Conclusie
koopovereenkomst getekend
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 en 2van het middel klagen over rov. 4.20.
onderdeel 3van het middel.
onderdeel 4van het middel.
eerste klachtheeft het hof hiermee te strenge eisen gesteld aan de stel- en motiveringsplicht van de Stichting. Althans is, volgens de
tweede klacht, deze overweging onbegrijpelijk, omdat de Stichting een beroep heeft gedaan op de (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 2] . Het hof heeft de stellingen van de Stichting in dit verband niet (kenbaar) in zijn oordeel betrokken.
eerste en tweede klacht, die gezamenlijk besproken kunnen worden, ligt ten grondslag dat kennis van [betrokkene 2] krachtens art. 3:66 lid 2 BW Pro aan [verweerster] toegerekend kan worden indien [betrokkene 2] vertegenwoordigingsbevoegd was, dan wel de Stichting er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat hij vertegenwoordigingsbevoegd was, waarbij wordt verwezen naar het arrest
ING/Bera [2] (zie de procesinleiding
nrs. 7-8). Hiertoe wordt verwezen naar stellingen van de Stichting in feitelijke instanties.
ING/Bera, op feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Dit risicobeginsel gaat, zo overwoog de Hoge Raad in een later arrest, niet zo ver dat voor toepassing daarvan ook ruimte is in gevallen waarin het tegenover de wederpartij gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende persoon. Uit
ING/Beravolgt dat er mede feiten en omstandigheden moeten zijn die de onbevoegd vertegenwoordigde betreffen en die rechtvaardigen dat laatstgenoemde in zijn verhouding tot de wederpartij het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt. [5]
derde klachtvan onderdeel 1 is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof niet rov. 2.8 van het vonnis van 19 augustus 2015 in zijn oordeelsvorming heeft betrokken.
nr. 10), is het hof daarom niet aan deze overweging voorbijgegaan.
nr. 10) veronderstelt voorts dat de vermelding in rov. 2.8 van het vonnis dat [betrokkene 2] in de e-mail “namens” [verweerster] schreef en sprak van “mijn bedrijf” betekent dat de rechtbank heeft vastgesteld dat [betrokkene 2] zich als vertegenwoordiger presenteerde. De klacht vermeldt niet dat dit argument in hoger beroep is aangevoerd. Uit het arrest van het hof volgt dat het hof een dergelijke lezing, die een juridische kwalificatie inhoudt, niet heeft gegeven aan rov. 2.8 van het vonnis respectievelijk rov. 2.10 van zijn arrest. De betreffende overweging laat zich ook zo lezen, dat [betrokkene 2] als contactpersoon van [verweerster] de e-mail heeft gestuurd naar de Stichting. Ook de derde klacht van onderdeel 1 faalt.
Los Gauchos [6] en
Idee 2 [7] ontleende maatstaf wordt in cassatie, terecht, niet bestreden. [8] Onder meer Katan en Tjittes hebben recent de toerekening van kennis geanalyseerd.
Los Gauchos, waarin de wetenschap van de bedrijfsleider niet aan de rechtspersoon werd toegerekend. Ingeval de norm daarentegen strekt tot bescherming van de wederpartij van de rechtspersoon, dan is er aanleiding kennis van een functionaris spoediger toe te rekenen. [28]
Los Gauchosen
Idee 2ten grondslag liggende zaken zijn volgens Katan vertrouwensgevallen: situaties waarin de wederpartij erop heeft vertrouwd dat een bepaald feit bekend was bij de handelende functionaris. De te beantwoorden vraag bij kennistoerekening is dan of de wederpartij het relevante feit bij de handelende functionaris en daarmee ook bij de rechtspersoon als bekend mocht veronderstellen, waarbij deels de verkeersopvattingen en deels de verwachtingen die bij de wederpartij zijn gewekt relevant zijn. Wat betreft dat laatste gaat het dan bijvoorbeeld om de kennis van de wederpartij over de organisatie en interne werkverdeling bij de rechtspersoon of meer in het algemeen de kennis over de werkwijze bij het type onderneming waartoe de rechtspersoon behoort. Ook kan het gaan om gewekte verwachtingen ten aanzien van de interne kennisdeling. Onder sommige omstandigheden behoort de wederpartij er rekening mee te houden dat de functionaris de kennis die hij in een andere functie heeft opgedaan, niet heeft doorgegeven aan de functionaris die voor de rechtspersoon handelt. Dit kan er dan toe leiden dat de wederpartij geen beroep toekomt op de toerekening van de kennis van de wetende functionaris aan de rechtspersoon, aldus Katan. [29]
eerste klacht(zoals toegelicht in de procesinleiding
nrs. 12-13) miskent het hof in rov. 4.20 dat op grond van de in rov. 4.19 bedoelde maatstaf beoordeeld moet worden of de kennis die [betrokkene 2] feitelijk had, rechtens de kennis is van [verweerster] , hoewel [verweerster] (al dan niet door middel van haar bestuurder/vertegenwoordiger [betrokkene 1] ) zelf feitelijk die kennis niet had. Het is niet zo dat feitelijke wetenschap van de ene persoon pas aan een andere persoon kan worden toegerekend als de eerste zijn kennis met de tweede heeft gedeeld.
