Conclusie
in conventie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 tot en met 4richten zich tegen rov. 4.8 van het tussenarrest, waarin het hof het volgende heeft overwogen (voor de leesbaarheid citeer ik tevens de daaraan voorafgaande rov. 4.7):
elkappel tegen (een deel van) een vonnis dat (voorwaardelijk) in de plaats
kan tredenvan een tot levering van een registergoed bestemde akte.” Het onderdeel klaagt vervolgens dat het hof dan heeft miskend dat het artikel toepassing mist, indien de voorwaarde waaronder het vonnis in de plaats treedt van die akte niet wordt vervuld en het vonnis dus niet in de plaats treedt van (een deel van) een zodanige akte, en/of indien geen appel wordt ingesteld tegen het deel van het vonnis dat in de plaats treedt van (een deel van) een zodanige akte. Volgens het onderdeel ziet art. 3:301 lid 1 BW Pro op de uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, en “dus niet op uitspraken waarvan de rechter heeft bepaald dat zij
voorwaardelijkin de plaats van een zodanige akte
kunnen treden,maar die – omdat deze voorwaarde(n) niet is/zijn vervuld – niet
daadwerkelijkin de plaats van een zodanige akte zijn getreden.”
onderdeel 4wordt (subsidiair) geklaagd dat het hof op onbegrijpelijke wijze heeft overwogen dat de veroordeling in het eindvonnis van [eiser] tot medewerking onlosmakelijk is verbonden met de beslissing dat het vonnis in de plaats treedt van (een deel van) de leveringsakte en dat [eiser] zich niet bij die veroordeling heeft neergelegd. De veroordeling in het eindvonnis (zie hiervoor onder 1.5) laat geen andere uitleg toe dan dat het vonnis
slechtsin de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring en handtekening van [eiser] bij de leveringsakte
indien hij niet aan de levering meewerkt(curs. advocaat)
.Het hof lijkt het voorwaardelijke karakter van deze veroordeling uit het oog te hebben verloren. [eiser] heeft immers conform die veroordeling
wel(curs. advocaat) meegewerkt aan de verkoop en levering, zodat het vonnis niet in de plaats is getreden van zijn medewerking. [13] De omstandigheid dat [eiser] in appel is gegaan van dat vonnis en zich in die zin niet bij de inhoud van de veroordeling heeft neergelegd doet niet aan zijn daadwerkelijke medewerking af, en kan derhalve ook niet betekenen dat het vonnis nu in de plaats is getreden van zijn (voor de levering noodzakelijke) medewerking.
NJ2000, 495).
€ 589.914,28, de waarde in bewoonde staat. Voor het geval dat de rechter zou oordelen dat de Stichting alleen gehouden is de villa te leveren tegen betaling van de (hogere) marktwaarde in onbewoonde staat, heeft Wagrowski subsidiair aanspraak gemaakt op schadevergoeding in plaats van nakoming van de optie. Nu enerzijds de veroordeling tot levering van de villa blijkens hetgeen naar aanleiding van onderdeel 1 is overwogen onherroepelijk is, en anderzijds een veroordeling tot betaling van een hogere koopsom buiten de grenzen van de rechtsstrijd valt, heeft het hof terecht geoordeeld dat het hoger beroep ook niet-ontvankelijk is met betrekking tot de door grief 2 aan de orde gestelde hoogte van de koopsom. Onderdeel 2 faalt derhalve eveneens.”
LJNAP4743, NJ 2006/216, heeft overwogen:
NJ2000/495, strekt art. 3:301 lid 2 ertoe Pro, gelijk ook naar voren komt uit de memorie van toelichting bij art. 3:301, dat bij inschrijving van een zodanige uitspraak zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de termijn voor het instellen van beroep in cassatie verstreek, zodanig beroep niet is ingesteld. Zulks is van belang met betrekking tot de ten aanzien van verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid."
