Conclusie
eerste middelklaagt dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de verdachte meermalen de hennepstekken en/of de hennepplanten heeft afgeleverd, verstrekt of vervoerd.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig en/of ontoereikend heeft gemotiveerd.
derde middelklaagt dat het hof de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte telkens een grote hoeveelheid hennepstekken en/of hennepplanten als bedoeld in art. 1, tweede lid, Opiumwetbesluit heeft afgeleverd, verstrekt of vervoerd.
vierde middelwordt geklaagd dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden.