Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
enigerelatie tussen die voorziening en het einde van het dienstverband zou volstaan. Onderdeel II richt een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen rov. 3.5.5 waarin het hof heeft geoordeeld dat in casu voldoende verband bestaat tussen de CAO-voorziening en een te voorzien ontslag na twee jaar ziekte, gezien ook de regeling in art. 7:669 lid 3 onder Pro b BW en art. 7:670 lid 1 BW Pro. Onderdeel III formuleert een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen rov. 3.6 waarin het hof heeft geoordeeld dat de vergoeding die [verzoekster] op basis van de suppletieregeling heeft ontvangen ten tijde van de beëindiging van haar dienstverband een waarde heeft die aanzienlijk hoger is dan de transitievergoeding. In dit verband betoogt [verzoekster] dat het hof bij zijn beoordeling van de gelijkwaardigheid van de CAO-voorziening niet had mogen uitgaan van de potentiële waarde van die voorziening, maar in plaats daarvan had moeten uitgaan van de daadwerkelijke waarde ervan. Onderdeel IV, ten slotte, betreft een voortbouwende klacht.
ING Bank Personeel BV, [10] waaraan een uitgebreide conclusie van A-G De Bock is voorafgegaan. [11] De centrale vraag in de onderhavige zaak (moet de cao-voorziening direct verband hebben met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst om als een gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b BW te kunnen worden aangemerkt?) was in genoemde zaak niet aan de orde en heeft Uw Raad dus ook niet beantwoord. In het hiernavolgende komen de volgende onderwerpen aan bod:
de transitievergoeding niet beschouwd dient te worden als een aanvullende inkomensvoorziening bij werkloosheid. Dit blijkt enkel al uit het feit dat de transitievergoeding verschuldigd is door de werkgever ongeacht het antwoord op de vraag of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst aansluitend werkloos is of aansluitend een andere arbeidsovereenkomst aan gaat. In beide genoemde situaties is de werkgever de transitievergoeding verschuldigd.” [onderstreping van mij, A-G]
De werkgever is deze vergoeding in beginsel altijd verschuldigd, dus ook als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd (of niet wordt voortgezet) omdat de werknemer de bedongen arbeid als gevolg van ziekte of gebreken niet langer kan verrichten en herplaatsing in andere passende arbeid niet mogelijk is. Het verschuldigd zijn van een transitievergoeding na een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt vaak als onrechtvaardig ervaren. Onrechtvaardig omdat de werkgever voorafgaand daaraan (veelal) gedurende twee jaar het loon tijdens ziekte heeft betaald en kosten heeft gemaakt gericht op de re-integratie van de werknemer in zijn bedrijf of bij een andere werkgever.
Ook voor werknemers die langdurig arbeidsongeschikt zijn, kunnen deze voorzieningen immers van belang zijn voor het zoeken van ander werk. Dat geldt zowel voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten als voor de categorie volledig arbeidsongeschikten. Het is immers niet uitgesloten dat de situatie van een volledig arbeidsongeschikte, bijvoorbeeld een IVA-uitkeringsgerechtigde, verbetert. Maar ook als geen verbetering optreedt, is het onwenselijk om deze laatste groep werknemers anders te behandelen. Ook voor hen geldt, net als voor andere (al dan niet gedeeltelijk arbeidsongeschikte) werknemers, dat de vergoeding dient als compensatie voor (de gevolgen van) ontslag en bijvoorbeeld ook kan worden aangewend voor (tijdelijke) compensatie van verlies aan inkomen dat met ontslag gepaard kan gaan.
Dit is een expliciete wens geweest van sociale partners zodat zij zelf regels kunnen treffen voor het bevorderen van van-werk-naar-werk transities.” [onderstreping van mij, A-G]
ING Bank Personeel BVbevestigd: de kwalificatie in de cao is slechts één van de relevante gezichtspunten: [50]
”(o.a. Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 42 en 114). De ‘voorziening’ waarnaar moet worden gekeken, betreft het geheel aan afspraken tussen de cao-partijen, waarbij de regering ervan is uitgegaan dat deze afspraken op geld worden gewaardeerd (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. C, p. 24).
