Conclusie
1.Feiten
- deze samenwerking juridisch wordt vastgelegd in deze overeenkomst en de in deze overeenkomst genoemde orders.”
X As per signing of this Term Sheet: EUR 400,000 one-time payment,
If the Parties fail to agree upon the Licensing Agreement, any prepayments shall be considered non-owed payments (in Dutch: onverschuldigde betaling).”
2.Procesverloop
“The license fee due under the Licensing Agreement shall be (pre-) paid as follows:X As per signing of this Term Sheet: EUR 400,000 one-time payment,
3.Bespreking van het cassatiemiddel
rechtsklachtals een
motiveringsklacht. Met dit subonderdeel klaagt [eiser] allereerst dat het oordeel van het hof in rov. 3.9. (slot) en rov. 3.11. van het eindarrest blijk geeft van een onjuiste rechtstoepassing, omdat het hof, kort gezegd, heeft miskend dat beantwoording van de vraag of [eiser] een voldoende ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden moet plaatsvinden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Het hof zou bij zijn beoordeling uitsluitend de conclusie uit rov. 3.5. van het eindarrest betrekken (dat [A en B] een contractuele (terug)betalingsverplichting jegens [verweerster] hebben, hiervoor randnummer 2.6), zonder bij de beantwoording van de vraag of [eiser] onrechtmatig gehandeld hebben (kenbaar) de feiten en omstandigheden en de door [eiser] aangevoerde argumenten/verweren te betrekken die het onrechtmatige karakter aan het handelen (kunnen) ontnemen. De door [eiser] aangevoerde verweren tegen de (terug)betalingsverplichting van [A] , die het hof deels in rov. 3.5. heeft verworpen, (kunnen) volgens het subonderdeel leiden tot de conclusie dat weliswaar [A] een (terug)betalingsverplichting heeft, maar dat aan [eiser] geen voldoende ernstig verwijt gemaakt kan worden als [A] niet in staat is die betalingsverplichting na te komen. [eiser] geeft in dit verband in de procesinleiding [10] de volgende opsomming van de door hem ingenomen stellingen:
de overige omstandigheden van het geval(rov. 3.6.);
afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond is voor aansprakelijkheid van de bestuurder, namelijk wanneer de bestuurder die (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, waarbij het hof verwijst naar
Ontvanger/ […] [21] (rov. 3.7.);
in de gegeven omstandighedenzodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen, waarbij het hof verwijst naar
Ontvanger/ […] [22] . Volgens het hof is in dit geval deze tweede categorie (frustratie van betaling en verhaal) in het geding (rov. 3.9.).
RCI Financial Services) [23] (rov. 3.6. van het eindarrest) en van 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (
Ontvanger/ […]) [24] (rov. 3.7. tot en met 3.9. van het eindarrest). Het hof heeft de maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid in de hier bedoelde zin dan ook juist weergegeven. Gelet hierop (en in het bijzonder mijn onderstrepingen hiervoor in randnummer 3.4) kan niet worden gezegd dat het hof heeft miskend dat voor de vraag of [eiser] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt alle omstandigheden van het geval relevant zijn. De
rechtsklacht van subonderdeel 1.1faalt derhalve.
