Conclusie
Ondernemingen (bv’s en v.o.f.) en schulden
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1een weergave van de feiten en het procesverloop. Vervolgens worden
onder 2verschillende klachten geformuleerd die hierna zullen worden aangeduid als onderdelen.
Onderdeel 2.1klaagt dat het hof heeft miskend dat, nu art. 1:100 lid 2 BW Pro onmiddellijke werking heeft en de verdeling nog niet heeft plaatsgevonden, op die verdeling het recht moet worden toegepast zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2018. Door uitdrukkelijk uit te gaan van de toepasselijkheid van art. 1:100 (oud) BW en de op grond van dat artikel ontwikkelde jurisprudentie dat slechts sprake kan zijn van afwijking van de hoofdregel in zeer uitzonderlijke gevallen, is het hof volgens
onderdeel 2.7uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
Onderdeel C (artikel 96)
beperktewerkingssfeer: zij ziet uitsluitend op de situatie bij ontbinding van de gemeenschap en kan alleen aan de orde komen indien de activa van de gemeenschap ontoereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen (negatieve boedel).
nietovertreffen. Zijn visie heeft, zoals hij stelt, alles te maken met de problematiek van de verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid 5 BW Pro:
ARTIKEL IV
nietgezegd dat art. 1:100 lid Pro 2 (nieuw) BW ook van toepassing is in het geval dat een huwelijksgemeenschap vóór 1 januari 2018
reeds was ontbonden. In de onderhavige zaak was de huwelijksgemeenschap van partijen al ver voor die datum ontbonden, namelijk op 2 december 2015. Ik meen dat de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap beslissend dient te zijn voor het antwoord op de vraag of toepassing moet worden gegeven aan art. 1:100 lid Pro 2 (nieuw) BW, en niet de datum van verdeling van die gemeenschap. Ik licht dit als volgt toe.
ontbondengemeenschap. Het nieuwe lid 2 van art 1:100 BW Pro luidt: “Voor zover bij de
ontbindingvan de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn (...)”. Hieruit volgt naar mijn mening dat bepalend is de datum van ontbinding van de gemeenschap en niet de datum van verdeling.
onderdeel 2.10vervolgens, ten onrechte “de stringente beoordeling van de ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ toegepast die op grond van het oude recht de maatstaf was”. Als ik het goed zie, bouwen de onderdelen uitsluitend voort op de voorgaande klachten. Zij falen derhalve op de hiervoor weergegeven gronden.
met opzetheeft benadeeld;
welals zeer uitzonderlijk zijn te kwalificeren, maar de omstandigheden die de vrouw ten grondslag heeft gelegd aan haar stelling dat het niet redelijk is om haar mee te laten delen in de schulden van de belastingdienst, nu die laatstgenoemde schulden eveneens het gevolg zijn van onjuiste opgaven door de man van zijn inkomen, (ik begrijp:)
niet. Het onderdeel verwijst in dat verband naar (i) het boekenonderzoek van de belastingdienst [13] , meer specifiek punt 8 (overzicht correcties) en punt 9.1 waarin expliciet staat dat gelet op de hoogte van de correcties opgenomen in hoofdstuk 8.1 de verschuldigde belasting volgens de aangifte zowel relatief als absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en dat, nu de man een administratiekantoor drijft, hij daarmee als geen ander wist dat de aangiften onjuist waren.
onderdeel 2.9, hiervoor besproken, wordt ervan uitgegaan dat het hof die stellingen heeft weergegeven in rov. 5.7. Het hof noemt in deze rechtsoverweging als de door de vrouw aangevoerde omstandigheden: (i) de vrouw bemoeide zich niet met de onderneming(en) van de man, (ii) zij deed nooit zelf belastingaangifte, (iii) zij wist niet beter dan dat de man een goed lopend administratiekantoor had, en (iv) zij heeft niets van contante inkomsten gezien. Het onderdeel klaagt niet dat de weergave door het hof onbegrijpelijk is in het licht van de afzonderlijke stellingen van de vrouw [15] , zodat in cassatie van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. Het oordeel van het hof aan het slot van rov. 5.7 dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als zijnde een “dusdanig zeer uitzonderlijke situatie” (zoals bedoeld in de hiervoor in 2.4 weergegeven jurisprudentie) is feitelijk. Dat het hof onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds de belastingschulden
sec, die sowieso verschuldigd zijn, en de opgelegde (en wellicht nog op te leggen) boetes en strafmaatregelen acht ik niet onbegrijpelijk.