Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
- bij de vraag of sprake is van een gelijkwaardige voorziening dient niet te worden gekeken naar het (eerste) moment van uitkering van deze vergoeding, maar naar het financiële voordeel dat de premievrije opbouw van het ouderdomspensioen voor de werknemer oplevert;
- in de wet is geen aanknopingspunt te vinden dat de werknemer direct moet kunnen genieten van de voorziening;
- doordat de werkgever de premievrije voortzetting van de pensioenopbouw betaalt, levert dit voor de werkneemster een maandelijkse besparing op;
- [de werkneemster] heeft het door ING berekende bedrag dat de voortzetting van het pensioen bedraagt, niet betwist;
- de wet dwingt er niet toe dat wordt bekeken hoe een dergelijke voorziening achteraf individueel uitpakt.
werknemereindigt, kan een transitievergoeding verschuldigd zijn indien de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zo volgt uit art. 7:673 lid Pro 1, onder b, BW.
gelijke waardeheeft als de transitievergoeding.
Tot slot wijst de Afdeling erop dat het begrip «gelijkwaardige voorziening» in artikel 7:673b, lid 1, BW niet wordt gedefinieerd. De toelichting bevat evenmin voorbeelden van voorzieningen die kunnen worden aangemerkt als gelijkwaardig aan de wettelijke transitievergoeding. Hierdoor wordt niet uitgesloten dat in een cao bijvoorbeeld een outplacement ter waarde van € 1.000,– wordt aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening, terwijl een werknemer met een lang dienstverband anders bijna een jaarsalaris had ontvangen. Naar het oordeel van de Afdeling verdient het aanbeveling om de toelichting op dit onderdeel aan te vullen.”
De leden van de VVD-fractie constateren dat door een bevoegd bestuursorgaan mag worden afgeweken van de wettelijke regeling voor de transitievergoeding. Zij vragen wie bepaalt of sprake is van gelijkwaardigheid (bij onenigheid) en vragen naar voorbeelden van bevoegde bestuursorganen. Zij vragen of ook in dat laatste geval sprake moet zijn van gelijkwaardigheid.
naar het oordeel van het rechtergelijkwaardig is. Als dat anders zou zijn, zou de rechter immers niet de mogelijkheid hebben om te beoordelen of sprake is van een gelijkwaardige voorziening. Dan had volstaan kunnen worden met de constatering dat de CAO-partijen de betreffende voorziening al dan niet als gelijkwaardige voorziening hebben aangemerkt c.q. dat de rechter zich daarop dient te richten.
dusgeen sprake kan zijn van een gelijkwaardige voorziening.
Gelijkwaardige voorziening voor transitievergoeding
De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering te reageren op de vragen van ActiZ, brancheorganisatie Verpleeg-, Verzorgingstehuizen en Thuiszorg. Actiz schrijft dat onduidelijk is of de wet afwijkende vergoedingen van de nieuwe wettelijke transitievergoeding, zowel qua hoogte als vorm (suppletie) verbiedt, als geen sprake is van een gelijkwaardige cao-regeling gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid. Zij zijn van mening dat tijdens de behandeling in de Tweede Kamer op dit punt geen heldere uitspraak is gedaan. Hierdoor zou onduidelijkheid bestaan of de transitievergoeding in de praktijk als minimum (bodem) gaat fungeren, waarover in de praktijk in cao’s en sociale plannen door sociale partners aanvullende/hogere afspraken kunnen worden gemaakt op basis van vrijheid van contractenrecht, hetgeen leidt tot dubbele betaling.
