Conclusie
Flexpointen verweerster in cassatie
Acco.
1.De feiten
hof), in cassatie onbestreden, van de volgende feiten uitgegaan.
[betrokkene 1]) letsel heeft opgelopen. Het ongeval is niet te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van Acco. Het letsel was zodanig ernstig dat [betrokkene 1] in de periode van 20 april 2011 t/m 25 juli 2012 arbeidsongeschikt was. [2]
ABU Algemene Voorwaarden 2006) luiden als volgt:
ZW).
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
De buitencontractuele grondslag
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Cassatiemiddel
UWV), maar een eigenrisicodrager voor de Ziektewet (hierna: een
eigenrisicodrager-ZW) regres zoekt bij die inlener voor de door de eigenrisicodrager-ZW krachtens de Ziektewet gemaakte kosten als bedoeld in art. 52a ZW. Daaraan legt Flexpoint in wezen ten grondslag (i) dat de wetgever bij invoering van art. 52a lid 2 ZW aan deze situatie heeft voorbijgezien en (ii) dat in deze situatie voor zo’n verhaalsbescherming van de inlener rechtvaardiging ontbreekt, nu – anders dan het UWV, dat zowel de werkgever als de uitlener kan aanspreken voor de Ziektewetpremie – de eigenrisicodrager-ZW geen Ziektewetpremie int en de inlener logischerwijs ook niet langer hoofdelijk aansprakelijk is voor die premie tegenover het UWV. Daarmee valt in deze situatie de positie van de ex art. 52a ZW regreszoekende eigenrisicodrager-ZW gelijk te stellen met de positie van de regreszoekende werkgever in art. 6:107a BW, aldus nog steeds Flexpoint.
WGA) [36] en/of de Ziektewet bij het UWV verzekerd is, krijgt een gedifferentieerde premie WGA en/of Ziektewet. Is een werkgever voor een onderdeel eigenrisicodrager, zoals voor de Ziektewet, dan is de bijbehorende (gedifferentieerde) premiecomponent 0%. In het onderhavige speelt alleen eigenrisicodragerschap (van Flexpoint) voor de Ziektewet, niet voor de WGA. Zie nr. 1.7 hiervoor. Werkgevers in de sector Overheid en Onderwijs zijn verplicht eigenrisicodrager voor de Werkloosheidswet, andere werkgevers kunnen daarvoor geen eigenrisicodrager worden; ook dat is in het onderhavige geval niet aan de orde.
Iw 1990). [44] Ingewikkeld is deze regeling niet te noemen.
Wfsv), de Invoeringswet Wfsv [48] (hierna: de
Invoeringswet Wfsv) en de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 [49] in werking getreden. Ingevolge de Wfsv is de heffing en inning van de premies voor werknemersverzekeringen [50] voor tijdvakken gelegen ná 1 januari 2006 overgedragen van het UWV aan de Belastingdienst. [51] Aangezien de heffing en inning van de premies voor werknemersverzekeringen plaatsvindt volgens de regels die gelden voor de loonbelasting is art. 34 Iw Pro 1990 ook van toepassing voor de premies voor werknemersverzekeringen.
CSV) zou komen te vervallen. [57] Van een inhoudelijke wijziging wat betreft de hier beoogde gelijkstelling (de invulling van het begrip ‘werkgeverschap’) was geen sprake.
Artikel XXV
Artikel 52.Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij krachtens deze wet heeft.”
XXVI
Artikel 52a.De bedrijfsvereniging heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
Artikelen XXV en XXVI
WAO)), [60] om precies te zijn naar § 5 van hoofdstuk III van het algemeen deel van die toelichting.
Artikel 89.Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij krachtens deze wet heeft.
