Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde de verdachte de gelegenheid te geven bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn, heeft afgewezen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
is niet verschenen.
NJ2002/466, m.nt. Knigge. De Hoge Raad overwoog toen dat in de regel van de verdachte mag worden gevergd dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet doorgaan van de behandeling van de zaak, althans dat hij er zorg voor draagt dat hij daaromtrent kan worden geïnformeerd alsook dat hij ter staving van het verzoek alsnog de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Maar in de betrekkelijk recente uitspraken van HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972,
NJ2014/258 en HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:622,
NJ2016/214, waarin de motivering van het hof enkel inhield dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd, vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest omdat het oordeel over de ontoereikendheid van de onderbouwing van het verzoek nog niet ook inhoudt dat de aangevoerde omstandigheden gezien de daaraan (niet) gegeven onderbouwing niet aannemelijk is geworden. [2]
tweede middelklaagt over het gebruik voor het bewijs van een proces-verbaal van bevindingen, voor zover de inhoud van dat proces-verbaal niet kan worden aangemerkt als een mededeling van feiten of omstandigheden die door de verbalisanten zelf zijn waargenomen of ondervonden.