Het antwoord op de vraag of een in een cao opgenomen voorziening gelijkwaardig is in de zin van art. 7:673b lid 1 BW, is uiteindelijk aan de rechter overgelaten (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 7, p. 85). Uit dit laatste kan worden afgeleid dat bij de beantwoording van die vraag weliswaar betekenis kan toekomen aan de omstandigheid dat cao-partijen een voorziening als gelijkwaardig hebben aangemerkt, maar slechts als één van de gezichtspunten.” [onderstreping van mij, A-G]
voorafvan belang acht en daarom dan ook de gekapitaliseerde potentiële waarde van de voorziening centraal stelt:
4.5 Cao-afspraken 2015 transitievergoeding
de individuele werknemer recht op zou hebben gehad.” [onderstreping van mij, A-G]
ING Bank Personeel BVvalt af te leiden dat de gelijkwaardige voorziening inderdaad op individueel niveau moet worden beoordeeld: [54]
aBW, hierna: ‘de
a-grond’). [57] De nieuwe bepaling biedt dus geen mogelijkheid meer om de transitievergoeding te vervangen door een cao-voorziening ingeval van ontslag op de redelijke gronden genoemd in art. 7:669 lid 3 onder Pro
btot en met
fBW, die ook wel de persoonsgebonden gronden worden genoemd (hierna gezamenlijk ‘
de b tot en met f-gronden’) noch die onder art. 7:669 lid 3 onder Pro
gen onder
hBW zijn. [58] In onze zaak gaat het om een ontslag op de
b-grond (te weten: wegens ziekte die langer dan twee jaren heeft geduurd). Onder het regime van het nieuwe art. 7:673b BW zou de cao-voorziening, die in de onderhavige zaak aan de orde is, de transitievergoeding dus niet meer kunnen vervangen, zodat een werknemer in de positie als die van [verzoekster] aanspraak zou kunnen maken op zowel de transitievergoeding als de cao-voorziening.
De reden hiervoor is dat bij ontslagen om persoonlijke redenen de transitievergoeding mede bedoeld is als compensatie voor eventuele verwijtbaarheid aan het ontslag van de zijde van de werkgever en daarmee tevens als stimulans voor een individuele werkgever om zorgvuldig met zijn personeel om te gaan. Dat laatste gaat verloren als de mogelijkheid blijft bestaan een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening overeen te komen die geen of minder lasten voor een individuele werkgever met zich brengt, bijvoorbeeld omdat een dergelijke voorziening wordt betaald uit een fonds.In verband met dit voorstel wordt voorzien in overgangsrecht voor het geval in een lopende cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen bij een ontslag om persoonlijke redenen waardoor het recht op transitievergoeding is komen te vervallen. Dat overgangsrecht houdt in dat een dergelijke cao-regeling tot het einde van de looptijd van de cao in de plaats komt van de transitievergoeding.” [onderstreping van mij, A-G]
b-grond) (randnummer 3.35), in ieder geval mee dat een eventuele cao-voorziening de transitievergoeding niet (meer) kan vervangen. Zegt het komende recht daarmee iets over het huidige? Meent de regering ook nu reeds dat in het geval dat de arbeidsovereenkomst wegens persoonsgebonden gronden (zoals wegens langdurige arbeidsongeschiktheid) wordt beëindigd, terughoudendheid moet worden betracht bij het aannemen van gelijkwaardigheid van een cao-voorziening? Afgezien van de vraag welk gezag toekomt aan een interpretatie die de regering achteraf (na totstandkoming) geeft aan een wetsbepaling, vormt de toelichting die de regering bij de aanstaande wijziging heeft gegeven (hiervoor randnummer 3.37) in elk geval geen sterke aanwijzing voor de zojuist genoemde uitleg. De voornaamste reden voor de regering om art. 7:673b BW tot ontslag wegens bedrijfseconomische redenen te beperken, lijkt namelijk te zijn dat bij een transitievergoeding (eventuele) verwijtbaarheid van de werkgever verdisconteerd is (hiervoor randnummer 3.11) en dat als de werkgever geen transitievergoeding hoeft te betalen vanwege een gelijkwaardige voorziening in een cao die de werkgever vaak niet uit eigen zak betaalt, hij niet geprikkeld wordt om zorgvuldig met zijn werknemers om te gaan. Wat mij betreft geeft de aanstaande wetswijziging dus geen zicht op de (wijze van) beoordeling van de gelijkwaardigheid van de voorziening in het kader van de huidige regeling van art. 7:673b BW.