Artikelen III, IV en V.Zoals bekend, regelen de artikelen 93 en 94 van de Ongevallenwet 1921, de artikelen 101 en 102 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 52 van Pro de Ziektewet de beperking van de burgerrechtelijke verantwoordelijkheid van de werkgever. Zoals deze bepalingen thans luiden, geldt de beperking slechts voor de formele werkgever, niet voor de materiële. Aangezien de arbeid echter niet wordt verricht bij de formele werkgever, schieten de bepalingen in hun huidige tekst hun doel voorbij in de gevallen, waarin de werknemer door de formele werkgever wordt tewerkgesteld bij de materiële.
burgerrechtelijkeaansprakelijkheid van de materiële werkgever onbeperkt te laten voortbestaan, daar de bij hem tewerkgestelde werknemer in dit opzicht immers in dezelfde situatie verkeert als het overige personeel. De werknemer kan nl. zeker zijn, in het genot van een ongevals- of ziekteuitkering te worden gesteld. Overeenkomstig het advies van de Sociale Verzekeringsraad is daarom voorgesteld ook voor de materiële werkgever de burgerrechtelijke aansprakelijkheid te beperken, welke ingevolge de hiervóór geciteerde wetten voor de formele werkgever geldt. Van de zijde van de Scheepvaartverenigingen Noord en Zuid is op zodanige beperking reeds aangedrongen.
materiëlewerkgever op grond van de artikelen 1401-1407 B.W.”
Dat strookt ook met de in de rechtspraak inzake deze bepalingen te onderkennen lijn dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren.[cursivering A-G]
NJ1967, 259, m.nt. HB (p. 693 r.k.), met conclusie van de A-G mevr. Minkenhof op p. 694/695 en ook nog HR 7 nov. 1975,
NJ1976, 332, m.nt. ARB (zie p. 1011 r.k.), met uitvoerig over de wetsgeschiedenis de conclusie van Mr. Ten Kate (p. 1014 l.k.). In latere arresten werd de nadruk echter steeds meer verplaatst naar de ratio van de wet, het karakter van de betreffende sociale verzekering en de kring waarbinnen deze, gezien de solidariteitsgedachte, bescherming beoogt te bieden, zie HR 11 juni 1982,
NJ1983, 583 en HR 6 mei 1983,
NJ1983, 584, m.nt. FHJM. Het rechtstreeks verband tussen premiebetaling en verval van regres is, als ik goed zie, niet meer van doorslaggevend belang geacht in HR 20 mei 1983,
NJ1984, 649, m.nt. FHJM en HR 13 febr. 1987,
NJ1987, 602, m.nt. JBMV.” [84]
Zfw), een pendant van onder meer art. 52b ZW (in combinatie met het destijds geldende art. 83b Zfw, een pendant van art. 52a ZW). Daarin overwoog de Hoge Raad het volgende:
De in deze bepaling tot uitdrukking komende beperking van de verhaalsmogelijkheid past in het ook in andere wetten op het gebied van de sociale verzekering (WAO, Ziektewet) gevolgde systeem dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren (vgl. HR 20 mei 1988,NJ
1988, 1032, r.o. 3.2, tweede alinea, laatste zin). [cursivering A-G]
De in deze bepalingen tot uitdrukking komende beperking van de verhaalsmogelijkheid past in het in deze wetten gevolgde systeem dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren.Gezien dit uitzonderingskarakter van het bepaalde omtrent opzet en bewuste roekeloosheid van de werkgever zal niet spoedig mogen worden aangenomen dat daarvan sprake is. Vergelijk voor een en ander HR 7 dec. 1990, RvdW 1991, 6 (
NJ1991, 596; red.). [cursivering A-G]
De in deze bepaling tot uitdrukking komende beperking van de verhaalsmogelijkheid past in het in (onder meer) deze wet gevolgde systeem dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren.Gelet op het uitzonderingskarakter van dit verhaalsrecht zal opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever in de zin van art. 83c Zfw niet spoedig mogen worden aangenomen. De omstandigheid dat de werkgever op grond van art. 7:658 BW Pro aansprakelijk is, brengt op zichzelf niet mee dat op hem door het ziekenfonds regres kan worden genomen (vgl. HR 7 december 1990, nr. 14065,
LJNZC0073,
NJ1991, 596; HR 4 oktober 1991, nr. 14322,
LJNZC0352,
NJ1992, 410). [cursivering A-G]
werkgeversverweer’ van een indirecte bestuurder van de werkgever-rechtspersoon tegen zich moet laten werken vanwege diens betrokkenheid bij de onderneming, [129] ongeacht of die persoon bijdraagt aan de Ziektewetpremie met betrekking tot – kort gezegd – de door het UWV gedane Ziektewetuitkeringen, [130] valt niet in te zien waarom een eigenrisicodrager-ZW een op art. 52b ZW gebaseerd ‘
werkgeversverweer’ van een inlener wel terzijde zou mogen schuiven niettegenstaande de betrokkenheid van de inlener bij de onderneming via diens inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw Pro 1990, enkel omdat Ziektewetpremie (die door de eigenrisicodrager-ZW niet verschuldigd is) dan niet valt onder die aansprakelijkheid. Zie nrs. 3.36-3.40 hiervoor. M.i. zijn deze situaties bij de toepassing van art. 52b ZW in verbinding met art. 52a ZW op één lijn te stellen en dient daarin geen onderscheid te worden gemaakt ten nadele van de inlener. In de andere benadering, waarin dat enkele Ziektewetpremie-onderdeel dus wel bepalend zou zijn (hier resulterend in een nogal benepen invulling van die betrokkenheid), wordt voor de toepassing van art. 52b ZW in verbinding met art. 52a ZW onvoldoende betekenis toegekend aan zowel die rechtspraak als de inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw Pro 1990 als zodanig.
