Conclusie
BPF heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele cassatieberoep.
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
Wel heeft BPF door deze wijze van optreden naar het oordeel van het hof het gerechtvaardigde vertrouwen bij DHL gewekt dat zij (DHL) de volgens haar geldende pensioengevende onderdelen van het loon kon opgeven en dat BPF, zo lang zij DHL niet liet weten dat die opgaven niet strookten met hetgeen het Pensioenreglement voorschreef, zulks gedoogde. Waar BPF er, gelet op meerbedoelde gang van zaken, op zijn minst rekening mee moest houden dat DHL de TOW niet zou opgeven als pensioendragend bestanddeel (en de PT wel), had het op de weg van BPF/Syntrus gelegen ervoor zorg te dragen dat controles werden uitgevoerd op de opgaven van DHL. Gesteld noch gebleken is dat dergelijke controles zijn uitgevoerd. En als dat al anders zou liggen: onduidelijk is gebleven waarom dan in de tijd dat Syntrus de uitvoerder van de pensioenregeling was aan BPF niet bekend is geworden dat DHL opgaven deed die niet in overeenstemming waren met het Pensioenreglement. In de zojuist bedoelde zin is DHL dan ook in de bewijsopdracht geslaagd, hetgeen ertoe leidt dat een deel van de vordering (als hierna te melden) zal worden afgewezen. Het hof merkt hierbij nog op dat het zich realiseert dat de bewijsopdracht niet met zo veel woorden ook het vertrouwensaspect mede noemt, maar acht dit niet bezwaarlijk omdat de feiten en omstandigheden die een rol spelen bij de vraag of wel of niet de bewuste afspraak tot stand is gekomen dezelfde zijn als die een rol spelen bij de vraag of ter zake enig vertrouwen is gewekt en, zo ja, welk vertrouwen.”
Afwijkende afspraken en gerechtvaardigd vertrouwen
materiële overeenstemming over TOW en persoonlijke toeslagen” en is gericht tegen hetgeen de rechtbank op p. 8, punt 5, 2e alinea van het eindvonnis heeft overwogen met betrekking tot het verslag van de Beleidsgroep.
beroep op gerechtvaardigd vertrouwen (de uitvoeringspraktijk)” geklaagd dat de rechtbank ten onrechte het beroep van DHL op het gerechtvaardigd vertrouwen met betrekking tot de gemaakte afspraken heeft afgewezen. De grief doelt daarbij op de overweging van de rechtbank luidende: “Dat DHL in de veronderstelling verkeerde dat de TOW niet pensioengevend was in de zin van het Pensioenreglement is niet terug te voeren op enige expliciete uitlating van Bpf Beroepsvervoer.”
tijdens/doorde bewijslevering. De formulering van het probandum behoeft dan niet te knellen. Een probandum behelst namelijk een voorlopige beslissing waaraan de rechter bij zijn einduitspraak niet is gebonden. Hij kan dus altijd terugkomen van de formulering van het
probandum. [22]
Het hof merkt in dit verband op dat in de stellingen van BPF niet valt te lezen dat zij betwist dat een afspraak als door DHL bedoeld haar in beginsel zou binden. Grief 8 slaagt derhalve deels.”
met een andere partij dan BPF/derdenniet mogelijk is. Zo heeft BPF in eerste aanleg in paragraaf 2.5 van haar conclusie van repliek in conventie, waaraan zij zelf ook refereert, het volgende opgemerkt:
met derden[curs. A-G]. De DHL-ondernemingen bepleiten dat zij met vakbonden bij cao een – andere – afspraak over de premiebetaling over de Toeslag Onregelmatig Werken hebben gemaakt, dan (volgens het standpunt van Pensioenfonds Vervoer) uit het pensioenreglement van Pensioenfonds Vervoer volgt. Door een – andere – afspraak met derden te maken, kunnen de DHL-ondernemingen zich evenwel niet bevrijden uit de nalevingsplicht die zij wettelijk of contractueel hebben tegenover Pensioenfonds Vervoer. Pensioenfonds Vervoer is geen afstand van haar recht op die grond met de DHL-ondernemingen overeengekomen, noch heeft het fonds op andere wijze verklaard dat een afwijkende cao-afspraak de DHL-ondernemingen uit de nalevingsplicht zou bevrijden.”
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
incidenteel beroepheeft BPF gegriefd over het feit dat de rechtbank niet de handelsrente maar de wettelijk rente heeft toegewezen alsmede over het feit dat de rechtbank de vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen. Met betrekking tot de handelsrente geldt dat artikel 3.2 lid 2 van het Uitvoeringsreglement (versie augustus 2010) bepaalt dat de rente
“wordt berekend naar het percentage van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 119a van het Burgerlijk Wetboek”. Het gaat hier aldus om een door een pensioenfonds bij reglement vastgestelde rente (hoger dan de wettelijke rente) gelijk aan de rente als bedoeld in artikel 119a BW. Het hof zal daarom - voor het aannemen van misbruik van recht ziet het hof geen plaats - de rente gelijk aan de wettelijke handelsrente toewijzen, evenals de rechtbank vanaf 22 april 2013. Het hof merkt nog op dat, waar DHL verwijst naar het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2014, zij over het hoofd ziet dat in deze uitspraak (naast waarop DHL zich beroept) ook wordt overwogen dat het hiervoor geciteerde artikel betekent dat het pensioenfonds aanspraak kan maken op een contractuele rente die qua hoogte gelijk is aan de wettelijke rente van artikel 6:119a BW (zie overweging 2.9). Kortom: dit onderdeel van de grief slaagt.”
subonderdeel bzijn de oordelen van het hof [31] bovendien onjuist voor zover het hof van oordeel is dat de gevorderde handelsrente toewijsbaar is omdat voor misbruik van recht in gevallen als het onderhavige in zijn algemeenheid geen plaats is, dan wel onbegrijpelijk omdat DHL zich ook heeft beroepen op détournement de pouvoir.
Overschrijding betalingstermijn
De buitengerechtelijke invorderingskosten worden gesteld op 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 5[0],-“.Met verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.17 werd overwogen is ook hier het reglement leidend. Waar hetgeen DHL ter zake heeft aangevoerd onvoldoende is voor de kwalificatie misbruik van recht, slaagt ook dit onderdeel van de grief.”