Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
Het belang in cassatie
ex nuncplaatsvindt en dat daarbij rekening mag worden gehouden met stellingen die in eerste aanleg niet zijn aangevoerd [8] . De appelrechter moet opnieuw onderzoeken of sprake is van pluraliteit en of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Als een schuldeiser het faillissement heeft aangevraagd, moet ook opnieuw worden beoordeeld of summierlijk is gebleken van het bestaan van een vorderingsrecht van de aanvrager. Voor het bestaan van die vordering is het tijdstip van het uitspreken van het faillissement bepalend. Betaling van de vordering van de aanvrager na het uitspreken van het faillissement behoeft niet te leiden tot vernietiging van het faillissement als de toestand van hebben opgehouden te betalen voortduurt [9] .
veronderstellenderwijsvanuit worden gegaan dat de klacht
gegrondis. [verzoekster] zou dan terecht zijn opgekomen tegen het oordeel dat haar beroep op verjaring onaanvaardbaar is. Als deze klacht gegrond zou zijn en het beroep van [verzoekster] op verjaring gehonoreerd zou worden, dan is denkbaar dat de curatoren
ex nuncbezien ten tijde van het uitspreken van het faillissement geen afdwingbaar vorderingsrecht zouden hebben gehad (een
ex tuncbeoordeling zou anders zijn, omdat in eerste aanleg nog geen beroep op verjaring was gedaan). Het faillissement zou in dat geval mogelijk niet terecht zijn aangevraagd. Dan zijn we er nog niet, want het belangverweer van de curatoren is een tweetrapsraket: 1) omdat het verjaringsverweer in eerste aanleg niet is gevoerd, hadden de curatoren ten tijde van het uitspreken van het faillissement een afdwingbaar vorderingsrecht en 2) pluraliteit van schuldeisers en de faillissementstoestand van hebben opgehouden te betalen zijn niet bestreden. Het zojuist uitgevoerde gedachtenexperiment zag alleen op aspect 1). De korte rov. 3.7 van het bestreden arrest over pluraliteit en toestand lijkt mij te kunnen worden opgevat als een overweging die mede voortbouwt op rov. 3.6 over de vordering van de curatoren en het daartegen gevoerde verjaringsverweer. Dat zou dan in de sleutel van de belangtoets moeten betekenen dat als de klacht van [verzoekster] tegen de verwerping van haar beroep op verjaring gegrond zou zijn, dit ook het daarop voortbouwende oordeel over de toestand en pluraliteit (er is alleen steunvordering van de fiscus aangevoerd) zou raken, zodat dan opnieuw moet worden onderzocht of aan het toestands- en pluraliteitsvereiste is voldaan. Dit illustreert dan dat, ondanks het ontbreken van een separate klacht tegen rov. 3.7, zo lijkt het, [verzoekster] wèl belang bij cassatie heeft.
[...] /Rabobank).
[...] /Rabobank [14] waar de curatoren in dit verband beroep op doen, heeft Uw Raad toepassing gegeven aan de verlenging van de verjaringstermijn volgens art. 2:23c BW jo. art. 3:320 BW Pro. Het ging in die zaak om een rechtspersoon die op grond van art. 2:19 lid 1 onder Pro c BW was ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Uw Raad overwoog dat de vennootschap op het tijdstip van ontbinding geen baten meer had, zodat zij ingevolge art. 2:19 lid 4 BW Pro heeft opgehouden te bestaan.
eerste onderdeelzijn volgens mij drie klachten te onderscheiden. [verzoekster] voert in de eerste plaats aan dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken van de verjaringstermijn. Deze omstandigheden moeten de verhouding tussen de schuldeiser en de schuldenaar betreffen. De omstandigheden b (het strafrechtelijk onderzoek), c (de strafrechtelijke veroordeling) en e (het ontbreken van verhaal voor de schuldeisers van de vennootschappen I tot en met IX in geval van verjaring) zien volgens [verzoekster] niet op die relatie. Zij stelt dat het hof die omstandigheden daarom niet mocht meewegen.
tweede onderdeelbevat geen zelfstandige klacht, maar betoogt dat het slagen van het eerste onderdeel meebrengt dat ook rov. 3.8 en 4 (het dictum) niet in stand kunnen blijven. Deze klacht deelt het lot van het eerste onderdeel.