Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Ontvankelijkheid UVDTAB
3.3. Overige voorvragen
op de voet van artikel 3:305a BW voor recht te verklaren dat Trafigura onrechtmatig handelt en heeft gehandeld jegens slachtoffers van de giframp met de Probo Koala;
op de voet van artikel 3:305a BW voor recht te verklaren dat Trafigura aansprakelijk is voor de schade bestaande uit materiële en immateriële schade, met inbegrip van de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 BW Pro, ten gevolge van het hiervoor in sub a bedoelde onrechtmatig handelen;
op de voet van artikel 3:305a BW voor recht te verklaren dat Trafigura is gehouden binnen drie maanden na betekening van het te deze te wijzen vonnis is gehouden een start te hebben gemaakt met de sanering van de getroffen sites, op straffe van een dwangsom van € 500.000,00 voor elke dag dat Trafigura in verzuim is aan deze verplichting te voldoen;
met veroordeling van Trafigura in de kosten van deze procedure;
op grond van daartoe aan de Stichting verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming, voor recht te verklaren dat Trafigura jegens de huidige en toekomstige deelnemers van de Stichting, althans jegens de deelnemers van de Stichting, althans jegens een door de rechtbank in goede justitie te bepalen aantal deelnemers, aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden, alsmede Trafigura te veroordelen deze schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
op grond van daartoe aan de Stichting verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming, voor recht te verklaren dat Trafigura is gehouden binnen drie maanden na betekening van het te deze te wijzen vonnis is gehouden een start te hebben gemaakt met de sanering van de getroffen sites, op straffe van een dwangsom van € 500.000,00 voor elke dag dat Trafigura in verzuim is aan deze verplichting te voldoen;
met veroordeling van Trafigura in de kosten van deze procedure.”
pro seoptreedt als claimstichting op de voet van art. 3:305a BW, of dat zij een vordering instelt die strekt ter bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, die zij ingevolge haar statuten behartigt. Na eiswijziging stelt de Stichting echter primair als claimstichting in de zin van art. 3:305a BW op te treden. Daarmee is sprake van een wisseling van partijhoedanigheid. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een procespartij echter hangende het geding niet een andere hoedanigheid aannemen. De Stichting dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen, aldus steeds Trafigura. [6] Voor het geval de rechtbank voorbij zou gaan aan dit betoog heeft Trafigura zich op het standpunt gesteld dat de Stichting in haar hoedanigheid van 305a-stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de belangen van de partijen voor wie de Stichting stelt op te treden onvoldoende zijn gewaarborgd en derhalve niet is voldaan aan het in art. 3:305a lid 2, laatste volzin, BW opgenomen waarborgvereiste. [7]
“(derhalve van vóór de eiswijziging)”blijkt dat ook hij toen reeds met die mogelijkheid rekening hield, zodat Trafigura niet in haar belangen is geschaad (rov. 5.4).
track recordisbij Stichting, door de rechtbank gekwalificeerd als een ‘ad hoc organisatie’, geen sprake is (rov. 5.8-5.9). Aan de
representativiteitseisis volgens de rechtbank evenmin voldaan (rov. 5.16-5.16). De vraag of de Stichting voldoet aan de principes van de
Claimcodewordt door de rechtbank eveneens ontkennend beantwoord (rov. 5.19-5.21). De rechtbank komt de slotsom dat de Stichting niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar primaire vorderingen (rov. 5.22).
