Conclusie
1.De feiten
.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
Onrechtmatige hinder
foto 's (...) blijkt dat vanuit de glazen deuren en het nog aan te leggen balkon aan de zuidzijde van de opbouw zicht bestaat op de logeerkamer en de badkamer van woning [003] en als het donker is en de lichten aan zijn ook in de woonkamer van woning [004]. Dat zicht zal nog toenemen, omdat de houten platen die zichtbaar zijn (...) zullen worden vervangen door een geheel glazen pui. Bovendien is het - zo heeft [eiseres] ter zitting verklaard - de bedoeling om in de opbouw naast de atelierruimte nog twee zelfstandige woonunits te realiseren bestemd voor de huisvesting van haar assistenten dan wel voor de verhuur. Het is te verwachten dat de opbouw als gevolg van die bestemming door meerdere mensen tegelijk als woonruimte zal worden gebruikt. De daadwerkelijke inkijk zal daarmee aanzienlijk toenemen, temeer nu [eiseres] heeft aangekondigd dat zij op het platte dak voor de openslaande deuren vlonders neer zal leggen, zodat het platte dak als balkon gebruikt zal kunnen worden. Aannemelijk is dat de gebruikers van de twee woonunits met name in de zomermaanden van dat balkon gebruik zullen maken, waardoor niet alleen meer inkijk vanaf de opbouw op de andere woningen zal ontstaan, maar mogelijk ook hinder door de storende aanwezigheid van de tijdelijke bewoners die zich niet altijd geruisloos en binnen vaste uren op het balkon zullen ophouden.
maar niet in ernstige mate.
bij voorgenomen verbouwingen meer dan gebruikelijk rekening dienen te houden met de belangen van de direct omwonenden en dat jegens hen eerder sprake is van onrechtmatige hinder dan in een meer standaard stedelijke woonomgeving. De bewoners van het Complex hebben dat zelf ook onderkend en hebben om die reden diverse bepalingen in de Statuten en het Huishoudelijk Reglement opgenomen die tot doel hebben de eenheid van het Complex te bewaren en hinder te voorkomen. In dit geval evenwel vergeefs; ook nadat alle andere bewoners zich bij herhaling tegen de bouwplannen van [eiseres] hadden uitgesproken, is zij doorgegaan met de realisering van de kolossale opbouw. Als gevolg van de centrale ligging van de woning van [eiseres] is de opbouw vanuit elke andere woning en tuin in het Complex nadrukkelijk zichtbaar; bij alle andere bewoners van he Complex springt de opbouw onontkoombaar in het oog. De fijnzinnige charme van het Complex als geheel wordt, door de opbouw plomp verstoord. De hoeveelheid hinder is daarmee in zijn totaliteit onaanvaardbaar groot. Zelfs indien men zou willen zeggen dat de inkijk, het verminderde uitzicht en de aantasting van de architectonische eenheid van het Complex elk op zich nog geen ernstige hinder opleveren, dan nog leiden deze inbreuken onder de hiervoor vermelde omstandigheden en in onderlinge samenhang beschouwd te samen wél tot het oordeel dat sprake is van ernstige hinder voor de andere bewoners,
temeer nu die hinder voor hen van permanente duur is en daaraan niet valt te ontkomen.
“relatief kleine lichtvensters” onduidelijk is.
kolossaal” een subjectief waardeoordeel is en de opbouw niet als kolossaal is te bestempelen in verhouding tot het Complex en ook andere typeringen van de rechtbank aangevochten. Voorts heeft [eiseres] bij deze grief naar voren gebracht dat het Complex niet afwijkt van andere wooncomplexen in of buiten een stedelijke woonomgeving en dat zij haar plannen heeft aangepast teneinde de Vereniging c.s. tegemoet te komen. Indien genoemde afzonderlijke elementen geen hinder opleveren, kunnen zij dat volgens [eiseres] gezamenlijk ook niet doen.
Verwijdering opbouw
“De Vereniging en de omwonenden hebben inmiddels kennis genomen van de uitspraak van 12 februari 2015 van de bestuursrechter. Het lijkt mij namens de Vereniging en betrokkenen correct je nu reeds mee te delen dat de Vereniging en omwonenden verdere juridische stappen ontwikkelen om die geplande opbouw te voorkomen. Het lijk in dit stadium daarom niet handig en verstandig om kosten te maken voor de realisatie van die beoogde opbouw. Indien we ondanks deze mededeling toch bouwactiviteiten ter plaatse waarnemen zijn we genoodzaakt directe juridische stappen te ondernemen om de bouwactiviteiten te stagneren.”
