Conclusie
3.Waarom het in deze zaak gaat
4.De bestreden beschikking
Inleiding
5.Het eerste middel
6.Het tweede middel
NJ2004/343, waarin het ging om de schade die aan de gestolen en geheelde auto was toegebracht doordat de heler in die auto aan de politie trachtte te ontkomen. Het ging hier dus niet om schade die door de diefstal was veroorzaakt en in ieder geval niet om schade die bestond uit het door de diefstal veroorzaakte bezitsverlies. De eigenaar had de auto teruggekregen en vorderde vergoeding van de schade die door de vluchtpoging was veroorzaakt. Tussen die schade toebrengende poging om aan bestraffing wegens heling te ontkomen en de helingshandeling bestond, zo meen ik het arrest van de Hoge Raad te mogen begrijpen, voldoende verband. De rechtbank heeft dit type gevallen buiten beschouwing gelaten en zich beperkt tot “schade door diefstal”, dat wil zeggen schade die primair bestaat uit bezitsverlies (en daarnaast eventueel uit andere schade zoals beschadigingen veroorzaakt door de braak of verbreking waarmee de diefstal gepaard ging). Deze beperking komt mij niet onbegrijpelijk voor. Bij de vraag of het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet, is het oordeel van het openbaar ministerie leidend. De rechtbank heeft kennelijk en gelet op hetgeen in de ‘Aanvullende conclusie OM’ werd gesteld niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het openbaar ministerie het belang van de strafvordering zocht in de vergoeding van de “onomkeerbare” schade die door de diefstallen was veroorzaakt. Dit oordeel wordt overigens als ik het goed begrijp in de toelichting op het middel niet aangevochten.
NJ2012/643), dat in de toelichting op het middel wordt geciteerd, maakt dit mijns inziens niet anders. De desbetreffende overweging luidt:
LJNZD0985,
NJ1998/537) en door of namens de verdachte in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij en dus ook niet is betwist dat in het onderhavige geval dit verband aanwezig was.”