Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
tevensheeft verweerd – dat wil zeggen naast zijn aan het materiële recht ontleende verweer van het ontbreken van wederkerig schuldenaarschap – met een beroep op het gezag van gewijsde van het arbitraal vonnis. Volgens het hof slaagt dit verweer, evenzeer als dit het geval was met de hiervoor onder 3.3 sub 1 bedoelde vordering van AA Accountants op Previa (onbetaalde facturen). Ik citeer rechtsoverweging 6 van het arrest van het hof:
voornemen tot verrekeningaan de zijde van Previa was geuit als (b) dat de arbiter uit de aard der zaak niet heeft kunnen oordelen over een beroep op verrekening van na 28 maart 2014, de datum van het arbitrale vonnis. Volgens het eerste heeft de arbiter over het geschilpunt waarover het hof ná verwijzing diende te beslissen, weliswaar een beslissing gegeven, maar komt daaraan geen gezag van gewijsde toe omdat die beslissing ten overvloede is gegeven; [13] volgens het tweede heeft de arbiter in het geheel geen beslissing gegeven over het geschilpunt waarover het hof ná verwijzing diende te beslissen, zodat reeds daarom van gezag van gewijsde met betrekking tot dat punt geen sprake kan zijn. Dat het eerste door de steller van het middel is bedoeld, is duidelijk uit de alinea’s 2.3 tot en met 2.7 van de procesinleiding in cassatie. Dat ook het tweede is bedoeld, is veel minder duidelijk, maar een ruimhartige lezing van alinea 2.7 brengt dit niettemin mee.
een voornemen tot verrekeningaan de zijde van Previa gevonden worden, met algemene termen als “kunnen verrekend worden” indien fakturen ontvangen zijn (16 dec. 2009), “ik heb al ca. 57.000 euro verrekend hier is regelmatig over gecorrespondeerd (lees boeking 2010)” (7 april 2010) en “is er totaalbedrag ad € 86,548,25 (incl. BTW) gefactureerd, daarvan is .... [
blanco] verrekend met posten welke in onze administratie open stonden" (13 april 2010).
P&Hheeft, tegenover schulden van AA Accountants aan
Previa, een dochteronderneming van P&H.
voornementot verrekening), maar ook op de in rechtsoverweging 3.12 vermelde gronden (die de arbiter meende te kunnen ontlenen aan art. 6:127 en Pro 6:141 BW). Volgens de uitleg van de steller van het middel is het anders en heeft de arbiter het beroep van AA Accountants op verrekening alleen verworpen op de grond in de correspondentie tussen partijen niet meer is te vinden dan een voornemen tot verrekening en zijn de andere door de arbiter omschreven gronden ten overvloede gegeven.
uitsluitendinhield dat met wederzijdse instemming van partijen verrekening had plaatsgevonden. De arbiter meent dat dit verweer niet opgaat omdat tussen partijen alleen voornemens zijn uitgesproken. Zou hij het daarbij hebben gelaten, dan zou hij in het verweer van AA Accountants dus niet gelezen hebben dat, wat er ook zij van de feitelijke juistheid van een verrekening met wederzijdse instemming, AA Accountants hoe dan ook tot verrekening bevoegd was en deze bevoegdheid in het arbitrale geding ook inriep. Ik noem dat een onwelwillende uitleg, omdat aan de manier waarop een verweer naar de letter is verwoord, doorslaggevend gewicht wordt toegekend. Ervan uitgaande dat de arbiter zijn best heeft gedaan om aan de positie van partijen (ook aan die van AA Accountants) recht te doen – waarmee niet in strijd is dat, zoals de steller van het middel terecht zegt, rechtsoverweging 3.12 van het arbitrale vonnis op verschillende punten inhoudelijk onjuist is – is een voor de hand liggende verklaring voor de omstandigheid dat de arbiter het bij rechtsoverweging 3.11 niet heeft gelaten, dat hij onder ogen zag dat in het verweer van AA Accountants besloten lag dat zij meende tot verrekening bevoegd te zijn en die bevoegdheid inriep. Dáárom heeft de arbiter in rechtsoverweging 3.12, zo valt te veronderstellen, gronden aangeduid die op de bevoegdheid tot verrekening zien.
op Previa(de vordering onder 3.3 sub 1) onherroepelijk is beslist dat het beroep van [verweerster] op het gezag van gewijsde van het arbitraal vonnis opgaat. Welnu, dit beroep op het gezag van gewijsde van het arbitraal vonnis zag geheel op dezelfde overwegingen in het arbitraal vonnis als het beroep op dat gezag met betrekking tot de vordering van AA Accountants ter zake van onbetaalde facturen
op P&H. [15]
eens en voor alte passeren.’ [17]