a-grond, zal de werkgever straks in geval van ontslagen op de
btot en met
f-gronden mogelijk vaker grijpen naar art. 7:673 lid 6 BW Pro dat de mogelijkheid kent van een vermindering van de transitievergoeding. Dit licht ik toe.
1.1 Kosten in onderdeel a
Zoals hiervoor reeds aangegeven voorziet het wetsvoorstel verder in de mogelijkheid om bij cao af te wijken van de wettelijke regeling voor de transitievergoeding waardoor sociale partners zelf regels kunnen treffen voor het bevorderen van van-werk-naar-werk transities. Dit kunnen zij realiseren door ontslagen werknemers aanspraak te geven op (aan de transitievergoeding gelijkwaardige) voorzieningen die zijn gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de werkloosheidsduur. Ook in deze afwijkingsmogelijkheid is aldus uitdrukkelijk de koppeling opgenomen met het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de werkloosheidsduur.De regering is van mening dat de wijze waarop de regeling van de transitievergoeding is vorm gegeven de werknemer in staat stelt zijn of haar transitie van-werk-naar-werk te bevorderen, waarbij zij aangetekend dat het uiteindelijk een verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer is om hiervan gebruik te maken.” [onderstreping van mij, A-G]
gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid” uit de oorspronkelijke tekst van art. 7:673b BW leert echter dat de regering geen samenhang tussen art. 7:673b BW en art. 7:673 lid 6 BW Pro heeft beoogd (hierna randnummers 3.46 e.v.). Daar waar voor de transitiekosten en inzetbaarheidskosten als bedoeld in het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding, gelet op de toelichting (randnummer 3.43) uitdrukkelijk de eis wordt gesteld dat deze gericht zijn op transitie naar werk, is dat voor de gelijkwaardige voorziening in art. 7:673b BW, zoals hierna zal blijken, niet aan de orde. [66]
gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid. [onderstreping van mij, A-G]
gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid”,te schrappen. [69] Daarvoor werd de volgende toelichting gegeven: [70]
Onbedoeldis in artikel 7:673b geregeld dat de daar bedoelde gelijkwaardige voorziening gericht moet zijn op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid. Het is echter voldoende dat er een gelijkwaardige voorziening is,
de doelstelling van die voorziening is geen aanvullende voorwaarde.Voorgesteld wordt de desbetreffende zinsnede te schrappen.” [onderstrepingen van mij, A-G]
ING Bank Personeel BVspeelde deze vraag in cassatie niet. Hoewel inmiddels wel anders is geoordeeld, [73] lijkt het mij niet juist uit de uitspraak in de zojuist genoemde zaak af te leiden dat Uw Raad meer indirect (namelijk door het hanteren van de woorden ‘volgens de cao wegens die beëindiging’ in rov. 4.3.6) zou hebben beslist dat de cao-voorziening direct verband moet houden met beëindiging van het arbeidscontract.