3.Juridisch kader
pro se). De hoedanigheden van formele en materiële procespartij zijn dan verenigd in één (rechts)persoon. [25] Het onderscheid tussen formele en materiële procespartij komt naar voren wanneer de persoon die procedeert en de persoon wiens materiële procesbelang worden geraakt, verschillende personen zijn. Als een procespartij een andere partij, de materiële procespartij, vertegenwoordigt (in de zin dat wordt opgetreden ten aanzien van andermans rechten en/of verplichtingen), treedt deze partij op in hoedanigheid (
qualitate quaof
q.q.). [26]
dat een procespartij noch door wijziging van eis, noch anderszins, in hoger beroep of cassatie als procespartij in een andere hoedanigheid kan optreden dan die waarin hij zijn vordering in eerste aanleg heeft ingesteld”. [31] Een procespartij die zijn vordering in eerste aanleg uitsluitend voor zichzelf heeft ingesteld, kan dus niet door eiswijziging op grond van art. 130 Rv Pro verder procederen als formele procespartij. Ook het omgekeerde geldt: een procespartij die zijn vordering in eerste aanleg uitsluitend als formele procespartij heeft ingesteld, kan niet door eiswijziging als materiële procespartij verder procederen.
[…] /ABN Amro, waarin de Hoge Raad daarover als volgt overwoog: [32]
De Hoge Raad benadrukt in dit arrest dat in het bijzonder strenge eisen moeten worden gesteld aan de omschrijving van de identiteit en hoedanigheid van degene op wiens verzoek een exploot wordt uitgebracht. Anderzijds kan een op zich tekortschietende omschrijving ondervangen worden door uitleg van het exploot; de artikelen 33 en 35 BW zijn namelijk ingevolge art. 3:59 BW Pro op deze uitleg van overeenkomstige toepassing.Niet uitgesloten is dus dat er staat wat er niet staat. (…)”
[…] /ABN Amro(“
hoe de processuele wederpartij daarop[in die zaak: op de omschrijving van de hoedanigheid in de processtukken in eerste aanleg – AG]
heeft gereageerd”). Het volgt ook uit het arrest
Doeland/ […], waarin de Hoge Raad als relevante omstandigheden die bij de uitleg van een appelexploot in aanmerking moeten worden genomen, onder meer verwijst naar de processtukken die zijn gewisseld ná het uitbrengen van het appelexploot, zowel aan de zijde van appellant (de memorie van grieven en incidentele conclusie van antwoord) als aan de zijde van geïntimeerde (een incidentele conclusie tot voeging). [34] Zie hierover ook Krans in zijn noot bij
Doeland/ […]: [35]
Maar uit dit arrest blijkt dat voor de toepassing van de wilsvertrouwensleer
Overigens hecht de Raad ook waarde aan de (ook na de memorie van grieven ingediende) incidentele conclusie tot voeging. Die namens […] ingediende conclusie is van belang omdat daaruit mogelijk kan worden opgemaakt hoe de ontvanger van het exploot dat heeft begrepen.”
[…] /ABN Amro [36] constateren, bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, dat bij de uitleg van een rechtshandeling ook betekenis kan toekomen aan omstandigheden die hebben plaatsgevonden ná die rechtshandeling. [37]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
“verandering in de persoon”van de formele procespartij in dier voege dat een oorspronkelijk voor anderen ingestelde vordering wordt gewijzigd in een vordering ingesteld
“voor zichzelf”. Een wijziging van (directe en/of indirecte)
“vertegenwoordiger”in
“claimstichting”dient volgens de klacht echter te worden gekwalificeerd als een wijziging binnen de hoedanigheid van formele procespartij, althans in ieder geval niet als een ‘verandering in de persoon’ in vorenbedoelde zin. Voor het geval het hof het voorgaande niet zou hebben miskend, wordt aangevoerd dat zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is het kennelijke oordeel van het hof in rov. 3.18, dat een oorspronkelijk door de Stichting voor anderen ingestelde vordering bij eiswijziging is gewijzigd in een vordering ingesteld voor zichzelf.
hoedanigheid(formele en/of materiële procespartij) waarin de eiser als procespartij optreedt. Daarmee is de vooropstelling van het hof in lijn met de hiervoor besproken vaste rechtspraak van de Hoge Raad: een wijziging van eis waarbij een eiser zijn partijhoedanigheid veranderd van louter formele procespartij (
“in een bepaalde hoedanigheid ingestelde vordering”) naar materiële procespartij (
“voor zichzelf ingestelde vordering”), of omgekeerd, is niet toegestaan.
