Conclusie
Overzicht
BNB2011/215. De Staatssecretaris ziet kennelijk ofwel een omgekeerde discriminatie naar nationaliteit (ongunstiger behandeling van eigen onderdanen) die door het EU-recht niet wordt verboden, ofwel een
Van Hilten-van der Heijden [2] -geval, waarin degene die Nederland verlaten heeft, niet slechter wordt behandeld dan degene die onder overigens gelijke omstandigheden in Nederland is gebleven. Belanghebbendes geval is echter vergelijkbaar noch met dat van een ingezetene die in Nederland wordt aangeworven, noch met
Van Hilten-Van der Heijden. Hij heeft immers – anders dan in een puur intern geval - van zijn EU-verkeersrechten gebruik gemaakt door duurzaam in München, Duitsland, te gaan wonen en werken en hij is vervolgens – anders dan
Van Hilten-Van der Heijden- in 1997 vanuit die andere EU-lidstaat door het EOB aangeworven en naar Nederland terugverhuisd om daar betaalde arbeid te aanvaarden. Volgens de vaste
Knoors [3] -rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) verkeerde hij daarmee in dezelfde situatie als een niet-Nederlandse EU-burger die vanuit een andere lidstaat wordt aangeworven door het EOB en die zich kan beroepen op art. 45 VwEU Pro.
Evans [4] - en
Kadi [5] -arresten van het HvJ EU, inhoudende dat het EU-recht moet worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht dat deel uitmaakt van de rechtsorde van de EU en dat de EU-instellingen bindt. Het volkenrecht waarnaar de Staatssecretaris verwijst, ziet echter op diplomatieke ambtenaren en niet op werknemers van een internationale organisatie. Er is geen regel van volkenrecht die ertoe noopt om EOB-personeel fiscaal hetzelfde te behandelen als diplomatiek personeel of om Nederlands onderdanen of DV-statushouders die voor internationale organisaties werken (volledig) aan box 3 te onderwerpen.
Gilly-arrest van het HvJ EU en op het OESO-Modelbelastingverdrag.
Gilly-arrest valt dat ook niet af te leiden. Het zegt slechts dat het niet onredelijk is dat de lidstaten zich bij de onderlinge verdeling van hun heffingsbevoegdheden laten leiden door het OESO-Model en dat nationaliteit als aanknopingscriterium voor de uitoefening van heffingsjurisdictie daarbij niet verboden, want op zichzelf neutraal is. In ons geval is echter geen sprake van verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten, maar van (niet-)vrijstelling door één enkele lidstaat, Nederland. Het EOB noch enige andere lidstaat belast immers het box 3 inkomen van Nederlands ingezeten EOB-werknemers. Met het Hof meen ik daarom dat het onderscheid naar nationaliteit niet gerechtvaardigd kan worden door een – immers niet-bestaande - noodzaak van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten, noch tussen Nederland en het EOB, dat geen heffingsjurisdictie uitoefent.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
Directorate Advisorde rang A4(2).
BNB2011/251 en de in dat arrest aangehaalde kamerbrief (
Kamerstukken II2004/05, 30 178, nr. 1, p. 10-11; zie 7.4 van de bijlage). Weliswaar verschilt belanghebbendes situatie van die van de belanghebbende in HR
BNB2011/251 omdat hij (i) vanuit het buitenland is aangeworven en (ii) een zodanig hoge rang heeft dat hij niet onder art. 37(2) maar onder art. 34 Verdrag Pro van Wenen valt, dat, anders dan art. 37(2), onderdanen van de ontvangende staat niet uitsluit, maar dat acht het Hof niet doorslaggevend omdat verschil (i) belanghebbendes bijzondere band met Nederland niet wegneemt en verschil (ii) niet relevant is omdat dat diplomaten vrijwel nooit onderdaan zijn van de ontvangende staat:
BNB2011/251; zie onderdeel 8.2 van de bijlage; PJW] geoordeeld dat zowel de uitzondering in artikel 37, lid 2, van het Verdrag van Wenen als die in artikel 10, lid 6, van de Zetelovereenkomst wordt verklaard door “de band die deze personen hebben met de ontvangende staat, en die rechtvaardigt dat deze staat die personen in de belastingheffing betrekt”. De band van Nederlandse onderdanen met Nederland vormt volgens de Hoge Raad derhalve een voldoende rechtvaardiging voor belastingheffing van deze categorie werknemers van internationale organisaties. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden dat hij vanuit het buitenland is aangeworven en eerst door zijn komst naar Nederland - evenals andere vanuit het buitenland aangeworven EOB-medewerkers zonder de Nederlandse nationaliteit - binnenlands belastingplichtig is geworden, kunnen naar 's Hofs oordeel niet afdoen aan het bestaan van die band. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen en de zeer ruime beoordelingsvrijheid die op fiscaal gebied aan de wetgever/verdragsluiter toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 (…) (IVBPR) en artikel 14 (…) (EVRM) gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen, heeft het door de Hoge Raad in het arrest van 8 juli 2011 geoordeelde evenzeer te gelden voor de categorie medewerkers van internationale organisaties, waartoe belanghebbende behoort, die vanwege hun rang niet (via artikel 10, lid 2, van de Zetelovereenkomst) onder artikel 37, lid 2, maar (via artikel 10, lid 1, letter b, van de Zetelovereenkomst) onder artikel 34 van Pro het Verdrag van Wenen vallen.