Huishoudelijk Reglement en boete
Dwangsom
Grief 1 in principaal appelfaalt derhalve ook in zoverre en
grief 1 in incidenteel appelook.”
3.De bespreking van het cassatiemiddel
NJ2006/418. Daarmee is mijns inziens aansluiting gezocht bij het correcte juridische kader. [12]
in de bestuursrechtelijke besluitvorming ter zake, de aspecten van privacy, bezonning en hinder
specifiek voor het Complex aan de orde zijn geweest en aandacht hebben gekregen. In het verlengde daarvan geldt voor rov. 3.14, vierde zin, dat dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is. Voor zover daarin een rechtsoordeel besloten ligt waarover het subonderdeel klaagt, meen ik dat het hof daarmee geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
in het hier bedoelde bestuursrechtelijke traject(wat ook de aan de vergunning gerelateerde procedures omvat)
de specifieke belangen van de Vereniging c.s. uitgebreid en genuanceerd zijn afgewogen.
eerstestreepje verwijst [eiseres] in het subonderdeel naar een stedenbouwkundig advies en een welstandadvies. Beide adviezen beslaan een pagina en zijn opgenomen in productie 5 bij [eiseres] ‘Akte overlegging producties’ (nr. 10 in het cassatieprocesdossier). Er staat, zakelijk weergegeven, niet meer dan: dat uit de bezonningsstudie blijkt dat “er geen sprake is van een onevenredig grote afname van de bezonning en lichttoetreding in de directe woonomgeving en dat de privacy van omwonenden wordt gerespecteerd door middel van architectonische oplossingen” (stedenbouwkundig advies); en dat het ontwerp van [eiseres] akkoord wordt bevonden, nu het “in overeenstemming is met de ruimte kwaliteitscriteria ten aanzien van ingrepen in het daklandschap voor gebiedsdeel Vrijstaande Bebouwing alsmede gelet op materiaalgebruik en detaillering” (welstandsadvies). Ook hieruit blijkt dus niet van zo’n uitgebreide en genuanceerde afweging.
derdestreepje verwijst [eiseres] in het subonderdeel naar een adviesmemo. Dit advies is opgenomen in productie 6 bij [eiseres] ‘Akte overlegging producties’. Er staat, zakelijk weergegeven, niet meer dan dat het bestemmingsplan op zichzelf een dakopbouw toelaat voor de betreffende locatie, maar dat de dakopbouw dient te worden voorzien van hellende dakvlakken, hetgeen naar stedenbouwkundig oordeel niet passend is op deze locatie, omdat daarmee het daklandschap en de massa van het object worden verstoord; er is daarmee sprake van een fout in het bestemmingsplan, zodat de gemeente in beginsel bereid is om mee te werken aan een ontheffing van het bestemmingsplan. Ook hieruit (waarvan het citaat in nr. 22 van de MvG niet meer bevat dan een verwijzing naar het stedenbouwkundig advies) blijkt dus niet van zo’n uitgebreide en genuanceerde afweging. Ik verwijs bovendien naar p. 4 van het adviesmemo, waar staat: “De bezwaren als genoemd 4 en 5 zijn voorgelegd aan de stedenbouwkundige, zodat hierop nog geen reactie kan worden gegeven.” Het bezwaar onder 4 betrof het bezwaar van de buren van [eiseres] dat een onevenredig grote afname van de bezonning en daglichttoetreding zou plaatsvinden door de dakopbouw. Het bezwaar onder 5 betrof het bezwaar dat een onevenredige inbreuk van de privacy zou plaatsvinden. Op deze bezwaren kon dus nog geen reactie worden gegeven.