“vertegenwoordiger”van de slachtoffers is opgetreden als
formele procespartij, en de slachtoffers hebben te gelden als de materiële procespartijen (zie ook hierna, onder 4.29). Daarmee is het hof klaarblijkelijk van oordeel dat een rechtspersoon in de zin van art. 3:305a BW in rechte optreedt voor zichzelf, dat wil zeggen als
formele én materiële procespartij. Als dat anders zou zijn, zou immers geen sprake kunnen zijn van de door het hof geconstateerde en gesanctioneerde hoedanigheidswissel aan de zijde van de Stichting. Ook de Stichting en Trafigura gaan van deze lezing uit. [38]
pro seoptreedt.
(proces)partijen. Bij een collectieve actie zijn dit de 305a-rechtspersoon en haar wederpartij; de belanghebbenden zijn (slechts) aan te merken als derden, ten opzichte van wie de uitspraak derdenwerking kan hebben, zo maakt de wetgeschiedenis duidelijk. Ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een uitspraak op een collectieve actie alleen gezag van gewijsde heeft tussen de 305a-rechtspersoon en haar wederpartij (waarbij ook volgens de Hoge Raad derdenwerking desalniettemin in de rede ligt). [48] Wanneer in aanmerking wordt genomen dat het partijbegrip van art. 236 Rv Pro ziet op materiële procespartijen, [49] kan hieruit worden opgemaakt dat de belanghebbenden
géén procespartijzijn bij een collectieve actie, noch in formele noch in materiële zin. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat de 305a-rechtspersoon in rechte zelf als (formele en) materiële procespartij optreedt, en dus niet als formele procespartij namens de belanghebbenden (als materiële procespartijen). [50]
voor of namens anderen”, blijkt ook uit het arrest
Philips/VEBvan 7 november 1997. [51] A-G Mok had in zijn conclusie voor het arrest, onder verwijzing naar gedeeltes uit de hiervoor geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis, al het volgende opgemerkt: [52]
opt out-mogelijkheid van art. 1018f (nieuw) Rv. [56]
opt out-mogelijkheid. Dit betekent echter niet dat deze belanghebbenden onder de WAMCA wél zouden moeten worden aangemerkt als materiële procespartij. [57] Nog steeds heeft als uitgangspunt te gelden dat de belanghebbenden geen partij zijn bij de procedure tussen een 305a-rechtspersoon en een aangesproken partij. [58] De door de WAMCA geïntroduceerde
uitbreidingvan het gezag van gewijsde dient naar mijn mening te worden beschouwd als een uitzondering op het in art. 236 Rv Pro neergelegde uitgangspunt dat het gezag van gewijsde geldt tussen (materiële) procespartijen.
ex nihilio), maar om de articulatie, precisering of verduidelijking van een reeds genoemde hoedanigheid (
ex aliqua), althans ten hoogste om een verbetering van een (kennelijke) fout.
“gezag van gewijsde en executie”) en zonder te beoordelen of de gestelde partijwisseling die belangen in redelijkheid heeft geschaad.
onnodigeformele eisen moeten worden opgeworpen, en dat daarbij van belang is of de partij die door de regel wordt beschermd, door schending van de regel is benadeeld. Het perspectief van eventuele benadeling van de wederpartij is overigens ook al gegeven met de wilsvertrouwensleer die volgens het arrest
[…] /ABN Amroop de uitleg van een exploot moet worden toegepast. Als de wederpartij het exploot op een bepaalde manier heeft begrepen, is geen sprake van benadeling wanneer de rechter bij die uitleg aansluit.
“(directeen/ofindirecte) vertegenwoordiger van de slachtoffers, van wie zij volmachtenen/oflastgevingen had gekregen” (onderstrepingen overgenomen van de klacht), ten onrechte in het midden heeft gelaten in welke van de genoemde hoedanigheden de dagvaarding feitelijk is uitgebracht. Nu het antwoord op deze vraag van belang kan zijn voor de uitleg van de inleidende dagvaarding, had het hof dit concreet moeten vaststellen, althans moeten vaststellen hoe Trafigura de dagvaarding op dit punt feitelijk heeft opgevat en/of redelijkerwijs heeft kunnen of moeten opvatten. In ieder geval is onbegrijpelijk waarom het hof kennelijk heeft gemeend de precieze hoedanighe(i)d(en) in het midden te kunnen laten.
