Conclusie
eerste middelkomt ten aanzien van feit 1 met verschillende klachten op tegen de verwerping van door de verdediging gevoerde verweren en tegen de bewijsvoering.
Bewijsoverwegingen
.De enige persoon die cliënt namelijk op het plaatsdelict plaatst op 20 mei 2015 is medeverdachte [betrokkene 15] . Dezelfde [betrokkene 15] waarvan het Gerecht in Eerste Aanleg heeft overwogen dat gedeelten van zijn verklaringen als ongeloofwaardig ter zijde moeten worden geschoven en het dus vast staat - bewezen is- dat deze [betrokkene 15] leugenachtige verklaringen heeft afgelegd. Bovendien vinden de verklaringen van [betrokkene 15] - en dan specifiek voor wat betreft de rol van cliënt in het geheel - niet voldoende steun in overig bewijsmateriaal
gang van zakenzoals [betrokkene 15] dit heeft verklaard niet te kloppen. Daarbij heeft hij zijn eigen rol telkens proberen te bagatelliseren waarbij hij cliënt heeft gebruikt als pispaaltje. Cliënt die de scooter niet in bewaring had, die niet de eigenaar was van de scooter, maar die volgens een geheel niet te verifiëren verklaring van [betrokkene 15] blijkbaar geld in de scooter had geïnvesteerd. Volgens zowel de moeder als de vader van het slachtoffer waren er in ieder geval
3 mannenuit de auto gestapt op allebei de momenten, dus zowel de eerste keer als de tweede keer, en niet alleen 2 mannen zoals [betrokkene 15] dit verklaart. Later herkent mw [betrokkene 1] de 3 mannen als zijnde [betrokkene 15] , [betrokkene 10] en [betrokkene 13] . [betrokkene 4] herkent alleen [betrokkene 15] . Zowel mw [betrokkene 1] als meneer [betrokkene 4] herkennen hierbij [betrokkene 15] als zijnde de man die het vuurwapen uit zijn broek haalde en de schutter die later op hun zoon heeft geschoten. Met betrekking tot [betrokkene 15] hebben we dus ook een dubbele herkenning.
Bewijsmiddeloverwegingen
“C. De verklaring van cliënt:
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn (als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM) in cassatie is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.