waaromhet hof heeft aangenomen dat aan [eiser] een zodanig ernstig verwijt gemaakt kan worden. Het hof heeft immers in deze rechtsoverweging geoordeeld dat (onder meer) [eiser] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [A en B] hun contractuele verplichtingen jegens [verweerster] niet konden nakomen door het wegsluizen van de gelden van de bankrekeningen van [A en B] Het lijkt erop dat het hof hier een soortgelijke situatie voor ogen had als die speelde in het
Vlieg Ver Weg-arrest [26] (waarin de vraag centraal stond of de bestuurders van de vennootschap Vlieg Ver Weg B.V. uit onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens (de faillissementsboedel van) luchtvaartmaatschappij Air Holland in verband met het ‘leeghalen’ van de vennootschap waardoor een aanzienlijke vordering van Air Holland onverhaalbaar werd). Ik licht dat toe. Uw Raad heeft in het
Vlieg Ver Weg-arrest onder verwijzing naar
Ontvanger/ […] [27] overwogen dat voor een zodanig ernstig verwijt voldoende is dat de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten “ernstig rekening had moeten houden” met de mogelijkheid dat ondanks de gestelde tegenvordering een vordering op de vennootschap zou resteren. [28] Het hof heeft met rov. 3.11. van het eindarrest kennelijk bedoeld dat ten tijde van het verweten handelen, namelijk het wegsluizen van de gelden van de bankrekeningen van [A en B] (oftewel: het ‘leeghalen’ van [A en B] ), [eiser] (en [betrokkene 1] ) ernstig rekening had (hadden) moeten houden met de contractuele (terug)betalingsverplichting van [A en B] jegens [verweerster] . Dat het hof kennelijk heeft bedoeld dat [eiser] (en [betrokkene 1] ) ernstig rekening had (hadden) moeten houden met deze (terug)betalingsverplichting strookt met de woorden “zeker in het licht van de aanzienlijke betalingen van [verweerster] aan [A en B] ” (rov. 3.11. van het eindarrest) in combinatie met de overweging van het hof dat de bepaling in de Term Sheet over de contractuele (terug)betalingsverplichting “ondubbelzinnig en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar” is (rov. 3.5. van het eindarrest). De
motiveringsklacht van subonderdeel 1.1kan derhalve evenmin slagen, zodat
subonderdeel 1.1faalt.
subonderdeel 1.2komt [eiser] met
twee motiveringsklachtenop tegen rov. 3.11. van het eindarrest, waarin het hof heeft overwogen dat [eiser] en [betrokkene 1] geen verklaring hebben gegeven voor het tot € 0,00 terugbrengen van het banksaldo, dat zij ook verder op dit punt tegen de stellingen van [verweerster] geen verweer hebben gevoerd en dat het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] en [betrokkene 1] als bestuurders hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [A en B] hun contractuele verplichtingen niet zouden kunnen nakomen door gelden weg te sluizen van de bankrekeningen van [A en B]
eerste motiveringsklacht van subonderdeel 1.2klaagt dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat het enkel ontbreken van een (positief) banksaldo onvoldoende is voor de conclusie dat [A] niet aan haar contractuele verplichtingen kan voldoen: het (voor verhaal vatbare) vermogen van een vennootschap kan bestaan uit een veelheid van activa, een positief banksaldo is slechts één vorm daarvan, aldus [eiser] .
“ook verder op dit punt tegen de stellingen van [verweerster] geen verweer hebben gevoerd”. Met dit laatste doelt het hof mijns inziens op (onder meer) de volgende stellingen van [verweerster] die door het hof zijn weergegeven in rov. 3.10. van het eindarrest (hiervoor randnummer 2.9):
“dat [A en B] op geen enkele wijze verhaal kan bieden jegens [verweerster] voor terugbetaling van die voorschotten”en
“dat [A en B] geen verhaal biedt tegenover [verweerster] omdat zij over geen financiële middelen beschikt ter voldoening van de vorderingen van [verweerster] ”. Het hof heeft kennelijk bedoeld dat [eiser] (en [betrokkene 1] ) (onder meer) tegen genoemde stellingen geen verweer heeft (hebben) gevoerd met als gevolg dat het enige verhaal dat [A en B] hadden kunnen bieden (in theorie, zo is gebleken) zou kunnen bestaan uit de voorschotten die [verweerster] in het verleden heeft overgemaakt naar de bankrekeningen van [A en B] (nu zij verder over geen andere financiële middelen (activa) hebben beschikt). Door [eiser] is overigens ook niet in feitelijke instanties aangevoerd dat [A en B] over andere activa beschikten waarop [verweerster] zich dan wel had kunnen verhalen. De
eerste motiveringsklacht van subonderdeel 1.2faalt.
