Conclusie
2 oktober 2012dient te zijn, en niet 1 augustus 2012.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel I.1klaagt dat het hof in rov. 4, hiervoor weergegeven in 1.15, en in het dictum blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vrouw ontvankelijk was in haar verzoek in de brief van 10 mei 2017 om de beschikking van 1 mei 2014 aan te vullen krachtens art. 32 Rv Pro, omdat hof bij brief van 8 december 2015, hiervoor weergegeven in 1.12, heeft beslist dat (ook) voor aanvulling van de beschikking in de zin van art. 32 Rv Pro geen aanleiding bestaat, nu zich niet de situatie voordoet dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een onderdeel van het verzochte. Het onderdeel betoogt dat het hof op die beslissing niet kon terugkomen en dat het derhalve in de beschikking van 16 november 2017 “het (herhaalde) verzoek van de vrouw van 10 mei 2017” had moeten afwijzen. Het onderdeel stelt verder dat, als de vrouw “zou volharden in haar standpunt dat de door de man teveel betaalde partneralimentatie door haar onverschuldigd aan hem is terugbetaald”, zij een bodemprocedure dient op te starten.
Onderdeel I.2koppelt aan de rechtsklacht van onderdeel I.1 een motiveringsklacht. Geklaagd wordt dat het bestreden oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat het hof bij zijn oordeelsvorming omtrent de ontvankelijkheid zijn brief van 8 december 2015 niet kenbaar heeft betrokken.
herstellenomdat daarin volgens haar sprake is van een kennelijke vergissing, daarin bestaande dat de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie is bepaald op 1 augustus 2012 in plaats van op 2 oktober 2012. Het hof heeft in zijn brief van 8 december 2015 aangegeven dat de vrouw zich kennelijk baseert op art. 31 lid 1 Rv Pro, aangezien zij om correctie van de beschikking van 1 mei 2014 vraagt. Het hof heeft het verzoek afgewezen op de grond dat naar zijn oordeel met betrekking tot de vastgestelde ingangsdatum geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van art. 31 Rv Pro. De brief van 8 juni 2015 bevat
niethet betoog dat in de beschikking van 1 mei 2014 is verzuimd om (gemotiveerd) te beslissen op het verzoek van de man inzake de eventuele terugbetalingsverplichting van de vrouw ter zake de te veel door de man aan haar betaalde partneralimentatie. Ook wordt het hof in die brief
nietverzocht om alsnog op de voet van art 32 Rv Pro een beslissing te nemen op dat verzoek. Voor zover het onderdeel betoogt dat de vrouw in haar brief van 8 juni 2015 een dergelijk verzoek wel heeft gedaan, mist het feitelijke grondslag in de gedingstukken. De beslissing van het hof in de brief van 8 december 2015 dat (ook) voor aanvulling van de beschikking in de zin van art. 32 Rv Pro geen aanleiding bestaat, nu zich niet de situatie voordoet dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een onderdeel van het verzochte, mist naar mijn mening in wezen zelfstandige betekenis, nu een
concreet verzoekop de voet van dat artikel niet was gedaan. De conclusie is dat de beslissing van het hof in de brief van 8 december 2015 niet aan een beslissing op het (voor het eerst) in de brief van 10 mei 2017 gedane verzoek van de vrouw op de voet van art. 32 Rv Pro in de weg stond. De onderdelen I.1 en I.2 falen derhalve.
verzuimdom (gemotiveerd) te beslissen omtrent de
eventueleterugbetalingsverplichting van de vrouw ter zake de te veel door de man betaalde partneralimentatie als door de man is verzocht. De vrouw had er belang bij dat het hof alsnog op het verzoek van de man zou beslissen, aangezien dit immers ook kon worden afgewezen. Dat de vrouw reeds aan de man had terugbetaald doet aan haar belang geen afbreuk. Ook het betoog onder (ii) faalt. Ook indien moet worden aangenomen dat de uitspraak van het hof voor de vrouw geen executoriale titel oplevert (en ervan uitgaande dat de bestreden uitspraak de man geen aanleiding geeft om uit zichzelf tot terugbetaling over te gaan van het door de vrouw aan hem (terug)betaalde bedrag), dan zou een executoriale titel bij verwerping van het onderhavige cassatieberoep in een (eventuele) vervolgprocedure op eenvoudige wijze kunnen worden verkregen.
specifiekestellingen met betrekking tot (al) deze omstandigheden zijn ingenomen. Het oordeel dat dergelijke stellingen eerder in de appelprocedure niet zijn ingenomen is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het stond het hof vrij om de zaak te heropenen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om uitsluitend met betrekking tot een eventuele terugbetalingsverplichting (alsnog) stellingen in te nemen. Het onderdeel faalt.
Onderdeel II.1bouwt uitsluitend voort op een aantal klachten van onderdeel I en dient daarvan het lot te delen.
genoegzaam, dat wil in ieder geval zeggen: kenbaar, moet worden gemotiveerd. Naar aanleiding van het verzoek van de vrouw van 10 mei 2017 diende het hof zijn eerdere beslissing van 1 mei 2014 uit te leggen. Het hof heeft in rov. 4 van de thans in cassatie bestreden tussenbeschikking van 16 november 2017 overwogen dat in de beschikking van 1 mei 2014 is verzuimd (gemotiveerd) te beslissen omtrent de eventuele terugbetalingsverplichting van de vrouw ter zake de te veel door de man betaalde bijdrage in haar levensonderhoud als door de man is verzocht. Reeds gelet daarop faalt het betoog van het onderdeel dat de terugbetalingsverplichting van de vrouw besloten ligt in de uitspraak dat de alimentatieplicht van de man met terugwerkende kracht is verlaagd per 1 augustus 2012. Ook het betoog dat de beschikking van 1 mei 2014 “in kracht van gewijsde is gegaan” faalt. Het miskent immers dat een verzoek op de voet van art. 32 Rv Pro
te allen tijde, derhalve ook na het verstrijken van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel, kan worden gedaan.
onderdeel II.3wordt opnieuw geklaagd dat het hof heeft miskend dat de vrouw geen belang heeft bij de verzochte aanvulling van de beschikking van 1 mei 2014, omdat de beschikking van 19 juli 2018 haar geen executoriale titel verschaft om terugbetaling door de man af te dwingen van het door haar “vrijwillig” op 13 mei 2014 betaalde bedrag van € 12.291,18. Het onderdeel stuit af op hetgeen hiervoor bij de bespreking van onderdeel I.3 is opgemerkt.