Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
terreinen en percelen. Er is
nietvastgelegd dat zij ook rekening moet houden met de op de terreinen verrichte (soortgelijke)
bedrijfsvoeringof met de zich op de terreinen bevindende (soortgelijke)
bedrijvenen de daarvoor aangebrachte voorzieningen. Het hof ziet daarom geen grond om het Havenbedrijf te verplichten om de feitelijk aanwezige bedrijfsinstallaties en technieken - de hoog- dan wel laagwaardigheid - in ogenschouw te nemen bij de prijsstelling, zoals MET in haar grief bepleit en met I sub b onder (iv) vordert. Voor zover MET slechts beoogt dat het Havenbedrijf de
mogelijkhedenvan de terreinen (de potentie) in ogenschouw moet nemen en daarvoor naar de feitelijk aanwezige voorzieningen, installaties en technieken moet kijken, wijst het hof op de toewijzing door de kantonrechter van de vordering sub I sub b onder (i), (ii) en (iii). Met die toewijzing staat vast dat het Havenbedrijf bij het stellen van de huurprijs wel rekening zal houden met verschillen in de gebruiks
mogelijkhedenvan de terreinen door publiek- en privaatrechtelijke grenzen, ligging, gesteldheid, en dergelijke. Deze potentie van de terreinen staat echter los van de bedrijven aan wie het Havenbedrijf de terreinen daadwerkelijk verhuurt en los van hun bedrijfsvoering daarop en hun wijze van invulling en inrichting van het gehuurde.”
side letterste overleggen (vierde grief, rov. 7.1-7.2). Wel acht het hof de subsidiair gevorderde medewerking aan benoeming van een onafhankelijke deskundige, aan wie deze gegevens vertrouwelijk ter beschikking zullen worden gesteld, toewijsbaar nu het Havenbedrijf hiertegen geen bezwaar heeft (rov. 7.3-7.4).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1betoogt dat het hof, door een zestal in het subonderdeel opgesomde omstandigheden niet in zijn oordeel te betrekken, heeft miskend dat bij de uitleg van (artikel 2 lid 2 van Pro) de huurovereenkomst, conform de
Haviltex-maatstaf, alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door de bedoelde omstandigheden niet kenbaar in zijn beoordeling te betrekken. Deze klachten worden in de subonderdelen 1.2 tot en met 1.6 nader uitgewerkt, [4] zodat
subonderdeel 1.1zelfstandige betekenis mist.
subonderdeel 1.3zich tegen de overweging in rov. 6.2 dat het ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst, en nog steeds, aan de verhuurder vrij stond/staat om met de huurder naast de huurprijs of canon afzonderlijke afspraken te maken over aan te brengen voorzieningen voor de bedrijfsvoering van de gebruiker en over de wijze van vergoeding daarvan (waarbij het hof blijkens rov. 6.2 het oog heeft op onder meer garanties over minimum volume-, doorzet- of overslagverplichtingen). Het subonderdeel voert aan dat deze overweging onbegrijpelijk is vanwege de redenen genoemd in subonderdeel 1.2 en betoogt dat het enkele feit dat het aan de verhuurder vrijstaat de bedoelde afspraken te maken, niet wegneemt dat die afspraken (bij de aanvang van de huurovereenkomst) invloed (kunnen) hebben gehad op de huurprijs zodat hiermee voor een zuivere vergelijking rekening moet worden gehouden. Dit zou temeer gelden nu dergelijke afspraken bij de huurovereenkomst niet zijn gemaakt.
subonderdeel 1.4dat eveneens onbegrijpelijk is ’s hofs overweging dat het feit dat dergelijke afspraken (ik begrijp: investeringen door het Havenbedrijf tegenover garanties over minimum volumes e.d.) tegenwoordig vaker of anders worden gemaakt dan ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst, voor MET wellicht grond kan zijn om een geheel nieuwe huurovereenkomst aan te willen gaan of om thans naast de bestaande huurovereenkomst met het Havenbedrijf dergelijke afspraken te maken, maar dat het hof daarin geen grond kan zien om binnen de bestaande huurovereenkomst het Havenbedrijf te verplichten om deze overige (financiële) afspraken met gebruikers te betrekken bij het stellen van de nieuwe huurprijs. Het subonderdeel benadrukt dat in deze procedure niet aan de orde is of er een grond zou kunnen zijn om een nieuwe huurovereenkomst aan te gaan, maar dat het gaat om de bevoegdheid van het Havenbedrijf om ter zake de bestaande, verlengde, huurovereenkomst de nieuwe prijs te stellen. Daarbij betoogt het subonderdeel dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat het enkele feit dat er voor MET grond kan zijn om een geheel nieuwe huurovereenkomst aan te willen gaan of aanvullende afspraken te maken, weg zou nemen dat bij het stellen van de nieuwe huurprijs het effect van de overige (financiële) afspraken met gebruikers dient te worden betrokken.
kunnenzijn.
in fine), berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof oordeelt niet dat de omstandigheid, dat er voor MET grond kan zijn om een nieuwe overeenkomst of nadere afspraken aan te gaan, in de weg staat aan honorering van de stelling dat de overige (financiële) afspraken moeten worden meegewogen, maar oordeelt dat deze omstandigheid (nog) niet met zich brengt dat de overige (financiële) afspraken wél moeten worden meegewogen.
subonderdeel 1.6betoogt MET dat het hof, waar het overweegt dat tegenover bedrijfsinvesteringen door het Havenbedrijf ook niet-financiële afspraken staan, eraan voorbij gaat dat dergelijke niet-financiële afspraken wel degelijk op geld waardeerbaar zijn. Ik lees in de overweging van het hof echter niet het oordeel dat deze afspraken niet op geld waardeerbaar zijn en de investeringen om die reden niet kunnen worden meegenomen, zodat de klacht faalt. Ik begrijp de overweging van het hof aldus dat de niet-financiële afspraken een tegenprestatie vormen voor de bedoelde bedrijfsinvesteringen, en dat deze investeringen om die reden niet te hoeven worden aangemerkt als een (verkapte of feitelijke) huurvermindering. Het subonderdeel betoogt verder dat MET ook significant bijdraagt aan de aan het Havenbedrijf toevloeiende zeehavengelden, hetgeen zou behoren te resulteren in een lagere huur omdat zij de voorzieningen op het terrein zelf heeft bekostigd en dus niet kan profiteren van de door het Havenbedrijf bekostigde voorzieningen. Om die reden valt, aldus de klacht, niet in te zien dat met de financiële afspraken over bedrijfsinvesteringen geen rekening zou moeten worden gehouden. Dat MET ook zeehavengelden genereert, doet echter niet af aan de overweging van het hof dat tegenover de door MET aangehaalde bedrijfsinvesteringen bepaalde garanties staan en de investeringen (mede) om die reden niet behoeven te worden verdisconteerd in de prijsvergelijking op grond van artikel 2 lid 2 huurovereenkomst Pro, zodat de klacht faalt.
Haviltex-maatstaf alle omstandigheden van het geval van belang kunnen zijn. Deze in
subonderdeel 1.1opgenomen klacht zou, blijkens de schriftelijke toelichting van MET, zijn uitgewerkt in de subonderdelen 1.2-1.6. Noch uit de in de subonderdelen opgenomen klachten, noch uit de bestreden rechtsoverwegingen zelf valt op te maken dat het hof deze maatstaf heeft miskend, zodat ook deze klacht vergeefs is voorgesteld.
subonderdelen 1.1 tot en met 1.6falen, zodat
onderdeel 1doel mist.
subonderdeel 2bezegeld. Deze is ook vergeefs voorgesteld.