“vertegenwoordiger”, spreekt van een aanvankelijk optreden van de Stichting als
“(directe en/of indirecte) vertegenwoordiger”op basis van
“volmachten en/of lastgeving”, is op te maken dat het hof van oordeel is geweest dat deze hoedanigheden steeds een optreden van de Stichting als
vertegenwoordigervan de slachtoffers als materiële procespartijen behelzen. Dat oordeel wordt in cassatie als zodanig niet bestreden.
“volmachten en/of lastgevingen”. Kennelijk heeft het hof bij deze formulering willen aansluiten.
“(enkel) met een volmacht van de slachtoffers procedeert.” Ook in de processtukken die zijn gewisseld ná de akte wijziging van eis verwijst de Stichting op dit punt uitsluitend naar door de slachtoffers verleende volmachten; lastgeving komt daarbij niet ter sprake. [65] Met andere woorden, dat sprake is van lastgeving is door de Stichting in het geheel niet onderbouwd of toegelicht.
“hoe Trafigura de dagvaarding heeft opgevat en redelijkerwijs heeft mogen opvatten”(rov. 3.15). Volgens de
eersteklacht miskent het hof dat het er niet om gaat hoe Trafigura de dagvaarding redelijkerwijs heeft
mogenopvatten, maar (ten hoogste) om hoe zij deze redelijkerwijs heeft
kunnenof
moetenopvatten. De
tweedeklacht houdt in dat het hof miskent dat de uitleg van een eenzijdige gerichte rechtshandeling, zoals een exploot, bij toepassing van de wilsvertrouwensleer afhangt van het perspectief van
beidepartijen. Het hof heeft echter nagelaten het perspectief van de Stichting (kenbaar) in zijn uitlegoordeel te betrekken, net zoals het ten onrechte de relevante voorgeschiedenis geheel buiten beschouwing heeft gelaten, zo wordt gesteld. De
derdeklacht, ten slotte, klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof nergens kenbaar tot uitdrukking brengt waarom het perspectief van de andere partij (de Stichting) geen rol kan spelen bij de uitleg van een exploot.
eerste klachtgeldt het volgende. De door het hof gebruikte bewoordingen ‘
redelijkerwijs heeft mogen opvatten’zijn in lijn met de tekst van art. 3:35 BW Pro, die op dit punt luidt:
“overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen.”Aan te nemen is dat art. 3:35 BW Pro zowel een subjectief element (wat heeft betrokkene feitelijk begrepen?), als een objectiverend element (wat had betrokkene redelijkerwijs kunnen begrijpen?) heeft. [66] Er zijn geen aanwijzingen dat het hof uitsluitend het subjectieve aspect bij zijn beoordeling heeft willen betrekken, met voorbijgaan aan het objectiverende aspect. Beide aspecten komen immers terug in de door de klacht bestreden vooropstelling van het hof in rov. 3.15.
Daarmee faalt de klacht.
tweedeklacht houdt in de eerste plaats in dat het hof het perspectief van de Stichting in zijn uitlegoordeel had moeten betrekken. Daarbij gaat het de klacht er kennelijk om wat de Stichting redelijkerwijs mocht verwachten ten aanzien van de betekenis die Trafigura zou toekennen aan de partij-aanduiding(en) in de inleidende dagvaarding. [67]
Het eerste deel van deze klacht faalt dus.