wide margin of appreciationvoor Staten bij de toepassing van het volkenrechtelijke discriminatieverbod ex de artt. 14 EVRM en 26 IVBPR, kan de ‘bijzondere band met Nederland’ het onderscheid naar nationaliteit in art. 10(6) Zetelovereenkomst weliswaar rechtvaardigen, maar die rechtvaardiging geldt niet bij de toepassing van de EU-verkeersvrijheden, gegeven dat EU-nationaliteit binnen de EU niet zozeer een ‘bijzondere band’ met één lidstaat inhoudt, maar vooral EU-burgerschap. Het Hof heeft daarom de andere door de Staatssecretaris gestelde rechtvaardigingen onderzocht. De Nederlandse wens om zijn concurrentiepositie als vestigingsplaats voor internationale organisaties te bevorderen is volgens het Hof geen dwingende reden van algemeen belang die het in art.10(6) Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid naar nationaliteit kan rechtvaardigen:
3.Het geding in cassatie
Asscher-arrest van het HvJ EU (zie onderdeel 8.6 van de bijlage) dat het VwEU zich niet verzet tegen discriminatie van eigen onderdanen, mits zij niet belemmerd worden gebruik te maken van het vrije verkeer om in een andere lidstaat te verblijven of te reizen en mits of een vrijverkeerssituatie niet ongunstige wordt behandeld dan een binnenlandse situatie. De belanghebbende is volgens de Staatssecretaris niet vergelijkbaar met onderdanen van andere lidstaten die van hun recht op vrij verkeer gebruik hebben gemaakt. Hij verwijst naar het volgens hem juiste oordeel van de Rechtbank op dit punt op basis van belanghebbendes bijzondere band met Nederland.
Van Hilten-Van der Heijden [9] en
D’Hoop(zie onderdeel 8.5 van de bijlage), ten betoge dat Nederland geëmigreerde Nederlanders ongunstiger mag aanslaan dan geëmigreerde niet-Nederlanders, mits niet ongunstiger dan niet-geëmigreerde Nederlanders.
Evansen
Kadi(zie voor beide zaken onderdeel 8.8 van de bijlage) betoogt de Staatssecretaris dat aansluiting bij dit volkenrecht een dwingende reden van algemeen belang vormt.
Gilly-arrest [10] van het HvJ, dat fiscale aanknoping bij nationaliteit toestaat, evenals aansluiting bij het OESO-Model-belastingverdrag en de internationale fiscale praktijk, en opnieuw op het volkenrecht en het Verdrag van Wenen waardoor Nederland zich heeft laten leiden.
verweerbetoogt de belanghebbende dat de uitspraak van het Hof ter zake van het Europese recht juist is en voldoende gemotiveerd. Indien u anders oordeelt, verzoekt hij u een prejudiciële vraag aan het HvJ EU te stellen.
Van Hilten-van der Heijdenen
D’Hoopmaken dat zijns inziens niet anders. Volgens hem is sprake van ongeoorloofde discriminatie naar nationaliteit als een Nederlander die na vele jaren verblijf in het buitenland voor een aanstelling terugkeert naar Nederland, ongunstiger wordt behandeld dan een niet-Nederlandse EU-burger die vanuit het buitenland voor eenzelfde aanstelling naar Nederland komt. Het beoordelingsmoment is het moment van aanstelling. Zo’n onderscheid is bij grensoverschrijdende EU-werknemers nu juist niet toegestaan, aldus de belanghebbende.