LJNAZ7615,
NJ2008/141).”
indien [eiser] in gebreke blijft de veroordeling onder 1. na te komen(curs. A-G) dit vonnis in de plaats treedt van zijn bij akte van levering vereiste wilsverklaring en handtekening (dictum vonnis onder 5.1 en 5.2). Aldus draagt de beslissing dat het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte een subsidiair karakter, in die zin dat het onder 5.2 van het dictum bepaalde pas aan bod komt indien [eiser] in gebreke blijft om de veroordeling om medewerking te verlenen aan de overdracht en levering van de woning na te komen. Door medewerking te verlenen aan de akte van levering is de uitspraak nooit in de plaats getreden van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van zodanige akte (Pleysier in
JBN2010/2, par. 18).
NJ2006/216). Het is dan ook verdedigbaar dat de wet alleen ziet op de eerste situatie dat de uitspraak daadwerkelijk in de plaats van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van zodanige akte is getreden. Met recht kan in elk geval gesteld worden dat het onduidelijk is of de wettekst op deze situatie ziet. De parlementaire geschiedenis geeft op dit punt geen uitsluitsel en het lijkt aannemelijk dat de wetgever niet heeft stilgestaan bij deze specifieke situatie.
NJ2006/216). De notaris die de volgende leveringsakte moet verzorgen, zou bij de betrokken advocaat kunnen nagaan of hoger beroep is ingesteld (Pleysier in
JBN2010/2, par. 17 en 20).
rechtsmiddelenregister(curs. A-G). Het feit dat de notariële akte van levering van onroerende zaken – als ter uitvoering van een vonnis bij notariële akte wordt geleverd – conform het bepaalde in art. 3:89 BW Pro zelf al in de openbare registers dient te worden ingeschreven, is niet doorslaggevend. De betrouwbaarheid van de openbare registers met het oog op rechtszekerheid in verband met de verkrijging van registergoederen speelt dan nog wel degelijk een rol (zie ook rov. 4.8 van het bestreden arrest van het hof). Het gaat immers om de vraag of hoger beroep is ingesteld en de kenbaarheid van het ingestelde hoger beroep. Dat zal veelal niet blijken uit de notariële akte. [58]
NJ2008/140, rov. 3.4).
NJ2008/141, overwoog, een eenvoudige formaliteit, zodat de naleving daarvan voor de aanlegger niet bezwaarlijk is.
KOOP
het vonnis”, is verkoper gehouden het hierna te vermelden registergoed te leveren aan koper.
uitsluitend(curs. advocaat) ziet op het opheffen van het financiële nadeel van [eiser] ten aanzien van de koopprijs. [66] Volgens het onderdeel is het geschil weliswaar niet beperkt tot de vordering omtrent de koopprijs, maar dat betekent niet dat de vordering tot medewerking aan de levering daarmee onlosmakelijk is verbonden. Dat blijkt ook uit de processtukken. [67] Het onderdeel betoogt verder dat de onderhavige overeenkomst weliswaar niet (alleen) een koopovereenkomst is, maar dat de financiële belangen van [eiser] en VM wat betreft dit geschilpunt identiek zijn aan de financiële belangen van partijen bij een koopovereenkomst waaromtrent een geschil over de koopprijs bestaat. In dat verband wordt verwezen naar HR 11 september 2015 waarin is geoordeeld dat art. 3:301 lid 2 BW Pro niet strekt ter bescherming van slechts de financiële belangen van de partijen bij de koopovereenkomst.
NJ2015/368 (hiervoor onder 2.28 aan bod gekomen). In die zaak was niet langer een beroep gedaan op de tot vernietiging van de koopovereenkomst strekkende verklaring, maar werd op de voet van art. 3:54 lid 2 BW Pro verlangd dat het hof de gevolgen van de koopovereenkomst zou wijzigen ter opheffing van het nadeel dat appellante had geleden wat betreft de hoogte van de koopprijs. Bij dit nieuwe verweer was volgens de Hoge Raad niet langer de betrouwbaarheid van de openbare registers betrokken, maar nog slechts de financiële belangen van de partijen bij de onderhavige koopovereenkomst. Tot bescherming van die belangen strekt art. 3:301 lid 2 BW Pro niet. [70]