op geld worden gewaardeerd. Uit de passage is bovendien af te leiden dat de vraag of sprake is van een gelijkwaardige voorziening, moet worden beantwoord door de waarde van de verschillende voorzieningen in de CAO (in natura en in geld) bij elkaar op te tellen (‘de som’) en die te vergelijken met de waarde van de wettelijke transitievergoeding. Op het overgangsrecht waarnaar in de aangehaalde passage wordt verwezen, zal worden ingegaan onder 3.37-3.39.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de ontvangers van de transitievergoeding ook daadwerkelijk worden aangemoedigd om deze vergoeding voor baanmobiliteit in te zetten. Zij vragen in hoeverre wordt bevorderd dat ontslagen werknemers via deze vergoeding hun kerncompetenties op peil houden en zich herscholen in een richting die meer arbeidsmarktperspectief biedt. Ook vragen zij hoe de regering het scholingsaanbod beoordeelt, mede gezien het feit dat Nederland geen traditie en bewezen instituties kent op het gebied van een levenlang leren. Moet er niet tevens geïnvesteerd worden in een professionele scholings-infrastructuur om baanmobiliteit en omscholing daadwerkelijk te realiseren, zo vragen zij. Zij vragen of hier niet een forse slag gemaakt moet worden en waarom deze cruciale thema’s zo weinig aandacht krijgen in de memorie van toelichting.
‘gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid’te laten vervallen. [44] In de toelichting op het wetsvoorstel is daarover het volgende opgemerkt: [45]
nietsis opgenomen over het doel van de transitievergoeding. Bovendien is in de nota naar aanleiding van het verslag vermeld dat de werknemer niet verplicht is de transitievergoeding aan te wenden voor bijvoorbeeld scholing of outplacement (zie onder 3.8). [47] Het schrappen van de zinsnede kan dan ook worden beschouwd als een kwestie van consequente wetgeving: nu de doelstelling van de transitievergoeding tweeledig is (maar niet is vastgelegd in tekst van de wet), ligt het niet in de rede om in de wetsbepaling over de gelijkwaardige voorziening één van die doelen wél expliciet op te nemen.
specifiekeeis geldt dat de gelijkwaardige voorziening gericht moet zijn op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid.
ontslagvan de werknemer. Dat betekent dat een arbeidsvoorwaarde die geheel losstaat van het ontslag van de werknemer, hoe dan ook niet kan kwalificeren als een gelijkwaardige voorziening. Zie in deze zin ook Verhulp: [49]
arbeidsongeschiktheidvan de werknemer en niet aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, en (ook) om die reden niet als een gelijkwaardige voorziening kan worden beschouwd. [51] Ook Van der Velde typeert om deze reden de onderhavige voorziening als ‘opmerkelijk’. [52] Het hof is echter niet ingegaan op dit punt.
specifiekeeis geldt dat de gelijkwaardige voorziening gericht moet zijn op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid, onverlet dat de CAO-voorziening door de werknemer moet
kunnenworden ingezet ter voorkoming van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid. Het voorkomen of bekorten van de periode van werkloosheid (ofwel: het vereenvoudigen van de overgang naar ander werk) is een zodanig essentieel kenmerk van de doelstelling van de transitievergoeding, dat de afwezigheid van de mogelijkheid om de alternatieve voorziening hiervoor aan te wenden betekent dat geen sprake is van een gelijkwaardige voorziening. Ik kom hierop nog terug onder 3.61-3.70.
Overwogen is te regelen dat de transitievergoeding wordt verminderd met de (waarde van) de vergoedingen en voorzieningen waar de werknemer recht op heeft op grond van de lopende collectieve afspraken. Hier is echter niet voor gekozen omdat daarvoor de hoogte van de vergoedingen en voorzieningen uit lopende cao’s en sociale plannen die zijn overeengekomen met verenigingen van werknemers vastgesteld moet kunnen worden. Dat is veelal niet mogelijk. Van bijvoorbeeld een afgesproken wachtgeldregeling is bij het einde van de arbeidsovereenkomst niet duidelijk of deze tot uitkering komt, en als deze tot uitkering komt is niet altijd op voorhand duidelijk voor hoe lang en dus ook niet het uiteindelijke bedrag wat hiermee gemoeid zou zijn.”