4.Behandeling van het middel
Toegang
BNB2011/251 (zie 8.2 van de bijlage). U oordeelde in die zaak dat het onthouden van het box 3 privilege aan een EOB-medewerker met de Nederlandse nationaliteit die in Nederland was aangeworven geen discriminatie inhoudt in de zin van art. 14 EVRM Pro en art. 26 IVBPR Pro vanwege de bijzondere band met Nederland. Dat is echter niet de situatie van de belanghebbende, die immers niet in Nederland, maar in het buitenland (München) is aangeworven,
nadathij van zijn EU-verkeersrechten gebruik had gemaakt om duurzaam in een andere EU-lidstaat te gaan werken en wonen. Ik meen dat de vergelijking die de Staatssecretaris maakt met een puur interne situatie haaks staat op de erkenning dat art. 45 VwEU Pro van toepassing is. De vergelijking met een interne situatie en met HR
BNB2011/251 is daarmee zinloos, nu in een puur interne situatie de EU-verkeersvrijheden uiteraard
nietvan toepassing zijn (en Nederland een
wide margin of appreciationheeft), maar in belanghebbendes geval wél van toepassing zijn (terwijl daardoor géén
wide margin of appreciationmeer beschikbaar is). Anders gezegd: HR
BNB2011/251 is in casu irrelevant omdat die zaak, vanuit de verkeersvrijheden bezien, over een irrelevante, nl. puur interne situatie ging.
Asscher(zie 8.6 van de bijlage) en naar het oordeel van de Rechtbank.
Asscherhet standpunt van de Staatssecretaris steunt. De door hem geciteerde r.o. 32 van dat arrest (zie 8.6 bijlage) steunt mijns inziens juist het standpunt van de belanghebbende.
Asscherwijkt geenszins af van ‘s Hofs vaste
Knoors [11] -rechtspraak, maar bevestigt die juist: heeft een EU-burger eenmaal zijn recht van vrij verkeer uitgeoefend door naar een andere lidstaat te gaan, dan verkeert hij jegens zijn staat van herkomst in dezelfde positie als alle andere inwoners van zijn nieuwe verblijfstaat.
Van Hilten-Van der Heijden(zie onderdeel 8.11 van de bijlage) waarop de Staatssecretaris zich eveneens beroept, lijkt mij in casu irrelevant omdat hij niet gaat over de toepassing van de verkeersvrijheden bij terugkeer naar Nederland van een EU-burger die al een keer van zijn verdragsvrijheden gebruik had gemaakt door Nederland te verlaten, maar enkel over de toepassing ervan bij emigratie. Een lidstaat mag inderdaad eigen onderdanen die emigreren hetzelfde belasten als onderdanen die niet emigreren (dat is geen discriminatie), en hij mag ook
niet-onderdanen die het land verlaten gunstiger behandelen dan onderdanen die het land verlaten omdat die niet-onderdanen daardoor niet gediscrimineerd worden. Dat daardoor onderdanen/emigranten ongunstiger worden belast dan niet-onderdanen/emigranten is in dit verband geen discriminatie omdat nationaliteit een neutraal aanknopingspunt voor belastingheffing is - aldus het HvJ EU in het eveneens door de Staatssecretaris aangehaalde HvJ-arrest
Gilly(zie onderdeel 8.10 van de bijlage). Anders gezegd: in
Van Hilten-Van der Heijdengaat het om een vergelijking tussen Nederlanders (dan wel niet-Nederlanders) die naar een andere lidstaat gaan en Nederlanders (dan wel niet-Nederlanders) die in Nederland blijven, terwijl het in ons geval om een
Knoors-geval gaat, i.e. een Nederlander die al eerder van zijn verkeersvrijheden gebruik heeft gemaakt en vanuit die andere EU-lidstaat wil terugkeren naar Nederland en zich daarbij opnieuw op de verkeersvrijheden kan beroepen, dus om een vergelijking tussen een
niet-Nederlandse EU-burger die vanuit een andere lidstaat naar Nederland komt en een Nederlandse EU-burger die vanuit die andere lidstaat naar Nederland komt. [12]
d’Hoopwaarop de Staatssecretaris wijst, kan zijn standpunt mijns inziens niet steunen. In die zaak ging het weliswaar, anders dan in
Van Hilten-Van der Heijden, inderdaad om een terugkeerster naar de lidstaat van oorsprong, maar in die zaak constateerde het HvJ EU dan ook wel degelijk een ongerechtvaardigde schending van de EU-rechten van eigen onderdanen die het land eerder verlieten (in dat geval: om in een andere lidstaat te studeren).