nr. 2.32van de procesinleiding klaagt dat de verwijzing door het hof in rov. 6.5.5 naar rov. 6.5.3 onbegrijpelijk is, gaat de klacht uit van een verkeerde lezing (zodat deze feitelijke grondslag mist), nu rov. 6.5.3 moet worden bezien in samenhang met rov. 6.5.4 dat aansluit op rov. 6.5.3 (het hof verwijst “met name” naar rov. 6.5.3, eerste alinea, en de daarin bedoelde wetsgeschiedenis, waarover nader rov. 6.5.4). Hetgeen het hof daar overweegt raakt wel (ook) aan de strekking van de Ziektewet, waarnaar het hof trouwens ook verwijst. De klacht faalt. [140]
nr. 2.34van de procesinleiding klaagt dat het hof in rov. 6.5.6-6.5.8 op een rechtens onjuiste, althans onbegrijpelijke wijze ingaat op de betekenis die toekomt aan de daar bedoelde passage uit de wetsgeschiedenis van art. 52a lid 2 ZW (door ‘de zaak om te draaien’), faalt de klacht.
nr. 2.36van de procesinleiding als rechtens onjuist althans onbegrijpelijk aanmerkt dat het hof “de letterlijke tekst centraal [stelt]”, meent dat “het aannemen van een regresrecht buiten de grenzen van zijn ‘rechtsvormende taak’ valt”, en “oordeelt dat de discussie gaat over een ‘niet in de wet geregeld regresrecht’”, faalt de klacht.
de eerste zin van nr. 2.37van de procesinleiding is wat lastig te volgen. Flexpoint verwijst daarbij niet naar (vindplaatsen in processtukken voor) in feitelijke instanties ingenomen stellingen die hier relevant zouden zijn, met onderbouwing waarom dat zo zou zijn. [142] Voor zover deze klacht een reprise betreft van nr. 2.34, faalt het om de redenen uiteengezet in nr. 3.56 hiervoor. Ook overigens geldt wat daar staat.
bottom-lineis eenvoudigweg dat ‘linksom of rechtsom’ het hof het bij het juiste eind heeft waar het tot de conclusie komt dat, kort gezegd, ook bij een ex art. 52a lid 2 ZW op een inlener regres zoekende eigenrisicodrager-ZW art. 52b lid 1-2 ZW van toepassing is. Zie nrs. 3.46-3.53 hiervoor. Kortom, de klacht kan hoe dan ook geen effect sorteren.
de tweede zin van nr. 2.37van de procesinleiding faalt om de redenen uiteengezet in nr. 3.56 hiervoor: het aangevallen oordeel van het hof ís gemotiveerd, en niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend. [143]
de derde zin van nr. 2.37van de procesinleiding faalt, omdat deze uitgaat van een verkeerde lezing van rov. 6.5.2-6.5.8 en daarmee dus feitelijke grondslag mist. Het hof heeft evident niet willen zeggen “dat nu eenmaal de (letterlijke) wettekst voldoende grond is om te oordelen zoals het heeft gedaan”. Zie o.a. nr. 3.56 hiervoor.