tweede motiveringsklacht van subonderdeel 1.2wordt aangevoerd dat ’s hofs oordeel dat [eiser] en [betrokkene 1] geen verweer hebben gevoerd tegen het verwijt dat zij gelden hebben weggesluisd onbegrijpelijk, want onvoldoende gemotiveerd, is. Het hof heeft volgens [eiser] verzuimd om essentiële stellingen van [eiser] omtrent de besteding door [A] van de door [verweerster] betaalde bedragen (voorschotten) te behandelen. Het betreft volgens [eiser] de volgende stellingen die hij in eerste aanleg heeft aangevoerd en volgens [eiser] in hoger beroep nader heeft uitgewerkt: [29]
out-of-pocketkosten werden gemaakt en [eiser] en [betrokkene 1] voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvingen; [37]
niet kunnen aangevenwaar de door [verweerster] betaalde gelden zich dan wel bevinden. [betrokkene 1] en [eiser] zijn de enige bestuurders van [A en B] en dus hebben zij ofwel zelf actief de gelden
weggesluisddan wel hebben zij dat laten gebeuren.” (onderstrepingen van mij, A-G).
geen verklaringhebben gegeven voor het tot € 0,00 terugbrengen van het banksaldo
en ook verder op dit punt tegen de stellingen van [verweerster] geen verweer hebben gevoerd, moet het, zeker in het licht van de aanzienlijke betalingen van [verweerster] aan [A en B] , ervoor worden gehouden dat [betrokkene 1] en [eiser] als bestuurders hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [A en B] haar contractuele verplichtingen niet zou kunnen nakomen door gelden van de bankrekeningen van [A en B]
weg te sluizen. (…)” (onderstrepingen van mij, A-G).
Onverschuldigde betaling” [40] heeft [verweerster] uiteengezet waarom [A en B] een (terug)betalingsverplichting hebben jegens [verweerster] en onder het kopje “
Onrechtmatig handelen” [41] heeft [verweerster] uiteengezet waarom [A en B] en [eiser] en [betrokkene 1] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [verweerster] . Ten aanzien van het onrechtmatig handelen verwijt [verweerster] [A en B] en [eiser] en [betrokkene 1] , kort gezegd, dat geen intellectuele eigendomsrechten werden geregistreerd op naam van [A en B] en dat [verweerster] hierop dus geen verhaal kan nemen. Zie in dit verband ook randnummer 3.13 hiervoor, eerste opsommingsteken, onder “(i)” (rov. 3.10. van het eindarrest);
Onverschuldigde betaling” [42] wordt uiteengezet waarom [A en B] geen (terug)betalingsverplichting hebben en onder het kopje “
Onrechtmatige daad” [43] waarom [A en B] en [eiser] (en [betrokkene 1] ) niet onrechtmatig hebben gehandeld;
Onrechtmatig handelen door de Bestuurders” voor de eerste keer de stellingen aan dat [eiser] en [betrokkene 1] hebben bewerkstelligd dat [A en B] geen verhaal bieden tegenover [verweerster] omdat zij niet over financiële middelen beschikken, dat het banksaldo van de bankrekeningen van [A en B] € 0,00 is, dat [eiser] en [betrokkene 1] niet kunnen aangeven waar de door [verweerster] betaalde gelden zich dan wel bevinden en dat [eiser] en [betrokkene 1] ofwel zelf actief de gelden hebben weggesluisd dan wel dit hebben laten gebeuren. [45] Zie in dit verband randnummer 3.13 hiervoor, eerste opsommingsteken, onder “(ii)” (rov. 3.10. van het eindarrest);
Onverschuldigde betaling”,
“De door [betrokkene 1] en [eiser] gegeven “garantie””, “
Onrechtmatige daad door [betrokkene 1] en [eiser] (als bestuurders)”, “