Knoorsoverwoog het HvJ EU dat de vestigingsvrijheid niet zo kan worden uitgelegd dat eigen onderdanen van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten als zij zich, door rechtmatig verblijf en vakbekwaamheidsverwerving in een andere lidstaat, ten opzichte van hun Staat van herkomst in dezelfde positie bevinden als alle andere personen (i.e. onderdanen van andere lidstaten) die de door het EG-Verdrag verzekerde rechten en vrijheden genieten. In
Asscherheeft het HvJ EU zijn vaste rechtspraak over discriminatie van eigen onderdanen aldus samengevat dat
Knoors-rechtspraak – niet meer ter zake doet omdat de terug migrerende (ex)emigrant door zijn intra-EU-emigratie algemeen EU-burger is geworden jegens zijn oorspronkelijke staat van herkomst.
Evansen
Kadi-arresten (zie onderdeel 8.8 van de bijlage) waarin het HvJ EU oordeelde dat het EU-recht moet worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht dat deel uitmaakt van de EU-rechtsorde en dat de instellingen van de Unie bindt. Dat brengt de Staatssecretaris mijns inziens niet verder. Het volkenrecht waarnaar hij verwijst gaat over diplomaten en niet over werknemers van internationale organisaties zoals het EOB. Het volkenrecht (het Verdrag van Wenen) dwingt Nederland geenszins om dezelfde (uitsluitingen van) voorrechten en immuniteiten toe te passen op EOB-werknemers als op diplomatiek personeel. Het besluit daartoe is intern Nederlands beleid, hetgeen alleen al daaruit blijkt dat Nederland het vóór dat besluit - kennelijk zonder volkenrechtelijke bezwaren - anders had geregeld. Het volkenrecht dwingt Nederland evenmin om Nederlanders om personen met een duurzame band met Nederland te onderwerpen aan belastingheffing over box 3-inkomen.
Gilly-arrest van het HvJ, (ii) de internationale praktijk, (iii) het OESO-Model-belastingverdrag, (iv) het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en (v) het volkenrecht. Ik meen dat de verwijzingen (ii), (iv) en (v) wezenlijk een herhaling van eerdere argumenten zijn en daarom in zoverre het lot van die eerdere argumenten moet delen: het middel faalt in zoverre.
soft lawvan regeringen bij de uitleg van identiek luidende bilaterale belastingverdragen, maar wat daar ook van zij, ook bilaterale belastingverdragen mogen niet in strijd luiden met de EU-verkeersvrijheden, tenzij daarvoor een dwingende reden van algemeen belang bestaat. Het enkele feit dat dat OESO-Model mogelijk anders luidt dan het EU-recht voorschrijft, is uiteraard op zichzelf geen rechtvaardiging voor schending, door een EU-lidstaat, van primair EU-recht. Uit het
Gilly-arrest (zien onderdeel 8.10 van de bijlage) valt dat dan ook niet af te leiden. Dat arrest zegt slechts dat het niet onredelijk is dat de lidstaten zich bij de onderlinge verdeling van hun heffingsbevoegdheden laten leiden door het OESO-Model en dat nationaliteit als aanknopingspunt voor fiscale jurisdictie-uitoefening daarbij niet verboden is omdat die op zichzelf objectief en neutraal is als aanknopingscriterium.
Knoors-rechtspraak verboden onderscheid naar nationaliteit rechtvaardigen. U hoeft u daarom niet te verdiepen in de vraag of het onderscheid al dan niet evenredig is om die niet-bestaande rechtvaardiging te dienen of daartoe te ver gaat.
Knoors-rechtspraak van het HvJ EU hetzelfde behandeld worden als een niet-Nederlandse EU-burger die vanuit een andere lidstaat naar Nederland komt om voor die organisatie te werken.
juncto(4) UR AWR (zie onderdeel 4.2 van de bijlage) eventuele voorrechten van werknemers van internationale organisaties in Nederland voor de omzetbelasting, kansspelbelasting, motorrijtuigenbelasting en belasting op personenauto’s en motorrijwielen beperkt tot maximaal tien jaar na indiensttreding. Dit impliceert dat Nederland ervan uitgaat dat niet-Nederlanders die in het buitenland zijn aangeworven door een internationale organisatie na tien jaar duurzaam verblijf in Nederland hun beroep op het vrije werknemersverkeer – althans voor deze niet-inkomstenbelasting-privileges – verliezen: dat het beroep op art. 45 VwEU Pro is uitgewerkt omdat zij zich na tien jaar ter zake van deze belastingen niet meer onderscheiden van ingezetenen die géén gebruik hebben gemaakt van hun EU-rechten en dus een intern geval zijn geworden. Of dat uitgangspunt standhoudt, lijkt mij eveneens een kwestie om aan het HvJ EU voor te leggen als zij zich voordoet.