Conclusie
nade einduitspraak gegeven beschikking op het tweede verzoek.
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nahet moment waarop de thans in cassatie bestreden beschikking is gegeven, heeft het hof de advocaat van de man bericht dat hij tot en met 17 december 2018 de gelegenheid heeft in het verzoek om voorlopige voorzieningen een verweerschrift in te dienen en dat een mondelinge behandeling wordt gehouden op 8 april 2019.
voor de duur van het geding, overeenkomstig hetgeen art. 223 Rv Pro bepaalt voor de dagvaardingsprocedure. [3] De Hoge Raad heeft in deze beschikking voorts overwogen dat het in beginsel aan de rechter is overgelaten of hij, gelet op de inhoud van het verzoek, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige en voortvarende procesvoering, het verzoek aanstonds behandelt en beslist, en dat het voor de hand ligt dat indien een spoedeisend belang bestaat bij een voorlopige voorziening, op het verzoek daartoe in de regel eerst en vooraf wordt beslist.
nadatvonnis is bepaald, tenzij blijkt dat de wederpartij met de kennisneming heeft ingestemd. Het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven bevat in art. 5.5 een gelijkluidende bepaling. De tweede volzin van art. 229 Rv Pro bepaalt dat de rechter op verlangen van de in het geding verschenen partijen de uitspraak uitstelt. De wet gaat hier uit van de situatie dat beide partijen uitstel willen. [6] De meest voorkomende reden daarvoor is dat partijen schikkingsonderhandelingen voeren.
ex nuncdient te beoordelen of de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Uw Raad heeft als volgt overwogen:
nade door het hof tijdens de mondelinge behandeling medegedeelde datum van 18 september 2018. Anders dan het onderdeel betoogt, had de vrouw er rekening mee
moetenhouden dat het hof kort na de tijdens de mondelinge behandeling medegedeelde datum een eindbeschikking zou geven. Dit betekent dat het tweede verzoek gelet op het tijdstip van indiening in de praktijk nauwelijks effect kon sorteren, althans niet als voorlopige voorziening.
in het hoofdgedingeen specifiek verzoek worden ingediend; een voorlopige voorzieningenprocedure is daartoe niet de aangewezen procedure. Zoals gezegd is het in beginsel aan de rechter overgelaten of hij, gelet op de inhoud van het verzoek, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige en voortvarende procesvoering, het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen aanstonds behandelt en beslist. Nu de hoofdzaak zich reeds in staat van wijzen bevond, kan m.i. niet worden gezegd dat er een verplichting bestond om dat verzoek direct te behandelen.
konworden uitgesproken. Dit is in de onderhavige zaak niet aan de orde.
subsidiaire aanbodtot het leveren van bewijs door middel van het horen van getuigen mocht passeren. Nu het hof daarover niets heeft overwogen moet het volgens het onderdeel ervoor worden gehouden dat het hof omtrent dit subsidiair geformuleerde bewijsaanbod geen beslissing heeft genomen. Indien het hof heeft bedoeld ook het subsidiaire aanbod van de vrouw tot het leveren van bewijs door middel van getuigen te verwerpen, is de beslissing volgens het onderdeel onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel klaagt tot slot dat het hof heeft miskend dat het aanbod van de vrouw tevens kwalificeert als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs, nu grief 6 is geplaatst in het kader van verweer tegen de verzoeken van de man en daaraan door hem ten grondslag gelegde feiten.