Aansprakelijkheid bestuurders op grond van onrechtmatige daad: Ernstig persoonlijk verwijt en frustreren van verhaal”. Onder de kopjes die zien op de (beweerdelijke) onrechtmatige daad van [eiser] (en [betrokkene 1] ) gaat (gaan) [eiser] (en [betrokkene 1] ) niet in op de stellingen van [verweerster] dat de bestuurders hebben bewerkstelligd dat [A en B] geen verhaal bieden tegenover [verweerster] omdat zij niet over financiële middelen beschikken, dat het banksaldo van de bankrekeningen van [A en B] € 0,00 is, dat de bestuurders niet kunnen aangeven waar de door [verweerster] betaalde gelden zich dan wel bevinden en dat de bestuurders ofwel zelf actief de gelden hebben weggesluisd dan wel dat zij dit hebben laten gebeuren. Pas onder het kopje “
Reactie pleidooi [verweerster]” van de pleitnotitie gaat (gaan) [eiser] (en [betrokkene 1] ) in op het verwijt van [verweerster] dat de gelden zouden zijn weggesluisd. Zie hiervoor de stellingen f) en het eerste gedeelte van g) [48] zoals opgenomen in randnummer 3.12 hiervoor;
Reactie [verweerster] op concept pleitnota Bestuurders” (onder meer) als volgt op het concept van de pleitnotitie van [eiser] (en [betrokkene 1] ) (waarin naar mag worden aangenomen [49] dus nog niet de reactie van [eiser] (en [betrokkene 1] ) op het stuk van [verweerster] stond vermeld):
“27. Allereerst valt het [verweerster] op dat de Bestuurders grotendeels zijn ingegaan op het karakter van de door [verweerster] verrichte betalingen en slechts in zeer beperkte mate aandacht besteden aan het feit dat zij er zelfstandig voor hebben gezorgd dat [A en B] op geen enkele wijze verhaal biedt voor voldoening van de vorderingen van [verweerster] . Zo reppen de Bestuurders met geen woord over het feit dat op de bankrekeningen van [A en B] , waarop [verweerster] de voorschotten heeft gestort, welgeteld nul euro staat. Dat kunnen de Bestuurders overigens ook niet ontkennen. De betreffende bedragen zijn volledig doorgesluisd naar andere rekeningen, waardoor [verweerster] met lege handen achterblijft”.
niet(althans in elk geval niet rechtstreeks) aangevoerd in het kader van het verwijt dat [eiser] de gelden heeft weggesluisd (randnummer 3.13 hiervoor, eerste opsommingsteken, onder “(ii)”). Voor de stellingen van [eiser] zoals hiervoor vermeld in randnummer 3.12 onder a) [53] (voor zover die stelling in hoger beroep is aangevoerd), f) en het eerste gedeelte van g) [54] (en zoals opgenomen in randnummers 57., 58. en 74. van de pleitnotitie onder het kopje “
Reactie pleidooi [verweerster]”) geldt dat deze
wel(rechtstreeks) zijn aangevoerd in het kader van het verwijt dat [eiser] de gelden heeft weggesluisd. Het subonderdeel is dan ook terecht voorgesteld: het oordeel van het hof dat [eiser] “geen verweer” heeft gevoerd tegen het verwijt dat de gelden zouden zijn weggesluisd, is onbegrijpelijk nu hij dat wel degelijk heeft gedaan (zij het (expliciet) pas bij pleidooi, in dupliek). De
tweede motiveringsklacht van subonderdeel 1.2treft derhalve doel zodat
subonderdeel 1.2in zoverre slaagt. Dat het betreffende verweer voor het eerst uitdrukkelijk bij pleidooi in dupliek is aangevoerd, brengt in dit geval niet zonder meer mee dat het verweer tardief is. Dit komt hierna bij de bespreking van subonderdeel 1.3 aan bod.
