Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de aanhouding van de verdachte rechtmatig was omdat sprake was van een heterdaadsituatie blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd.
NJ1993/291 en 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8939 oordeelde de Hoge Raad dat ingeval sprake is van een voortdurend delict, de ontdekking op heterdaad van het feit plaatsvindt zolang de verboden situatie bestaat. Het hof heeft dat uitgangspunt niet miskend. Daaraan doet niet af dat de raadsman in hoger beroep heeft aangevoerd dat de politie de verdachte en zijn medeverdachten al langer in het vizier had en pas na enige tijd tot aanhouding overging. Daartoe wijs ik op het volgende. In de (beklag)zaak die leidde tot de beslissing van de Hoge Raad van 3 november 1992 had de rechtbank vastgesteld dat uit het relaas van de verbalisant bleek dat hij de overtreding reeds op 2 januari 1992 had geconstateerd, terwijl de inbeslagneming pas op 24 januari 1992 had plaatsgevonden. De rechtbank kwam tot het oordeel dat daarom geen sprake was van ontdekking op heterdaad. De Hoge Raad vernietigde de beschikking van de rechtbank en oordeelde dat sprake was van een voortdurend delict, dat de ontdekking op heterdaad plaatsvindt “zo dikwijls wordt geconstateerd dat de verboden situatie (nog) bestaat” en dat gelet hierop de enkele omstandigheid dat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden op 24 januari 1992 terwijl de overtreding reeds op 2 januari 1992 was geconstateerd, niet zonder meer de gevolgtrekking rechtvaardigt dat ten tijde van de inbeslagneming geen sprake was van ontdekking op heterdaad. Het oordeel van het hof in de onderhavige zaak dat de aanhouding rechtmatig is geschied, getuigt aldus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
tweede middelbevat de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging, omdat aan de verdachte ter zake van hetzelfde feit een locatieverbod is opgelegd en de daarop volgende strafrechtelijke vervolging in strijd is met beginselen van een goede procesorde.
ne bis in idem-beginsel. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. [2]
ne bis in idem-beginsel houdt in dat niemand andermaal kan worden vervolgd wegens een feit waarover bij gewijsde onherroepelijk is beslist. Art. 68 Sr Pro biedt bescherming tegen herhaaldelijke vervolging voor de strafrechter. De artikelen 5:44 Awb en 243, tweede lid, Sv bevatten een variant op het ne bis in idem-beginsel, het
una via-beginsel. Dit beginsel is aan de orde als de verdachte zowel bestuurlijk wordt beboet als strafrechtelijk wordt vervolgd voor hetzelfde feit. Ook in Europese regelgeving is het
ne bis in idem-beginsel neergelegd. Zowel art. 4 van Pro het Zevende protocol bij het EVRM als art. 50 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie bevat een
ne bis in idem-bepaling. In zijn arrest van 1 februari 2011 wees de Hoge Raad erop dat Nederland het Zevende protocol bij het EVRM weliswaar niet heeft geratificeerd, maar dat dit niet wegneemt dat de rechtspraak van het EHRM over die bepaling van belang kan zijn voor de gedachtevorming over de toepassing van art. 68 Sr Pro. [3]
una via-beginsel van toepassing. In uitzonderlijke gevallen kan evenwel het aan art. 68 Sr Pro ten grondslag liggende beginsel bescherming bieden tegen het herhaaldelijk voeren van strafrechtelijke en bestuurlijke procedures. Daartoe is wel vereist dat de bestuurlijke procedure leidt tot de oplegging van een punitieve sanctie, oftewel dat de oplegging daarvan als ‘the determination of a criminal charge’ als bedoeld in art. 6 EVRM Pro heeft te gelden. Is van een
criminal chargegeen sprake, dan zal het
ne bis idem-beginsel ook geen belemmering vormen voor een tweede procedure ter zake van hetzelfde feit.