Onder «vergoedingen» valt bijvoorbeeld een ontslagvergoeding. Uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen of de vrijval van aandelen en opties bij het einde van de arbeidsovereenkomst vallen hier niet onder. Onder «voorzieningen» vallen alle afspraken die geen «vergoedingen» zijn. Dit kunnen voorzieningen in natura zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om afspraken over om- of bijscholing, een outplacementtraject, het bieden van de gelegenheid om onder werktijd ander werk te zoeken of een wachtgeldregeling.”
elk voordeeldat de werknemer ten deel valt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst, als een voorziening in de zin van het Besluit geldt. Als voorbeeld van een vergoeding die daar wel onder valt, wordt enerzijds genoemd een ontslagvergoeding en anderzijds afspraken die duidelijk ten doel hebben om de overgang naar ander werk voor de werknemer te vereenvoudigen, zoals een bijscholingstraject.
dubbelevoorziening hoeft te krijgen (of: dat de werkgever niet twee keer voor hetzelfde hoeft te betalen), zodat een voorziening ter vereenvoudiging van de overgang naar ander werk die de werknemer reeds uit andere hoofde toekomt, hetzij in mindering strekt op de transitievergoeding, hetzij als gelijkwaardige voorziening kwalificeert. Het verband tussen beide regelingen blijkt ook uit de volgende passage uit de memorie van antwoord (mijn onderstreping): [60]
De regering is van mening dat de mogelijkheid tot het in mindering brengen van kosten op de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673, zesde lid, BW een goede stimulans vormt om bij ontslag maar ook tijdens het dienstverband te investeren in maatregelen die een transitie van-werk-naar-werk bevorderen. Dit laatste kan er ook aan bijdragen dat een werknemer al zodanig is geëquipeerd voor de arbeidsmarkt dat geen behoefte bestaat aan outplacement of scholing op het moment van ontslag, omdat de werknemer al een nieuwe baan heeft gevonden of al in voldoende mate breder inzetbaar is.Zoals hiervoor reeds aangegeven voorziet het wetsvoorstel verder in de mogelijkheid om bij cao af te wijken van de wettelijke regeling voor de transitievergoeding waardoor sociale partners zelf regels kunnen treffen voor het bevorderen van van-werk-naar-werk transities. Dit kunnen zij realiseren door ontslagen werknemers aanspraak te geven op (aan de transitievergoeding gelijkwaardige) voorzieningen die zijn gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de werkloosheidsduur.Ook in deze afwijkingsmogelijkheid is aldus uitdrukkelijk de koppeling opgenomen met het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de werkloosheidsduur.De regering is van mening dat de wijze waarop de regeling van de transitievergoeding is vorm gegeven de werknemer in staat stelt zijn of haar transitie van-werk-naar-werk te bevorderen, waarbij zij aangetekend dat het uiteindelijk een verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer is om hiervan gebruik te maken”
gelijkwaardigte zijn, maar kan deze ook op een lager bedrag worden gesteld. In de tweede plaats is art. 7:673b BW
uitsluitendvan toepassing bij ontslag wegens bedrijfseconomische redenen (de a-grond). Dat betekent dat in een situatie als in de onderhavige zaak aan de orde is, ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (de b-grond), geen sprake meer kan zijn van een gelijkwaardige voorziening.
Zoals uit het voorgaande blijkt, houdt het voorstel niet alleen in dat het voorschrift van een gelijkwaardige voorziening komt te vervallen maar ook dat een van de transitievergoeding afwijkende cao-regeling alleen betrekking kan hebben op ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen.
De reden hiervoor is dat bij ontslagen om persoonlijke redenen de transitievergoeding mede bedoeld is als compensatie voor eventuele verwijtbaarheid aan het ontslag van de zijde van de werkgever en daarmee tevens als stimulans voor een individuele werkgever om zorgvuldig met zijn personeel om te gaan. Dat laatste gaat verloren als de mogelijkheid blijft bestaan een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening overeen te komen die geen of minder lasten voor een individuele werkgever met zich brengt, bijvoorbeeld omdat een dergelijke voorziening wordt betaald uit een fonds.”
individueelniveau.
individuelewerknemer is vereist (mijn onderstreping): [68]
4.5 Cao-afspraken 2015 transitievergoeding
Algemeen
thansal zo moet worden begrepen dat de gelijkwaardigheid op collectief niveau zou moeten worden beoordeeld, zou de wijziging van de bepaling in dit opzicht overbodig zijn.