zich de behartiging van de belangen (in de zin van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek) ten doel [heeft] gesteld van personen die gezondheidsschade hebben geleden of zullen lijden dan wel in hun belangen zijn aangetast of dreigen te worden aangetast als gevolg van het achterlaten van bedoelde slops in en rond Abidjan”. [69]
[…] /ABN Amro. Daarin wordt opgemerkt dat blijkens het arrest bij de uitleg van een appelexploot acht geslagen kan worden op de ‘voorgeschiedenis’ en dat er, gelet op het feit dat de Hoge Raad voor de uitleg van een exploot met veel nadruk aansluiting heeft gezocht bij de wilsvertrouwensleer, veel voor valt te zeggen om ook indien het exploot een inleidende dagvaarding betreft, bij de uitleg daarvan acht te slaan op hetgeen aan het uitbrengen van het exploot is voorafgegaan. Immers, zo schrijven Knigge en Dufour, “
aan de procesrechtelijke rechtshandeling bestaande uit het (laten) doen van een exploot houdende een inleidende dagvaarding [is] veelal een reeks van andere (rechts)handelingen (…) vooraf gegaan (zoals het sluiten van een overeenkomst, het uitvoeren van een overeenkomst, het voeren van (schikkings-)onderhandelingen).” [70]
[…] /ABN Amroacht dient te worden geslagen bij de uitleg van een appelexploot, heeft zijn startpunt bij de inleidende dagvaarding en is derhalve beperkt tot de
processuelegeschiedenis van de desbetreffende procedure.
Ook op dit punt kan de klacht niet slagen.
derdeklacht van IV-A, dat het hof nergens kenbaar tot uitdrukking brengt waarom het perspectief van de Stichting geen rol kan spelen bij de uitleg van een exploot, faalt daarmee eveneens. Aan het perspectief van de Stichting komt slechts betekenis toe, voor zover dat perspectief tot uitdrukking is gebracht in het exploot. Dat heeft het hof bij zijn uitlegoordeel betrokken.
“niet glasheldere tekst”, en de betekenis die het hof blijkens rov. 3.16-3.19 vervolgens toekent aan de wijze waarop Trafigura de inleidende dagvaarding (feitelijk) heeft opgevat.
“een reactie (eiswijziging van 4 november 2015) op een reactie (brieven van 24 maart en 25 juni 2015) niet (zonder meer) (mede)dragend kan zijn bij de uitleg van het document (exploot van 16 februari 2015) waarop de eerste reactie (brieven van 24 maart en 25 juni 2015) een reactie vormt.”Voor zover het hof dit niet heeft miskend, zou zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn dat het hof de eiswijziging (mede)dragend laat zijn bij zijn uitleg van de inleidende dagvaarding, te meer nu het hof latere uitlatingen van de Stichting over die eiswijziging geheel buiten beschouwing zou hebben gelaten.
Doeland/ […]volgt dat bij de uitleg van een exploot óók betekenis kan toekomen aan een na dat exploot door dezelfde partij in het geding gebracht stuk (zie onder 3.11).
“voordat”zij de akte wijziging van eis kende en vervolgens in rov. 3.17 deze vraag mede aan de hand van de akte te beantwoorden. In ieder geval zijn deze overwegingen in onderlinge samenhang bezien zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, aldus de klacht, stellende dat dit te meer geldt nu het hof in rov. 3.15 overweegt dat de Trafigura’s interpretatie van het exploot
blijktuit de brief van 24 maart 2015 van de advocaat van Trafigura.
de Stichtingde brief van 24 maart 2015 van de advocaat van Trafigura heeft opgevat. Dat het hof bij de beantwoording van deze vraag de akte wijziging van eis
als reactie opvoornoemde brief betrekt – hetgeen m.i. niet kan worden aangemerkt als ‘een beantwoorden
aan de hand van’ – doet geen afbreuk aan de vooropstelling in rov. 3.15 dat het aankomt op Trafigura’s interpretatie van de inleidende dagvaarding, voordat zij de akte wijziging van eis kende. Van de door de klacht gesignaleerde innerlijke tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake. Onbegrijpelijk zijn ’s hofs overwegingen ook niet.
klacht V-D, omdat deze klacht naar mijn mening de zwakke schakel in de redenering van het hof blootlegt en daarom zou moeten slagen.