ne bis in idem-beginsel verbiedt een tweede vervolging (
bis) ter zake van hetzelfde feit (
idem). In zijn arrest van 1 februari 2011 heeft de Hoge Raad de toetsingsmaatstaf die dient te worden gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’ verduidelijkt. Die beoordeling vindt plaats door middel van een vergelijking van de in beide tenlasteleggingen opgenomen verwijten. Daarbij dienen als relevante vergelijkingsfactoren de juridische aard van de feiten (de juridische component) en de gedragingen van de verdachte (de feitelijke component) te worden betrokken. De juridische aard van de feiten behelst een onderzoek naar de beschermde rechtsgoederen en de op de overtreden strafbepalingen gestelde strafmaxima. Ook de kwalificatie van het ten laste gelegde als misdrijf of als overtreding kan in dit verband een rol spelen. De feitelijke component betreft de gedraging van de verdachte. Als het om verschillende gedragingen gaat, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. [5]
ne bis in idem-beginsel. Niet elke procedure wordt aangemerkt als een tweede procedure (
bis) in de zin van het
ne bis in idem-beginsel. Uit de rechtspraak van het EHRM komt naar voren dat wanneer de gevoerde procedures sterk met elkaar zijn vervlochten en feitelijk één geïntegreerd geheel vormen, geen strijd bestaat met het
ne bis in idem-beginsel. [6] Vereist is dat sprake is van een ‘sufficiently close connection, in substance and time’. Relevante factoren zijn in dit verband:
ne bis in idem-beginsel te ontkomen is om de verschillende reacties op een gedraging te concentreren in “a single-track procedure”:
idem). De verweten gedraging – rijden onder invloed van alcohol – is volgens de Hoge Raad identiek, terwijl de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar zijn, te weten de bevordering van de verkeersveiligheid. [10] Voorts nam de Hoge Raad in aanmerking dat de wetgever de samenhang tussen beide procedures niet heeft geregeld en daarmee geen regeling heeft getroffen die bepaalt hoe de strafrechter dient om te gaan met de samenloop van het alcoholslotprogramma en de in de strafzaak te nemen beslissingen op het gebied van procedurele afstemming, de vervolgbaarheid en / of de mogelijke verdiscontering van het gewicht van het opgelegde alcoholslotprogramma bij de sanctietoemeting (bis). [11] De Hoge Raad benadrukte dat de cumulatie die zich in deze zaak voordeed een uitzonderlijk karakter had. De Hoge Raad wees in dat verband op de overeenkomsten wat betreft de gevolgen van enerzijds de oplegging van het alcoholslotprogramma en anderzijds de van het instellen van een strafvervolging te verwachten strafrechtelijke sancties. [12]
criminal chargeals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. [15] Het huisverbod wordt in een bestuursrechtelijk kader toegepast, terwijl de gedragsaanwijzing als bedoeld in art. 509hh Sv een voorlopige maatregel van strafvorderlijke aard betreft. Deze is aldus ingebed in de strafzaak. De gedragsaanwijzing als bedoeld in art. 509hh Sv wordt opgelegd in geval van verdenking van een strafbaar feit en een verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Een verdenking is niet vereist voor de oplegging van het hiervoor besproken huisverbod. Het enkele feit dat er een verdenking bestaat dat er een strafbaar feit is begaan, rechtvaardigt het geven van een gedragsaanwijzing evenwel niet. [16] Vereist is immers voorts (onder meer) dat er grote vrees voor herhaling bestaat (vgl. het eerste lid van art. 509hh Sv).
criminal charge. Het overweegt ten aanzien van het eerste en het tweede Engel-criterium (“the legal classification of the offence” en “the nature of the offence”) dat overtreding van de gedragsaanwijzing strafbaar is gesteld in art. 184a Sr en dat dit een misdrijf tegen het gezag is. Die overweging komt mij in dit verband niet begrijpelijk voor. Bij ‘the offence’ in de zin van de Engel-criteria zou immers niet de gedragsaanwijzing, maar de overtreding van het verbod op kraken (art. 138a Sr) centraal moeten staan. In het kader van het derde Engel-criterium, “the severity of the penalty”, kunnen de gevolgen van overtreding van de gedragsaanwijzing overigens wel een rol spelen. [17]