rechtsklacht van subonderdeel 1.3voert [eiser] aan dat voor zover in rov. 3.9. (slot) en 3.11. besloten mocht liggen dat het hof meent dat met het enkele feit dat [A] tekortschiet in de nakoming van een verbintenis is voldaan aan het vereiste dat [eiser] als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt teneinde bestuurdersaansprakelijkheid te kunnen aannemen (ondanks de hiervoor in randnummers 3.3 en 3.12 genoemde stellingen van [eiser] ), het hof het recht heeft geschonden door voor de persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] een te strenge maatstaf te hanteren. Het enkel (bewust of onbewust) op de koop toenemen van de kans dat [verweerster] een vordering op [A] zou blijken te hebben die [A] mogelijk niet zou kunnen voldoen, is volgens [eiser] in de gegeven omstandigheden een te licht verwijt voor het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid. [eiser] verwijst [55] in dit kader naar
Ontvanger/ […]. [56] Indien het hof de juiste maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] als bestuurder correct heeft toegepast, dan is volgens de
motiveringsklacht van subonderdeel 1.3’s hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat daaruit dan niet is af te leiden of, en op welke wijze, het hof de hierboven in randnummers 3.3 en 3.12 genoemde omstandigheden heeft meegewogen.
rechtsklacht van subonderdeel 1.3faalt. Ik volsta met een verwijzing naar randnummers 3.4, 3.5 en 3.8 van deze conclusie waaruit volgt dat het hof mijns inziens de juiste maatstaf heeft aangelegd. De klacht berust op een verkeerde lezing van het eindarrest.
niet(althans in elk geval niet rechtstreeks) aangevoerd in het kader van het verwijt dat [eiser] de gelden heeft weggesluisd (randnummer 3.13 hiervoor, eerste opsommingsteken, onder “(ii)”). Dit geldt tevens voor de stellingen van [eiser] zoals hiervoor genoemd in randnummer 3.12 onder a) (voor zover die stelling in eerste aanleg is aangevoerd), [57] b) tot en met e) en het tweede gedeelte van g) [58] (zie ook randnummer 3.15 hiervoor). Zoals uit de behandeling van subonderdeel 1.2 volgt, heeft [eiser] aan de hand van de stellingen zoals hiervoor vermeld in randnummer 3.12 onder a) (voor zover die stelling in hoger beroep is aangevoerd) [59] , f) en het eerste gedeelte van g) [60] wel (rechtstreeks) verweer gevoerd tegen het verwijt dat hij de gelden zou hebben weggesluisd. Deze stellingen heeft [eiser] ingenomen bij dupliek in het schriftelijk pleidooi.
[…] / […] [61] bepaald dat ook voor verweren die door de geïntimeerde worden aangevoerd tegen de vordering van de oorspronkelijke eiser geldt dat wijziging of uitbreiding daarvan dient plaats te vinden in de eerste conclusie in hoger beroep. Nadat de in art. 347 lid 1 Rv Pro genoemde conclusies zijn genomen, is de mogelijkheid om verweren aan te voeren die niet in het verlengde liggen van de aldus door partijen omlijnde rechtsstrijd in appel beperkt tot de uitzonderingen die door Uw Raad (onder verwijzing naar
/NOM [62] ) zijn genoemd in
mr. Wertenbroek q.q./ […] [63] . [64] Daarbij is niet van belang of het verweer kan worden aangemerkt als een nieuwe grief. [65]
subonderdeel 1.3en zal na verwijzing nader moeten worden onderzocht of de stellingen bij dupliek in het schriftelijk pleidooi een nadere uitwerking vormen van eerdere stellingen en (om die reden) tijdig zijn ingenomen. Het is uiteindelijk immers aan de feitenrechter, in dit geval het verwijzingshof, voorbehouden op welke wijze de gedingstukken dienen te worden uitgelegd (de uitleg van de gedingstukken kan, als feitelijke kwestie, in cassatie niet op juistheid maar enkel op begrijpelijkheid worden getoetst) [66] en daarmee ook of de stellingen (verweren) ingenomen bij dupliek in het schriftelijk pleidooi in het verlengde liggen van de aldus door partijen omlijnde rechtsstrijd c.q. of deze stellingen gelden als een toelaatbare precisering van eerdere stellingen van [eiser] . Voor zover het verwijzingshof oordeelt dat de stellingen bij dupliek in het schriftelijk pleidooi tijdig zijn, zal het de stellingen die zien op de besteding van de gelden in zijn beoordeling van de bestuurdersaansprakelijkheid van [eiser] moeten betrekken.
onderdeel 1(gedeeltelijk).
