Conclusie
Zurich) ingediende verzoek tot faillietverklaring van verweerster in cassatie (hierna:
[verweerster]). De rechtbank heeft het verzoek toegewezen. Het hof heeft het verzoek afgewezen. Volgens het hof kan de vordering waarop Zurich haar verzoek tot faillietverklaring heeft gebaseerd – uit hoofde van subrogatie in een regresvordering van haar verzekerde ASI Soest B.V. (hierna:
ASI) op hoofdelijk medeschuldenaar [verweerster] – niet summierlijk worden vastgesteld. In cassatie wordt over dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen geklaagd. Geen van de klachten treft naar mijn mening doel.
AD).
de curator) tot curator.
2.Tijdstip van indiening van de cassatieklachten
3.Bespreking van de klachten in het verzoekschrift tot cassatie
cassatieklachten I en IIrichten zich tegen rov. 3.12 van het bestreden arrest, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
eerste subklacht(verzoekschrift
onder 3.2) berust op de lezing dat volgens het hof voor de vaststelling van het vorderingsrecht van ASI respectievelijk Zurich op [verweerster] vereist is dat de hoogte van dat vorderingsrecht blijkt uit het exact daarmee corresponderende onderdeel van het dictum van de rechterlijke uitspraak waarop het vorderingsrecht is gebaseerd. Dat oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt aangevoerd dat op grond van art. 6 lid 3 Fw Pro slechts vereist is dat ‘summierlijk blijkt’ van het vorderingsrecht van de aanvrager. Het hof zou hebben miskend dat niet noodzakelijk is (i) dat de hoogte van het vorderingsrecht van de aanvrager exact is komen vast te staan, en (ii) dat indien de vordering van de aanvrager is gebaseerd op veroordelingen in een rechterlijke uitspraak, in het dictum nauwkeurig moet kunnen worden aangewezen welke bedragen uit hoofde daarvan van de schuldenaar kunnen worden gevorderd.
welkemet die veroordelingen corresponderende vordering(en) (lees: van de betreffende crediteur(en)) de betalingen betrekking hebben, wat de
omvangdaarvan is en
wiedaarbij de hoofdelijk medeschuldenaren zijn. Met andere woorden: het hof kan niet vaststellen dat door Zurich (namens ASI) betaald is op een vordering waarbij (naast ASI) [verweerster] hoofdelijk medeschuldenaar is. [9] Daardoor kan niet worden vastgesteld of ASI überhaupt enige regresvordering op [verweerster] heeft. [10]
tweede subklacht(
onder 3.3-3.5) is gericht tegen de overweging dat door Zurich
niet summierlijk is onderbouwd dat door haar betalingen namens ASI méér is betaald dan het deel dat ASI in verhouding tot haar schuldenaren aanging. Geklaagd wordt dat daarmee een te strenge eis is gesteld aan hetgeen summierlijk moet komen vast te staan met betrekking tot het vorderingsrecht van de aanvrager. Daartoe wordt aangevoerd, zo begrijp ik, dat tussen partijen vast staat:
onder 3.3) [11] , en
onder 3.5) [12] .
onder 3.4).
onder 4.1); en
onder 4.2).
onder 4.3).
eerste subklachtbestempelt als onbegrijpelijk en daardoor onvoldoende gemotiveerd het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat aan de betaling van € 40.000,- de grondslag is komen te ontvallen, doordat het Hof Bordeaux het vonnis van de Rechtbank Bordeaux heeft vernietigd en Zurich daardoor met terugwerkende kracht onverschuldigd heeft betaald. Aangevoerd wordt dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat het arrest van het Hof Bordeaux een nieuwe voor tenuitvoerlegging vatbare titel heeft opgeleverd, zodat het in 2017 betaalde bedrag van € 40.000,- vanaf 5 september 2018 - namelijk de datum waarop het vonnis in eerste aanleg werd vernietigd maar op hetzelfde moment werd vervangen door het arrest van het Hof Bordeaux – strekte tot voldoening aan die nieuwe betalingsverplichtingen (
onder 5.1).
tweede subklachtluidt dat het oordeel van het hof in rov. 3.10 en rov. 3.11 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting indien dat oordeel aldus moet worden opgevat dat een in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling die in hoger beroep wordt vernietigd en wordt vervangen door een nieuwe veroordeling, zowel in de proceskosten als in de hoofdsom, meebrengt dat de betaling die op basis van het vonnis in eerste aanleg is verricht - blijvend - onverschuldigd is geworden (
onder 5.2).
ex tuncheeft en dat de appelrechter is gehouden de proceskosten opnieuw te begroten. [17] Daarin lijkt besloten te liggen dat een betaling ter uitvoering van een later vernietigde proceskostenveroordeling definitief onverschuldigd is.