allewerknemers. Vervolgens rijst dan de vraag of de kosten van de gehele regeling per werkgever, of voor de gehele bedrijfstak in aanmerking moeten worden genomen. [71]
waarmeede in de CAO opgenomen voorziening dan moet worden vergeleken. De hoogte van de transitievergoeding kan per werknemer immers sterk verschillen, omdat deze afhangt van de hoogte van zijn inkomen en van zijn arbeidsverleden. Daardoor kan een bepaalde voorziening voor de ene werknemer wél gelijkwaardig zijn aan de transitievergoeding, maar voor de andere werknemer niet. Met andere woorden, de beoordeling van de gelijkwaardigheid is eigenlijk alleen
mogelijkals op individueel niveau wordt gekeken naar enerzijds de waarde van de alternatieve voorziening, en anderzijds de waarde van de transitievergoeding in het individuele geval.
individuelewerknemer is. Beoordeeld moet worden of die waarde overeenkomt met de hoogte van de transitievergoeding voor
dezewerknemer.
‘gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid’uit art. 7:673b BW is geschrapt, doet daar naar mijn mening niet aan af (zie onder 3.28-3.36). Zie in deze zin ook Bonsen-Lemmers en Cancian-van Ballegooijen: [75]
Maar voor volledige gelijkwaardigheid moet de transitievergoeding ons inziens in ieder geval de doelstelling van de transitievergoeding delen: het bevorderen van de transitie van werk naar werk en het bieden van compensatie voor het ontslag.”
kunnenworden ingezet ter voorkoming van werkloosheid of om de periode van werkloosheid te bekorten –, blijkt uit verschillende passages uit de wetsgeschiedenis. Ik verwijs naar de passages uit de memorie van toelichting, de nota naar aanleiding van het verslag en de memorie van antwoord die zijn aangehaald onder 3.15, 3.18. 3.24 en 3.26. Dat niet alleen de transitievergoeding maar ook de gelijkwaardige voorziening daarvoor moet kunnen worden ingezet, past ook in de doelstelling van de Wwz om een ontslagstelsel te ontwikkelen, waarbij het vinden van een nieuwe baan centraal staat. [76]
beëindigingvan de arbeidsovereenkomst (zie onder 3.33). In de tweede plaats moet de voorziening dezelfde
doelstellinghebben als de transitievergoeding, namelijk enerzijds strekken ter compensatie voor de gevolgen van het ontslag en anderzijds kunnen worden ingezet voor de transitie naar ander werk.
(...) De potentiële waarde van zo'n vergoeding, als gebruikt tot het einde, kan een veelvoud zijn in vergelijking met het bedrag dat de werknemer aan transitievergoeding zou hebben ontvangen. Maar als de werknemer reeds na een maand een nieuwe baan heeft gevonden, waardoor zijn WW-uitkering stopt alsmede de suppletie daarop, dan zou de werknemer beter af zijn geweest met betaling van de transitievergoeding ineens. Kan in zo'n geval niettemin worden gesproken van een gelijkwaardige voorziening? Dat is wel het geval als met het woord ‘de voorziening’ wordt gekeken naar de potentie die de overeengekomen regeling heeft; in dat geval is ‘de voorziening’ op voorhand een ten minste gelijkwaardig equivalent van de transitievergoeding. Als onder ‘de voorziening’ wordt verstaan de daadwerkelijke uitkomst van de overeengekomen regeling, de betaalde suppletie, zal dat in specifiek gevallen
Het zou mogelijk kunnen zijn dat rechters in een dergelijk geval kijken naar de potentie van een voorziening, zoals ook gedaan is bij de toepassing van het Besluit. Het is echter de vraag of een dergelijke berekeningsmaatstaf op zichzelf te verenigen is met de bepaling van de gelijkwaardige voorziening. Immers de gelijkwaardige voorziening wordt gedefinieerd als een voorziening in geld of in natura (of een combinatie daarvan) welke het equivalent vormt van de individuele transitievergoeding en niet wat zou kunnen zijn. Bij een wachtgeldregeling is het echter niet anders mogelijk dan naar de potentie te kijken. Om er dan zeker van te zijn dat een werknemer ook daadwerkelijk een gelijkwaardige voorziening ontvangt zou de rechter kunnen opnemen dat de daadwerkelijke uitkomst van de uitkering wordt aangevuld tot de transitievergoeding. Hiermee zou de rechter dan wel kiezen voor de individuele benadering en niet de collectieve benadering. Dit heeft tot gevolg dat een gelijkwaardige voorziening nooit lager kan uitvallen dan de transitievergoeding.”