eerste deel van subonderdeel 2.1). Verder heeft het hof de door [eiser] in eerste aanleg gevoerde verweren ten aanzien van het causaal verband, de omvang van de schade en de “verkapte hoofdelijkheid” ten onrechte onbesproken gelaten, terwijl deze op grond van de devolutieve werking van het appel na gegrondbevinding van de grief van [verweerster] alsnog hadden moeten worden besproken, aldus [eiser] (
tweede deel van subonderdeel 2.1).
subonderdeel 2.2voert [eiser] aan dat, indien het hof het recht niet heeft miskend, de oordelen van het hof in rov. 3.11. (slot) en 4.3. van het eindarrest onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd zijn in het licht van de volgende stellingen die door [eiser] in feitelijke instanties zijn aangevoerd:
“Gelet op het hiervoor onder r.o. 3.5. tot en met 3.8. weergegeven uitgangspunt is voldaan aan de criteria voor bestuurdersaansprakelijkheid van [betrokkene 1] en [eiser], zodat het bestreden vonnis ten aanzien van [betrokkene 1] en [eiser] niet in stand kan blijvenen de ook voor het overige niet betwiste, vorderingvan [verweerster] jegens [betrokkene 1] en [eiser] alsnog zal worden toegewezen.”(onderstrepingen van mij, A-G). Hieruit volgt allereerst dat het hof heeft geoordeeld dat aan het eerste van de vereisten [70] voor aansprakelijkheid voor schade op grond van onrechtmatige daad (onrechtmatigheid) is voldaan. Daarnaast volgt mijns inziens uit het slot van rov. 3.11. van het eindarrest dat het hof heeft geoordeeld dat de overige vereisten voor aansprakelijkheid op die grondslag (zoals toerekenbaarheid, schade en causaal verband) niet behoeven te worden besproken, omdat de vordering “voor het overige” niet door [eiser] is betwist. Het
eerste deel van de klacht van subonderdeel 2.1dient dan ook te falen: het hof heeft immers zo bekeken een plausibele reden gegeven waarom het de vervolgvraag omtrent schade en causaal verband niet hoeft te beantwoorden.
tweede deel van subonderdeel 2.1en
subonderdeel 2.2treffen derhalve geen doel.
onderdeel 2.
Ontvanger/ […] [73] volgt dat bij bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van art. 6:162 BW Pro twee categorieën kunnen worden onderscheiden. Allereerst zijn er de situaties waarin een bestuurder de vennootschap lichtvaardig heeft verbonden. Daarnaast zijn er de gevallen waarin een bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap verplichtingen niet nakomt. In beide situaties mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens derden onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem een ‘voldoende ernstig verwijt’ kan worden gemaakt. [74] Het hof heeft in rov. 3.9. (slot) van zijn eindarrest overwogen dat in de onderhavige procedure de tweede categorie centraal staat. De bewijslast dat de bestuurder het vereiste verwijt treft, rust (overigens in beide situaties) in beginsel op de benadeelde partij. Uitzonderingen daarop zijn denkbaar indien bijvoorbeeld de betrokkene als bestuurder en enig aandeelhouder de volledige zeggenschap had over de vennootschap. [75] Nu het hof niets heeft vastgesteld over een dergelijke uitzondering, en de bewijslast ten aanzien van de (omvang van de) schade [76] en het causaal verband [77] in beginsel ook bij de benadeelde partij rusten, kan ik het betoog van [eiser] volgen dat op hem als verwerende partij ter zake slechts het tegenbewijs rust. Het bewijsaanbod met betrekking tot tegenbewijs behoeft (in eerste instantie [78] en anders dan een ‘gewoon’ bewijsaanbod) geen specificatie. [79] Het oordeel van het hof in rov. 3.13. van het eindarrest dat het bewijsaanbod van [eiser] wordt gepasseerd omdat dat bewijsaanbod niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden, getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting.
Onderdeel 3slaagt derhalve.
Onderdeel 4slaagt voor zover het voortbouwt op de doeltreffende subonderdelen van onderdeel 1 en op het eveneens met succes voorgestelde onderdeel 3.