Conclusie
Tjebbes-arrest van het HvJEU van 12 maart 2019, C-221/17.
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Rottmann-arrest van het HvJEU uit 2010 was de vraag aan de orde of (de voorloper van) art. 20 VWEU Pro zich ertegen verzet dat een burger van de Unie door het nationale recht van een lidstaat zijn nationaliteit verliest en daarmee eveneens het burgerschap van de Unie en de daaraan verbonden rechten en plichten. In deze zaak had de Duitse deelstaat Beieren een naturalisatiebesluit van betrokkene ingetrokken vanwege het verzwijgen van informatie over een strafvervolging die betrokkene in Oostenrijk boven het hoofd hing. Door intrekking van het naturalisatiebesluit dreigde betrokkene staatloos te worden, aangezien betrokkene als gevolg van de in Duitsland verkregen naturalisatie zijn oorspronkelijke Oostenrijkse nationaliteit op grond van de Oostenrijkse nationaliteitswetgeving had verloren. Het HvJEU overwoog dat een intrekking van een naturalisatiebesluit, wanneer dit is gebaseerd op bedrog door de betrokkene in het kader van de procedure tot verkrijging van de nationaliteit, verenigbaar kan zijn met het Unierecht, maar dat het aan de nationale rechter is om na te gaan of het desbetreffende intrekkingsbesluit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene uit het oogpunt van het Unierecht. Dit brengt mee dat bij de toetsing van een besluit tot intrekking van een nationaliteit rekening moet worden gehouden met de eventuele gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene en in voorkomend geval voor diens gezinsleden wat betreft het verlies van de rechten die elke burger van de Unie geniet. Volgens het HvJEU dient met name te worden nagegaan of dit verlies gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de door betrokkene gepleegde inbreuk, van het tijdsverloop tussen de naturalisatiebeslissing en het intrekkingsbesluit, en van de mogelijkheid voor de betrokkene om zijn vroegere nationaliteit terug te krijgen. [20]
Tjebbes e.a.(over de aanvraag van een paspoort) prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU teneinde op te helderen wat een en ander betekent voor de situaties waarin niet een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap aan de orde is, maar waarin het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan op grond van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN. [21] De Afdeling heeft overwogen dat uit het
Rottmann-arrest niet valt af te leiden op welke wijze de evenredigheidsafweging kan plaatsvinden in het kader van een regeling op grond waarvan de nationaliteit van rechtswege vervalt. De Afdeling heeft het niet uitgesloten geacht dat de evenredigheidsafweging besloten kan liggen in een algemene wettelijke regeling zelf, zoals art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN (zie rov. 17.1 van de verwijzingsuitspraak). In het voorgelegde geval zijn er volgens de Afdeling goede argumenten om aan te nemen dat art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en zich verdraagt met art. 20 en Pro 21 VWEU. Omdat evenmin uitgesloten is dat de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel een afweging per individueel geval met zich brengt, oordeelde de Afdeling dat dit onvoldoende vast staat (zie rov. 17.2 van de verwijzingsuitspraak). De Afdeling heeft zich tot het HvJEU gewend om antwoord te krijgen op (onder meer) de vraag of de artikelen 20 en 21 VWEU zo moeten worden uitgelegd dat zij, vanwege het ontbreken van een individuele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen van het verlies van de nationaliteit voor de situatie van de betrokkene uit het oogpunt van Unierecht, in de weg staan aan een wettelijke regeling zoals art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN in verbinding met art. 15 lid 3 en Pro 4 RWN.
a contrariogeredeneerd) de omstandigheid dat betrokkene vrijwillig de nationaliteit van een derde staat heeft aanvaard (terwijl betrokkene zich ervan bewust was dat hij of zij werd geacht de oorspronkelijke nationaliteit prijs te geven) bij de evenredigheidstoets zou kunnen worden betrokken. Zoals blijkt uit punt 46, heeft het HvJEU immers geen limitatieve opsomming gegeven van de omstandigheden die bij de evenredigheidsbeoordeling een rol kunnen spelen.