daadwerkelijkontvangen bedrag gelijk is aan het bedrag van de transitievergoeding.
ten minste gelijk is aan de transitievergoeding. [82] Op die manier wordt gegarandeerd dat de werknemer in ieder geval een bedrag ontvangt dat gelijkwaardig is aan de transitievergoeding. [83]
daadwerkelijk, dus concreet, gelijkwaardig is aan de transitievergoeding waarop de werknemer aanspraak heeft.
4.De bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1bestaat uit een primaire en een subsidiaire klacht en richt zich tegen rov. 2.4 van de eindbeschikking. Deze rechtsoverweging luidt als volgt:
primaire klachtwordt aangevoerd dat ‘s hofs oordeel, dat het feit dat de regeling voor 1 juli 2015 al bestond aan gelijkwaardigheid in de weg staat, is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Betoogd wordt dat het de CAO-partijen vrijstaat om ten aanzien van een bestaande voorziening te bepalen dat deze in de plaats komt van de wettelijke transitievergoeding.
Subsidiairricht het onderdeel zich tegen de laatste volzin van rov. 2.4, dat ‘
gesteld noch gebleken is dat in die cao een op geld waardeerbare voorziening is vastgelegd waarmee invulling is gegeven aan de sinds 1 juli 2015 geldende verplichting van ING om aan de arbeidsongeschikte werknemer de transitievergoeding te voldoen’.Aangevoerd wordt dat deze zin onbegrijpelijk is in het licht van art. 6.4 van de CAO (zie onder 1.3), waarin met zoveel woorden is bepaald:
‘dat gesteld noch gebleken is dat indiecao[A-G: die van 2015-2017]
een op geld waardeerbare voorziening is vastgelegd waarmee invulling is gegeven aan de verplichting om (…) aan de arbeidsongeschikte werknemer de transitievergoeding te voldoen’,is onbegrijpelijk. In art. 6.4 van de CAO is immers expliciet vermeld dat de voorziening te gelden heeft als gelijkwaardige voorziening. Overigens heeft het hof ook zelf vastgesteld dat de (potentiële) waarde van de getroffen voorziening € 90.915,- bedraagt (rov. 5.10 van de tussenbeschikking).
5.De bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
alleen alomdat deze al bestond vóór de inwerkingtreding van de Wwz. Daarmee is het hof niet toegekomen aan de vraag of een dergelijke voorziening – beoordeeld naar inhoudelijke maatstaven – als een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening kan worden aangemerkt. Dat hoefde het hof ook niet: omdat het hof reeds op een andere grond van oordeel was dat het door [de werkneemster] gevorderde diende te worden toegewezen, was het niet gehouden om de overige stellingen die zij daartoe had aangevoerd te bespreken. Een bespreking van grief III en IV kon dus achterwege blijven. Het hof heeft daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin een onbegrijpelijke beslissing gegeven.
In zoverre faalt het incidentele cassatieberoep.
hoe dan ookniet als een gelijkwaardige voorziening kan worden gekwalificeerd.
daadwerkelijk(dus niet: potentieel) gelijkwaardig is aan de transitievergoeding (zie onder 3.71-3.78). Nu ook daarvan geen sprake is, is de voorziening ook om deze reden niet gelijkwaardig. De Hoge Raad zou naar mijn mening zelf kunnen vaststellen dat hoewel het principale cassatieberoep slaagt, dit niet tot vernietiging van de beschikkingen kan leiden omdat de getroffen voorziening geen gelijkwaardige voorziening is. [86]