ING Bank Personeel BV. [76] Daarin heeft Uw Raad geoordeeld dat bij de toetsing van de gelijkwaardigheid van de voorziening niet als voorwaarde geldt dat de voorziening aan de functies van de transitievergoeding beantwoordt; hooguit weegt de mate waarin de voorziening aan die functies kan beantwoorden als factor mee bij die toetsing:
ING Bank Personeel BV [81] gekozen voor de potentiële waarde van de voorziening, omdat die benadering beter past bij het abstracte stelsel van de transitievergoeding:
Bij de beoordeling of een in een cao opgenomen voorziening gelijkwaardig is aan de wettelijke transitievergoeding, is uitgangspunt dat een vergelijking wordt gemaakt tussen de op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gekapitaliseerde potentiële waarde van de voorziening waarop de desbetreffende werknemer volgens de cao wegens die beëindiging recht heeft, en de transitievergoeding waarop die werknemer volgens de wettelijke regeling recht zou hebben. Dit maakt het mogelijk om ook voorzieningen die in fasen worden gerealiseerd en waarvan het eindtijdstip onzeker is (zoals periodieke betalingen die zijn gekoppeld aan een concrete periode van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid) direct te onderzoeken op gelijkwaardigheid aan de wettelijke transitievergoeding, hetgeen gewenst is in verband met de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW. Ook overigens verzet de rechtszekerheid zich ertegen dat pas geruime tijd na het einde van het dienstverband – wanneer een voorziening blijkt te zijn ‘uitgewerkt’ – kan worden bepaald of die voorziening gelijkwaardig was aan de transitievergoeding.
ING Bank Personeel BV, [82] dat sprake moet zijn van een directe relatie tussen de cao-voorziening en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
ING Bank Personeel BV, dat de voorziening geen direct verband hoeft te houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (hiervoor randnummers 3.51 tot en met 3.56 en 3.61 onder e.).
onderdeel IIbestrijdt [verzoekster] met een rechtsklacht en een motiveringsklacht het oordeel van het hof in rov. 3.5.5 dat er voldoende verband bestaat tussen de cao-voorziening en een te voorzien ontslag na twee jaar ziekte, gelet op art. 7:669 lid 3 onder Pro b BW en art. 7:670 lid 1 BW Pro. Daarbij draagt [verzoekster] een drietal argumenten aan.
ING Bank Personeel BV, [83] aan dat voor de kwalificatie van een voorziening als gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b BW essentieel is dat deze kan worden gebruikt ten behoeve van het vereenvoudigen van de transitie naar ander werk. Zoals hiervoor in randnummers 3.46 tot en met 3.50 en in 3.61 onder d. is toegelicht, blijkt uit de toelichting bij de Verzamelwet SZW 2015 [84] en inmiddels uit de uitspraak van Uw Raad inzake
ING Bank Personeel BV [85] dat een cao-voorziening niet gericht hoeft te zijn op transitie naar werk om als een gelijkwaardige voorziening in de zin van art. 7:673b BW te kunnen worden aangemerkt. Uit genoemde uitspraak van Uw Raad volgt wel dat de mate waarin de voorziening kan beantwoorden aan de doelstellingen van de transitievergoeding als factor kan meewegen bij die toetsing. Uiteindelijk is het aan de feitenrechter die daarbij een grote mate van vrijheid heeft om de gelijkwaardigheid van de voorziening te beoordelen; dit oordeel kan in cassatie slechts in beperkte mate op juistheid worden getoetst. [86]
onderdeel IIIbestrijdt [verzoekster] het oordeel van het hof in rov. 3.6 dat de waarde van de CAO-voorziening ten tijde van de beëindiging van haar dienstverband hoger is dan de transitievergoeding. Ter toelichting voert [verzoekster] , onder verwijzing naar randnummer 3.76 uit de conclusie van A-G De Bock in de zaak met betrekking tot
ING Bank Personeel BV, [88] aan dat niet uitgegaan moet worden van de potentiële waarde maar van de daadwerkelijke waarde van de voorziening. Dit onderdeel faalt. Zoals hiervoor in randnummers 3.57 tot en met 3.60 en 3.61 onder f. is uiteengezet, blijkt inmiddels uit de rechtspraak van Uw Raad [89] dat de gekapitaliseerde potentiële waarde van de voorziening moet worden vergeleken met de transitievergoeding waarop de betreffende werknemer recht op grond van art 7:673 BW Pro zou hebben.
onderdeel IVenkel een voortbouwende klacht bevat, deelt dit onderdeel het lot van de hiervoor behandelde onderdelen.