Tjebbeszal worden betrokken. De staatssecretaris sprak de verwachting uit dat de beslissing van het HvJEU gevolgen zal hebben voor de inhoud van het wetsvoorstel. [25]
Tjebbes e.a., zijn deze paspoortzaken op 1 oktober 2019 behandeld ter zitting van de algemene kamer van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. [26] Voor zover mij bekend, heeft de Afdeling in deze zaken nog geen uitspraak gedaan.
de eerste klacht. Zoals hiervoor opgemerkt, treedt ten behoeve van de rechtszekerheid het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in zodra is voldaan aan de in art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN genoemde voorwaarden en er geen stuiting van de verliestermijn heeft plaatsgevonden op de in art. 15 lid 3 en Pro lid 4 RWN genoemde wijze. Blijkens art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN zijn de voorwaarden vervuld indien iemand (i) een onafgebroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft gehad buiten Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten en buiten de Europese Unie en (ii) gedurende die periode in het bezit is geweest van de Nederlandse en een vreemde nationaliteit. De rechtbank is kennelijk van oordeel dat in het onderhavige geval niet aan voorwaarde (ii) is voldaan. [verweerster] zou namelijk tot 26 juni 2015 niet twee nationaliteiten hebben gehad, maar alleen de Surinaamse nationaliteit, omdat de bevoegde autoriteiten vóór 26 juni 2015 ervan uitgingen dat art. 15 lid Pro 2, aanhef en onder a en b, RWN niet op [verweerster] situatie van toepassing was. De verliestermijn zou pas zijn gaan lopen op 26 juni 2015, de datum van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarmee heeft de rechtbank miskend dat het antwoord op de vraag of [verweerster] vanaf 2004 al dan niet de Nederlandse nationaliteit bezat rechtstreeks volgt uit de RWN en niet wordt bepaald door de wijze waarop deze bepalingen door de autoriteiten destijds werden uitgelegd. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 26 juni 2015 geen nieuwe rechtsregel geformuleerd, maar slechts vastgesteld wat al die tijd heeft gegolden op grond van art. 15 lid Pro 2, aanhef en onder a en b, RWN. De Hoge Raad heeft in die zaak immers beslist dat de rechtbank met juistheid had geoordeeld dat de betrokkene het Nederlanderschap niet heeft verloren toen hij in 2011 de Surinaamse nationaliteit verkreeg. In de beschikking van de Hoge Raad zijn geen overgangsregels vastgesteld. Het oordeel van de rechtbank dat [verweerster] tot 26 juni 2015 niet twee nationaliteiten had en dat de verliestermijn van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN pas op die datum is gaan lopen, getuigt naar mijn mening dan ook van een onjuiste rechtsopvatting. Daaraan doet niet af dat [verweerster] , gelet op het standpunt van de bevoegde autoriteiten over de uitleg van art. 15 lid Pro 2, aanhef en onder a en b RWN, geen reisdocument kon verkrijgen. Het al dan niet kunnen verkrijgen van reisdocumenten is niet bepalend voor de verkrijging of het verlies van het Nederlanderschap. De RWN bevat daartoe immers geen bepaling. Bovendien geldt dat [verweerster] op de voet van art. 17 RWN Pro bij de rechtbank een verzoek had kunnen indienen tot vaststelling van het Nederlanderschap. [verweerster] heeft evenmin bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een Nederlands paspoort (zie hierboven onder 1.6). Daarmee slaagt de eerste klacht.
tweede klachtis gericht tegen de motivering van de rechtbank. De klacht is ingesteld voor zover het oordeel van de rechtbank niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Nu naar mijn mening de eerste klacht slaagt, behoeft de tweede klacht geen bespreking.
Tjebbes-arrest van het HvJEU heeft duidelijk gemaakt dat ook in het kader van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN op enig moment een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling moet kunnen plaatsvinden, die moet kunnen leiden tot de beslissing dat betrokkene de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht herkrijgt. [27] Anders dan de Staat in zijn verzoekschrift tot cassatie (zie onder nr. 10.8) heeft opgemerkt, zie ik niet in waarom deze evenredigheidstoets niet zou kunnen plaatsvinden in een procedure omtrent de vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN Pro, maar slechts in een bestuursrechtelijke procedure naar aanleiding van de aanvraag van (bijvoorbeeld) een paspoort. Voor de vaststelling van het Nederlanderschap heeft de burgerlijke rechter in het kader van art. 17 RWN Pro immers dezelfde beslissingsbevoegdheid als de Minister bij de besluitvorming in de procedure naar aanleiding van de aanvraag van een paspoort ingevolge art. 9 Paspoortwet Pro. [28] Bovendien blijkt uit het
Tjebbes-arrest zelf dat de evenredigheidstoets niet alleen geldt bij de aanvraag van een reisdocument, maar ook bij de aanvraag van ‘enig ander document waaruit hun nationaliteit blijkt’. Deze geldt derhalve ook bij een verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap door de burgerlijke rechter.
Tjebbes-arrest van het HvJEU heeft geleid tot een nieuwe ontwikkeling in het recht ten aanzien van de evenredigheidsbeoordeling in het kader van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN (meer in het bijzonder de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven) waarmee partijen geen rekening hebben kunnen houden, zouden partijen in de procedure na terugwijzing in de gelegenheid moeten worden gesteld om naar aanleiding van dat arrest hun stellingen aan te passen of aan te vullen. [30]