Idee 2ging het om de vraag of wetenschap van de handelsagent van P&F dat de latere wederpartij van P&F, Idee 2, een coöperatie was kon worden toegerekend aan P&F. De Hoge Raad overwoog dat het hof in dit verband aandacht had moeten besteden aan de stellingen dat het gesprek van handelsagent met de bestuurders van Idee 2 een oriënterend gesprek met een vrijblijvend karakter was en dat de handsagent heeft verklaard de inhoud van dit gesprek niet te hebben doorgegeven aan P&F, mede in aanmerking genomen dat de overeenkomsten tussen P&F en Idee 2 later zonder de tussenkomst van handelsagent waren tot stand gekomen. [31]
tweede klachtvan onderdeel 2 heeft het hof de vraag of de kennis van [betrokkene 2] kan worden toegerekend niet beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, althans verzuimd om in te gaan op essentiële stellingen van de Stichting. Hierbij wijst de klacht op de in de procesinleiding
nr. 14bedoelde stellingen (i) t/m (viii). Deze stellingen betreffen de feitelijke positie en de werkzaamheden van [betrokkene 2] binnen de organisatie van [verweerster] .
stelling (i); [betrokkene 2] is de link naar de Stichting (
stelling vi); [betrokkene 2] doet zich in de correspondentie met de Stichting voor als managing partner en vertegenwoordiger van [verweerster] (
stellingen vii). Het hof heeft in rov. 4.20 overwogen dat [betrokkene 1] directeur en enig aandeelhouder van [verweerster] is, dat door [betrokkene 2] de feitelijke werkzaamheden worden verricht en dat [betrokkene 2] als zodanig naar buiten trad als contactpersoon van [verweerster] .
stelling iii) heeft het hof in rov. 4.6 weergegeven en in rov. 4.7 verworpen. De stelling van de Stichting dat [verweerster] in dat verband werd vertegenwoordigd door [betrokkene 2] (
stelling ii) heeft het hof m.i. in rov. 4.7 eveneens verworpen en voorts ook in rov. 4.20.
stelling iv; conclusie van dupliek nrs. 34-38). De Stichting heeft ook gesteld, kort gezegd, dat het volstrekt onaannemelijk is dat [betrokkene 1] er geen weet van heeft dat [betrokkene 2] zich presenteerde als managing partner (
stelling v; conclusie van dupliek nr. 46) en daaraan de gevolgtrekking verbonden dat het in de rede ligt om aan te nemen dat [betrokkene 2] de feitelijke beslissing tot de donaties heeft genomen (dit laatste element van stelling viii staat niet in de conclusie van dupliek nr. 46, waarnaar de klacht verwijst, maar wel in nr. 51 van die conclusie).
stelling viiiwordt genoemd, heeft de Stichting in feitelijke instanties gesteld (memorie van antwoord nrs. 2.59 en 2.62) dat daarin wordt medegedeeld dat [verweerster] verder gaat als [C] en ‘wij’ verder gaan als [D] , en voorts dat [verweerster] niet is ontbonden en ingeschreven bleef op hetzelfde adres als [C] , te weten het huisadres van [betrokkene 2] .
stelling viiivermeldt, in deze e-mail ook wordt gesproken van “donaties mijnerzijds aan de Stichting”, is blijkens de vindplaatsen waarnaar de klacht verwijst niet in feitelijke instantie aangevoerd. In cassatie kan er daarom niet van worden uitgegaan dat een dergelijke stelling door de Stichting in feitelijke instanties is ingenomen. Het hof kon er daarom ook niet op reageren. Overigens heeft het hof onder ogen gezien dat de Stichting heeft gesteld dat [betrokkene 2] in e-mails over [verweerster] spreekt als “mijn bedrijf” (rov. 4.13), zodat in zoverre geldt wat hiervoor in 3.22.1 is opgemerkt.
onderdeel 4is deze overweging onbegrijpelijk in het licht van de stelling van [verweerster] zelf “dat voor haar voldoende is dat ten laste van het perceel van [betrokkene 5] een recht van opstal ten gunste van de stichting gevestigd wordt”, aldus het onderdeel.