. 126 Fw Pro is betwist (art. 197 Fw Pro) [24] . Uit de wetsgeschiedenis van art. 196 Fw Pro blijkt dat met deze executoriale titel die het p-v van de verificatievergadering oplevert eventuele daarvóór verkregen executoriale titels hun gelding verliezen [25] . In de literatuur wordt daar bij aangetekend dat deze bepaling alleen voor faillissementen van natuurlijke personen zou gelden, omdat een rechtspersoon na beëindiging van het faillissement wordt ontbonden [26] , maar dat behoeft naar ik meen enige nuancering in situaties als in onze zaak, zoals ik hierna in 4.11-4.14 zal bespreken.
N/ABN AMRO Bankis uitgemaakt dat de erkenning van een vordering in het p-v van een verificatievergadering op één lijn te stellen is met de toewijzing van een vordering in een rechterlijk vonnis, althans wanneer de schuldenaar die vordering niet heeft betwist [27] . Net als een rechterlijk vonnis geeft het p-v door de waarborgen waarmee de verificatie is omringd voldoende zekerheid voor het bestaan en vaststaan van de vordering [28] . Dat lijkt mij te impliceren dat de met een rechterlijke uitspraak op één lijn te stellen verificatie vastgelegd in het p-v van de verificatievergadering leidt tot
gezag van gewijsdevan die verificatie in onze zaak in de zin van art. 236 Rv Pro, zo nodig naar analogie [29] , zodat aan het p-v bindende kracht toekomt in een procedure tussen dezelfde partijen over dezelfde rechtsbetrekking [30] , indien daar beroep op wordt gedaan (vgl. art. 236 lid 3 Rv Pro).
[…] /Peeters q.q. [31] voor een beroep op verrekening krachtens art. 53 Fw Pro indiening ter verificatie van de verrekenen vordering geen vereiste is. Weliswaar heeft de curator in s.t. 7 een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van de erkenning van zijn vordering ter verificatievergadering en dat zou in mijn ogen, zoals in 4.8 uiteengezet, hier inderdaad op kunnen gaan bij een “gewone” rechtsvordering, maar of dat ook geldt bij een (potentieel) beroep op verrekening krachtens art. 53 Fw Pro door [eiseres] , lijkt mij gelet op evengenoemd arrest zeer de vraag; ik denk het niet. Misschien hoeven wij ons hier niet nader ons hoofd over te breken, omdat de klachten volgens mijn nu volgende analyse inhoudelijk niet opgaan in deze zaak, maar ik wil dit als voor de praktijk van belang zijnde punt wel gesignaleerd hebben.
Unidek/HDIwaarin is beslist dat een procedure die is aangevangen vóór het tijdstip van ontbinding en vereffening van een rechtspersoon kan worden voortgezet, ook als de vereffening inmiddels is geëindigd [33] . In die zaak was geen sprake van faillissementsvereffening [34] en de uitspraak heeft als grondslag art. 2:23c lid 1 BW [35] . Die bepaling is niet van toepassing op vereffening in faillissement (art. 2:23a lid 5 BW) [36] . Het is zodoende een argument
per analogiam.
X/Westdeutsche Landesbank Girozentrale(zie hiervoor, 4.6) [37] . Vanwege afdoening met toepassing van art. 81 RO Pro is dit niet met zoveel woorden uit dit arrest af te leiden en in de conclusie van A-G Strikwerda worden de mogelijke gevolgen van de werking van art. 2:19 lid 6 BW Pro niet besproken. Wessels [38] meent dat voortzetting niet kan met een beroep op een arrest van het Hof Leeuwarden [39] , waarin op grond van art. 29 (eerste volzin) Fw werd geoordeeld dat voortzetting van het geding niet mogelijk was. Dat lijkt mij echter geen juiste redenering in onze situatie; dit artikel geldt
tijdenshet faillissement, maar toch niet
nadathet faillissement is geëindigd (zie hiervoor 4.5-4.6). Volgens mij is procedurele voortzetting in bepaalde omstandigheden ook mogelijk nadat het faillissement is geëindigd en de rechtspersoon na vereffening is opgehouden te bestaan.
Unidek/HDImoet in mijn ogen (anders dan de curator betoogt bij s.t. 10-11; dit lijkt mij overigens een open vraag) worden aangenomen dat [eiseres] hier kon doorprocederen. De rechtspersoon [eiseres] is weliswaar tot een einde gekomen gelet op de regeling in Titel 1 van Boek 2 BW, maar de vóór de ontbinding en vereffening aanhangig gemaakte procedures zijn daarmee niet geëindigd [40] . Een processueel voortbestaan blijft gewenst om de mogelijkheid van een eventuele heropening van een vereffening (art. 194 Fw Pro [41] ) te kunnen realiseren [42] . Art. 194 Fw Pro heeft ook betrekking op onzekere baten [43] , zoals een bate die althans potentieel uit deze procedure zou kunnen voortkomen. Ook de schuldenaar zelf kan heropening van de vereffening verzoeken volgens art. 194 Fw Pro [44] . Gelet hierop zou [eiseres] na het einde van haar faillissement moeten kunnen doorprocederen, al was het maar om te debatteren over de vraag of betwisting van de nu in geschil zijnde vordering in faillissement door haar heeft plaatsgevonden (of om alsnog haar verrekeningskwestie te berde te kunnen brengen), zodat de gevolgen van de erkenning na afloop van de vereffening kunnen worden voorkomen (art. 197 Fw Pro) [45] , [46] . Dat [eiseres] in deze procedure niet betoogt dat zij deze vordering heeft betwist, doet wat mij betreft niet af aan dit uitgangspunt dat er een gerechtvaardigd belang kan zijn bij doorprocederen. Er zijn aanwijzingen in de rechtspraak dat een ontbonden rechtspersoon als gedaagde of verweerder kan optreden ook zonder dat eerst de vereffening is heropend of bevolen [47] . In deze zin is het einde van de rechtspersoon dan ook relatief [48] , [49] . Onder (uitzonderlijke) omstandigheden is al eens uitgemaakt dat art. 2:23c BW in stelling kan worden gebracht in gevallen waarin het faillissement is geëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst [50] . Ik memoreer ten slotte dat in
X/Rabobankuit 2020 [51] art. 2:23c lid 1 en art. 194 Fw Pro zijn vergeleken (rov. 3.5.1) [52] , waarbij ondanks de niet-rechtstreekse toepasselijkheid in faillissement (art. 2:23a lid 5 BW) een met art. 2:23c lid 2 BW vergelijkbare verjaringsregel is aangenomen (rov. 3.5.2-3.5.3) [53] . In zijn conclusie vóór dat arrest schrijft A-G Assink [54] :