vierdestreepje verwijst [eiseres] in het subonderdeel naar nr. 23 van de MvG, waar deels wordt geciteerd uit een Advies van de uit drie leden bestaande ‘Kamer uit de commissie beroep- en bezwaarschriften belast met de behandeling van bezwaarschriften op het gebied van subsidies, aanschrijvingen en overige zaken’, opgenomen in de CvA. Dit advies is door de dienst Juridische Zaken van de gemeente [woonplaats] aan [eiseres] toegezonden bij brief van 22 mei 2014, waarin [eiseres] wordt medegedeeld dat het College van B&W heeft besloten, kort gezegd, dat de door [eiseres] aangevraagde omgevingsvergunning niet zal worden verleend. Het Advies bestaat uit twee delen: A (een zakelijk verslag van een op 12 maart 2014 gehouden hoorzitting, waarbij onder meer [eiseres], [verweerder 7], [verweerder 10], [verweerder 6] en [verweerder 5] aanwezig waren) en B (het advies van de Kamer). In deel B lees ik bijvoorbeeld op p. 6: “Zoals uit de stukken en de mondelinge toelichting van de behandelend ambtenaar blijkt, staat niet ter discussie dat de opbouw aan de noordzijde van het bouwcomplex leidt tot een onevenredig grote afname van de bezonning en lichttoetreding in de directe woonomgeving. De Kamer stelt vast dat deze afname voor het grootste deel wordt veroorzaakt door hetgeen het bestemmingsplan al toestaat. Om die reden ziet de Kamer in dit bezwaar onvoldoende aanleiding om de vergunning te weigeren.” De klacht van de buren van [eiseres] over schending van hun privacy is vervolgens volledig afgedaan met toepassing van art. 5:50 BW Pro (idem, p. 6). Ook hieruit blijkt dus niet van zo’n uitgebreide en genuanceerde afweging. Dat [eiseres] in nr. 23 (slot) van de MvG (en in de pleinota, nr. 9) hierop het etiket van ‘een uitgebreide en genuanceerde belangenafweging’ aanbrengt, maakt het voorgaande niet anders.
vijfdestreepje verwijst [eiseres] in het subonderdeel naar nr. 24 van de MvG, waar een beroep wordt gedaan op de onder nr. 1.8 hiervoor vermelde bestuursrechtelijke uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 februari 2015. [eiseres] neemt in nr. 24 van de MvG de stelling in dat ook in het beroep bij de rechtbank de gestelde hinder “nogmaals uitgebreid” aan de orde is gekomen en afgewogen. Deze stelling is mijns inziens niet juist. Uit deze uitspraak leid ik niet af dat de bestuursrechter een uitgebreide belangenafweging heeft gemaakt. In rov. 9. neemt de rechtbank, op het punt van hinder door vermindering van zonlicht en schending van de privacy, enkel het advies van de hiervoor genoemde Kamer over. Voor de rechtbank lijkt met name beslissend te zijn geweest dat [eiseres] bouwplan voor het overgrote deel in overeenstemming was met het bestemmingsplan. Ook hieruit blijkt dus niet van zo’n uitgebreide en genuanceerde afweging.
voetnoot 7van de procesinleiding verwijst [eiseres] naar nr. 26 van de MvG. Daarin voert [eiseres] aan dat bezwaarlijk kan worden volgehouden dat de belangen van de Vereniging c.s. niet uitgebreid en genuanceerd zijn afgewogen, nu dit niet alleen een voorwaarde was voor het verlenen van de voor de vergunning benodigde binnenplanse afwijking, maar ook omdat het bezwaar van de Vereniging c.s. en het daaropvolgende beroep bij de rechtbank nu juist in hoofdzaak gingen over de door de Vereniging c.s. gestelde en door [eiseres] betwiste hinder. Ook hieruit leid ik niet af dat een uitgebreide en genuanceerde afweging is gemaakt. [eiseres] stelling dat een uitgebreide en genuanceerde afweging is gemaakt, omdat dit een ‘voorwaarde’ voor vergunningverlening was, is mijns inziens een overdrijving, nog daargelaten dat – zoals het voorgaande laat zien – niet blijkt van zo’n uitgebreide en genuanceerde afweging ten tijde van het hier bedoelde bestuursrechtelijke traject, waarvan de kort gedingprocedure waarnaar [eiseres] verwijst in nr. 25 van de MvG (en waarop zij voortbouwt in nr. 26 van de MvG) geen deel uitmaakt: zie nr. 1.11 hiervoor.
aanzienlijke aantastingvormt van de architectonische eenheid van het Complex (aan welke eenheid “de bewoners van het Complex”, ook [eiseres], “bijzonder hechten”), en wel
in een vorm waaraan men zich niet in visuele zin kan onttrekken.
zoals de Vereniging.
volgens vaste jurisprudentie van de hoge Raad geldt dat regels omtrent gebruik, beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en privégedeelten in beginsel uit de openbare registers kenbaar behoren te zijn en dus in het Splitsingsregeling moeten worden opgenomen.” Nog los van het feit dat de vereniging niet bekend is met deze vaste jurisprudentie kan ieder geval worden vastgesteld dat de in de onderhavige situatie niets te maken hebben met een Splitsingsreglement. Er is immers geen sprake van appartementsrechten. Het beroep op vernietiging dient dan ook te worden verworpen.
Ook oplegging van een boete op grond van de “vigerende bepalingen” van de Vereniging is volstrekt onredelijk. Als al aannemelijk zou worden gemaakt dat sprake is van strijd met bepalingen, dan dient de boete te worden gematigd tot nihil.” [cursivering A-G]