Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
poging tot doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest als bedoeld in artikel 27(a) Sr. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, een en ander als nader in het arrest omschreven.
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen op de grond dat zich op het moment van het handelen van de verdachte geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding voordeed noch een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding bestond, onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend gemotiveerd en/of dat dat het hof bij diens oordeel dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen is uitgegaan van een te beperkt toetsingskader, zodat het hof (ook) op die grond de verwerping van het beroep op noodweerexces niet toereikend heeft gemotiveerd.
“op het moment van het bewezen verklaarde handelen door verdachte, sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever van verdachte of zijn broer of een onmiddellijke dreiging daartoe”.Voor zover het er echter voor moet worden gehouden dat in de verwerping van het beroep op noodweerexces besloten ligt dat de eerdere worsteling tussen de aangever en de broer van de verdachte niet als een noodweersituatie is te kwalificeren, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk, aldus de steller van het middel.
tweede middelklaagt dat het oordeel van het hof dat het beroep op putatief noodweer moet worden verworpen onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd. Hoewel dit middel, gelet op het voorgaande, strikt genomen geen bespreking meer behoeft, daarover toch nog kort het volgende.
derde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Namens de verdachte is op 22 februari 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 24 april 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met afgerond zes maanden is overschreden.