Conclusie
1.Feiten en procesverloop
[eiser 1]) heeft de Nederlandse nationaliteit. [eiseres 2] heeft de Engelse en de Israëlische nationaliteit ( [eiser 1] en [eiseres 2] worden hierna tezamen aangeduid als:
[eisers]). Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding woonden [eisers] in Israël. Zij wonen thans in Spanje. [verweerder] (hierna:
[verweerder]) woont thans in Nederland.
de rechtbank). Volgens de dagvaarding, die openbaar is betekend, had [verweerder] geen bekende woon- of verblijfplaats.
het hof) in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van de rechtbank. [verweerder] heeft verweer gevoerd en incidenteel appel ingesteld, welk incidenteel appel in deze cassatieprocedure buiten beschouwing kan blijven. Bij arrest van 11 december 2018 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nietals centrum van de belangen van [eisers] kan worden aangemerkt. Dit oordeel is in cassatie onbestreden en staat dus vast.
in Nederlanddoor [eisers] geleden reputatie- of vermogensschade (zie hiervoor, 1.8).
geenschade zouden hebben geleden. Dit oordeel van de rechtbank raakt kant noch wal.”
niet anders kan worden gelezen, dan dat zulks ook voor de situatie in Nederland geldt.” [9] Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.10 heeft geoordeeld dat [eisers] – gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [verweerder] – onvoldoende hebben toegelicht en onderbouwd dat zij in Nederland schade hebben geleden en thans nog lijden en dat het enkel hebben van een Nederlandse achtergrond, een vriendenkring en familie in Nederland, en het bezitten van een woning daartoe niet redengevend is.