eersteplaats dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof het feit dat Trafigura
“er rekening mee hield”dat de Stichting beoogde ook als 305a-rechtspersoon op te treden onvoldoende acht om te oordelen dat Trafigura de inleidende dagvaarding (reeds daarom) ook redelijkerwijs in die zin heeft kunnen of moeten opvatten. In de
tweedeplaats wordt aangevoerd dat de door het hof geciteerde passage
“UVDTAB heeft een vordering ingesteld namens gelijksoortige belangen andere personen ex. artikel 3:305a BW”redelijkerwijs geen andere uitleg toelaat dan dat Trafigura niet slechts rekening hield met de mogelijkheid dat de Stichting als 305a-rechtspersoon optrad, maar dat zij de vordering feitelijk ook als een vordering ex art. 3:305a BW heeft opgevat. Het andersluidende oordeel van het hof is onbegrijpelijk, aldus de klacht.
“een vordering heeft ingesteld namens gelijksoortige belangen van andere personen ex. artikel 3:305a BW”, en dat
“de vordering zoals die door [de Stichting] is ingesteld (…) onverenigbaar [is] met art. 3:305a BW”.Uit de brief blijkt níet dat bedoeld is op dit punt een subsidiair verweer te voeren, namelijk
voor zoverzou moeten worden aangenomen dat de Stichting tevens bedoeld heeft als 305a-rechtspersoon op te treden. Ook komt uit de brief niet naar voren dat de dagvaarding op dit punt onduidelijk is, maar dat ‘zekerheidshalve’ een standpunt wordt ingenomen over de ontvankelijkheid van de Stichting als 305a-rechtspersoon.
mogelijkheid openlietdat de Stichting haar vorderingen ook instelde in hoedanigheid van 305a-rechtspersoon. Ook de rechtbank is daarvan uitgegaan (rov. 5.4 van het vonnis van 30 november 2016). Dat betekent dat de eiswijziging geen verandering van hoedanigheid waarin de Stichting optrad inhield, maar een
verduidelijking.
verduidelijkingvan de dagvaarding behelsde en dat in dát geval geen sprake was van een verboden hoedanigheidswisseling, slaagt ook
klacht I-B.
Daarmee slaagt in zoverre ook
klacht II.
klacht IV-C(tweede deel; zie onder 4.47) en
klacht V-F. Niet is in te zien waarom de omstandigheid dat de Stichting naar aanleiding van de reactie van Trafigura op haar dagvaarding in een nadien genomen akte een duidelijker onderscheid maakt tussen de verschillende vorderingen en verduidelijkt in welke de hoedanigheden die vorderingen worden ingesteld (zie onder 4.56 en 4.59), een argument zou opleveren ter onderbouwing van het uitlegoordeel van het hof, dat de Stichting haar vorderingen uitsluitend heeft ingesteld in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de slachtoffers. In de akte eiswijziging stelt de Stichting immers juist buiten twijfel dat zij haar vorderingen tevens instelt als 305a-rechtspersoon. Uit het arrest
Doeland/ […]volgt bij de uitleg van een exploot óók betekenis kan toekomen aan een na dat exploot door diezelfde partij in het geding gebracht stuk (zie onder 3.11).
klacht V-E, die inhoudt dat in rov. 3.17 ligt besloten dat het hof van oordeel is dat de Stichting met de akte wijziging van eis beoogd zou hebben een wijziging van partijhoedanigheid bij wege van eiswijziging door te voeren en dat dit oordeel onbegrijpelijk is, slaagt daarmee eveneens. Beoogd is immers niet een wijziging, maar een verduidelijking van de hoedanigheid waarin de Stichting haar vorderingen instelt.
“ – ook –”een optreden van de Stichting als 305a-rechtspersoon behelsde.
beide, gestelde hoedanigheden (voor de wederpartij redelijkerwijs voldoende duidelijk) uit het exploot volgen. Zo niet, dan vervalt de mogelijkheid dat sprake was van twee naast elkaar staande hoedanigheden.
