Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd vervolgd voor openlijk geweld tijdens een voetbalwedstrijd in de Amsterdam Arena. Tegelijkertijd had de KNVB een stadionverbod van drie jaar en een geldboete van €450 opgelegd wegens hetzelfde feit. De verdachte stelde dat de strafrechtelijke vervolging in strijd was met het ne bis in idem-beginsel omdat de KNVB-maatregelen een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM Pro zouden vormen.
Het hof verwierp dit verweer en stelde dat de maatregelen van de KNVB niet als een strafvervolging kunnen worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat het stadionverbod en de geldboete steunen op civielrechtelijke voorwaarden verbonden aan de aankoop van een toegangskaart, en dat deze maatregelen niet leiden tot een strafrechtelijke sanctie zoals bedoeld in het EVRM.
De Hoge Raad benadrukte dat de bewegingsvrijheid van de verdachte slechts beperkt wordt en dat er geen vervangende hechtenis aan de geldboete verbonden is. Daarom is er geen sprake van een 'criminal charge' en raakt de strafrechtelijke vervolging door het OM het recht niet kwijt. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het OM de verdachte mag vervolgen ondanks het KNVB-stadionverbod en de geldboete, zonder schending van het ne bis in idem-beginsel.