Hiermee faalt de klacht.
klacht V-Bis zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat het hof (i) de kop van de inleidende dagvaarding (waarin is vermeld dat deze is uitgebracht ‘ten verzoeke van’ de Stichting) [71] en (ii) de in punt 81 van de inleidende dagvaarding genoemde brief van 4 juli 2011, niet als voor zijn uitlegoordeel
“relevante passages uit de inleidende dagvaarding”(rov. 3.15) heeft weergegeven en daarmee evenmin kenbaar aan zijn in rov. 3.15 vervatte uitlegoordeel ten grondslag heeft gelegd.
klacht V-Cis zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk hoe het hof de verwijzing in de inleidende dagvaarding naar ‘volmachten’ en het feit dat schadevergoeding wordt gevorderd in rov. 3.15 ziet als aanwijzingen dat de Stichting niet als claimstichting in de zin van art. 3:305a BW optreedt. De genoemde volmachten en de gevorderde schadevergoeding kunnen immers zien op de andere hoedanigheid waarin de Stichting stelt te zijn opgetreden, althans heeft het hof niet gemotiveerd aangegeven waarom dit niet het geval zou zijn. Voorts wordt geklaagd dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov 3.15 volstaat met een verwijzing naar de term ‘volmachten’ zonder kenbaar in zijn beoordeling te betrekken hoe Trafigura deze term feitelijk heeft gepercipieerd.
“die tot een ander oordeel aanleiding zouden kunnen geven”(rov. 3.18). Dit oordeel is volgens de klacht onbegrijpelijk, nu de Stichting heeft gewezen op een drietal omstandigheden die – zeker in onderlinge samenhang bezien en bezien in samenhang met de overige relevante feiten en omstandigheden – zonder meer tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven, te weten:
“volmachten”waarvan de inleidende dagvaarding spreekt niets te maken hadden met de ontvankelijkheid van de Stichting als 305a-rechtspersoon, zodat de verwijzing naar die volmachten in de dagvaarding ook redelijkerwijs geen factor kan zijn ter adstructie van het oordeel dat de Stichting niet als 305a-rechtspersoon is opgetreden.
onder (i)genoemde omstandigheid hoefde het hof niet tot een ander oordeel te leiden. De passage uit de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep waarnaar de klacht verwijst, houdt op dit punt in dat de Stichting is opgericht om als claimstichting een collectieve actie aan te spannen tegen Trafigura, waarbij wordt verwezen naar de uit de statuten afkomstige passage
“het voeren van juridische procedures ter behartiging van de belangen van de Slachtoffers”. De door de klacht genoemde productie 5 bij de inleidende dagvaarding is de brief van 4 juli 2011 van de (toenmalige) advocaten van de Stichting aan Trafigura, waarin op dit punt valt te lezen dat de Stichting zich de behartiging van de belangen (in de zin van art. 3:305a BW) ten doel heeft gesteld van de slachtoffers. Dit betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat de Stichting Trafigura
in deze procedureuiteindelijk ook in haar hoedanigheid van 305a-rechtspersoon heeft gedagvaard. Of dat het geval is, vergt uitleg van de inleidende dagvaarding. Om die reden kan niet worden gezegd dat het onder (i) genoemde zonder meer tot een ander oordeel aanleiding had kunnen geven.
onder (ii)genoemde omstandigheid maakt het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk, nu deze omstandigheid in dit geval niet aan het oordeel van het hof in de weg behoefde te staan. Ik verwijs naar wat ik heb opgemerkt onder 4.68.
onder (iii)vermelde stelling hoefde het hof niet tot een ander oordeel te leiden. Eerder is reeds opgemerkt dat het hof met zijn verwijzing naar de in de dagvaarding genoemde volmachten, slechts heeft bedoeld dat uit de inleidende dagvaarding niet duidelijk wordt dat de Stichting optreedt als 305a-rechtspersoon en dat het gebruik van de term volmachten juist een aanwijzing is dat de Stichting niet als zodanig optreedt.
klacht VIslaagt. Dat betekent dat het arrest moet worden vernietigd en de zaak moet worden verwezen.